Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS7081

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
13/097260-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevingswet, Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Duitsland, art. 13 van de OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER D

Parketnummer: 13/097260-04

RK nummer: 04/4462

Datum uitspraak: 21 januari 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 november 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), afkomstig van de justitiële autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland, zijnde het Openbaar Ministerie te Hannover, Duitsland.

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord, Huis van Bewaring Zuyderbosch, te Heerhugowaard,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

Op 7 januari 2005 heeft de officier van justitie een aanvulling op haar eerdere vordering ingediend. In deze aanvulling vordert zij een beslissing op het verzoek om afgifte aan de verzoekende Staat van de in beslag genomen goederen, in casu een in het bezit van de opgeëiste persoon aangetroffen simkaart.

1. Procesgang

De vordering en de aanvulling daarop zijn behandeld op de openbare zitting van 14 januari 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, gehoord.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Albanese taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel d.d. 15 november 2004, uitgevaardigd door het Amtsgericht Hannover, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Albanese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat is zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit waarvoor de Duitse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

enerzijds is gebleken dat de opgeëiste persoon in Nederland (tijdelijk) verblijf houdt. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat hij belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland, doch anderzijds blijkt

? dat de feiten waarop het EAB ziet zich slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan de invoer van cocaïne in Duitsland vanuit Nederland en vervolgens het doorvoeren van deze cocaïne naar Italië ten behoeve van de verkoop aan Italiaanse afnemers;

? dat de opsporing en vervolging van de feiten in Duitsland zijn aangevangen;

? dat met betrekking tot dit EAB in Duitsland de bewijsmiddelen voorhanden zijn;

? dat de inbeslaggenomen verdovende middelen bestemd waren voor de Italiaanse en/of Duitse markt, in elk geval niet de Nederlandse markt, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Deze overwegingen wegen naar het oordeel van de officier van justitie zwaarder dan het persoonlijke belang van de opgeëiste persoon.

De rechtbank is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

7. Specialiteit

De officier van justitie heeft verklaard dat – ondanks het gegeven dat uit de brief van het Openbaar Ministerie te Hannover d.d. 13 januari 2005 kan worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon van meer feiten wordt verdacht dan in het EAB staat aangeduid en hoewel in haar (schriftelijke) vordering sprake is van feiten – overlevering slechts wordt gevorderd voor het in het EAB omschreven feit, te weten de aan de opgeëiste persoon verweten betrokkenheid bij het transport van verdovende middelen op of omstreeks 1 april 2004 van Nederland naar Italië.

De rechtbank zal zich bij haar oordeel over de toelaatbaarheid van de overlevering beperken tot de in het EAB omschreven handelingen op of omstreeks 1 april 2004 en de overlevering – zo deze toelaatbaar wordt verklaard – tot dit feit beperken.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Daaruit volgt dat de afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, 13 en 49 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Openbaar Ministerie te Hannover, Duitsland, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, te weten het transport van 3½ kilogram cocaïne van Nederland naar Brescia, Italië, op of omstreeks 1 april 2004.

BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen simcard aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. R.B. Kleiss en J.L. Hillenius, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2005.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.