Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS5718

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
307373/ KG 05-63 OdC
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser heeft het tweede kort geding dat hij had aangespannen tegen de gemeente Laren verloren. De notaris en de gemeente voeren al jaren strijd over de herplantverplichting van de notaris van door hem gekapte bomen in zijn tuin, die in de loop der jaren tot een bos was uitgegroeid. De notaris heeft inmiddels aan zijn herplantplicht voldaan, maar wilde dat weer terugdraaien, naar aanleiding van een arrest van het Hof in een eerder kort geding. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de vordering van eiser om de her geplante bomen weer weg te halen niet kan worden toegewezen, evenmin als de schadevergoeding die eiser had geëist, omdat de gemeente zich volgens hem niet aan de afspraken heeft gehouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Odc/MB

vonnis 10 februari 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 307373/ KG 05-63 OdC v a n:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 19 januari 2005,

procureur mr. Th.G.J.M. Melchers,

t e g e n :

de GEMEENTE LAREN,

zetelend te Laren,

g e d a a g d e ,

procureur mr. G.W. Kernkamp,

advocaat mr. S.W. Knoop te Zutphen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor de aanvang der terechtzitting van 27 januari 2005 is de behandeling van deze zaak verplaatst naar 28 januari 2005. Ter terechtzitting van 28 januari 2005 heeft eiser, verder te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen de gemeente, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [eiser] is eigenaar en bewoner van het perceel [adres]. De van dit perceel deel uitmakende onbebouwde grond heeft, volgens het huidige bestemmingsplan, als bestemming bos- en houtopstand. Het perceel grenst aan de Co Bremanlaan te Laren.

b. Op 15 september 2004 heeft een eerder kort geding plaatsgevonden, tussen dezelfde

partijen, over grotendeels hetzelfde feitencomplex als het onderhavige kort geding, namelijk over de invulling van de door de gemeente aan [eiser] opgelegde herplantplicht ten aanzien van ongeveer 160 op zijn terrein staande bomen, die hij eind januari 2000 zonder vergunning van de gemeente heeft gekapt of doen kappen. Volgens [eiser] was sprake van achterstallig onderhoud in een monumentale tuin, volgens de gemeente en omwonenden van het illegaal kappen van een bos.

c. Op 30 september 2004 is in het onder b genoemde kort geding vonnis gewezen. In

rechtsoverweging 1 heeft de voorzieningenrechter onder de letters a tot en met y een opsomming gegeven van de feiten waarvan in dat geding wordt uitgegaan. Ook in het onderhavige kort geding zal van die feiten worden uitgegaan, met de volgende aanvullingen:

I. Bij brief van 23 december 2002 heeft [wethouder K.] [eiser] en zijn echtgenote uitgenodigd voor een gesprek, “om in een informele sfeer met elkaar de mogelijkheden van een minnelijke oplossing voor “het probleem [adres]” te onderzoeken. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Ons streven is erop gericht eerst in een gesprek met u mogelijke oplossingen af te tasten. Indien en zodra wij in overleg een (of eventueel meer) acceptabele oplossingen hebben gevonden, willen wij deze met de omwonenden, zowel van de zijde van de Co Bremerlaan als van de zijde van de [adres], bespreken.”

II. In het in het eerste kort geding onder 1 k genoemde schrijven van [wethouder K.] van 12 maart 2003 voor de Commissie REO (Ruimtelijke Ordening en Economische Aangelegenheden), dat op diezelfde datum door Burgemeester en Wethouders “voor akkoord” is geparafeerd, staat ten aanzien van de herplantplicht van [eiser] onder meer:

De herplantplicht wordt in twee fasen gesplitst:

“1. Herplant 85 bomen in de eerste fase (conform onderdeel van de totale herplant- plicht van 160 bomen.) (...)”

III. Volgens een publicatie in de Gooi- en Eemlander van 13 maart 2003 waren de gemeente en [eiser] het eens over de toekomst van de tuin van [eiser]. In het desbetreffende artikel is onder meer vermeld:

“Beide partijen zijn het eens dat er van de honderdzestig door de gemeente geëiste bomen inmiddels dertig zijn geplant. Van de resterende honderddertig bomen plant [eiser] er in ieder geval 85. Er bestaat overeenstemming tussen gemeente, notaris ([eiser], vzr.) en monumentenzorg over plaats en soort. Het lot van de resterende 45 bomen ligt in handen van monumentenzorg. De partijen wachten hiervoor eerst het resultaat af van het bezwaar van de gemeente jegens de monumentenstatus van de tuin. Als de gemeente wint, dan komen ook die 45 bomen weer terug.”

IV. In de Gooi- en Eemlander van 13 mei 2003 is een artikel gepubliceerd met de kop: “Kwestie [eiser] sleept zich voort.” In dit artikel staat onder meer:

“Bezwaarmakende buren van (...) [eiser] gaan niet akkoord met het door de gemeente en notaris bereikte compromis over het herplanten van bomen in de notaristuin. Het compromis is daarmee weer van tafel, aangezien was afgesproken dat alle partijen het er mee eens moesten zijn.”

V. Volgens de pleitnota van de toenmalige raadsvrouw van [eiser], die zij heeft overgelegd ter zitting van 19 maart 2004 in de onder 1 t (in het eerste kort geding) vermelde procedure bij de Raad van State heeft zij toen de brief van [eiser] van 10 maart 2003 in het geding gebracht. Daarnaast, zo blijkt uit de pleitnota, heeft zij de brief van 13 maart 2003 (zie 1 l eerste kort geding) ter zitting bij de Raad van State voorgelezen.

VI. In de onder 1 s (eerste kort geding) genoemde beslissing van 22 juni 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bezwaren van de gemeente Laren tegen het aanwijzen van de terrasaanleg en tuin van het perceel van [eiser] als monument, gegrond verklaard en het besluit in die zin gewijzigd, dat alleen de terrasaanleg als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 wordt aangewezen.

d. [eiser] heeft in het onder b genoemde kort geding veroordeling van de gemeente

gevorderd:

- om te gehengen en te gedogen dat [eiser] niet zou voldoen aan de herplant-

plicht en de daaraan gekoppelde last onder dwangsom, voor zover zulks verder zou strekken dan de volgens [eiser] bestaande overeenkomst tussen partijen en het daarop gevolgde besluit van 12 maart 2003;

- om zich te onthouden van de executie van de herplantplicht en de daaraan ge-

koppelde last onder dwangsom, voor zover zulks verder zou strekken dan voornoemde overeenkomst tussen partijen en het daarop gevolgde besluit van 12 maart 2003.

e. Bij vonnis van 30 september 2004 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam

de vorderingen van [eiser] afgewezen, op grond van, onder meer, de volgende

overwegingen:

6. Uitgangspunt in deze zaak is - daar zijn partijen het ook over eens - dat het

besluit terzake van de herplantplicht van [eiser] en de daaraan gekop-

pelde last onder dwangsom in rechte vast staan. Onderwerp van dit geschil

is dan ook alleen op welke wijze de herplantplicht invulling dient te krijgen.

7. Blijkens rechtsoverweging 2.5 van de uitspraak van de Raad van State van 11 augustus 2004 heeft [eiser] in die procedure naar voren gebracht dat voor het opleggen van een last onder dwangsom geen plaats is, omdat hij bereid is tot de plant van 85 bomen. De Raad van State heeft vervolgens overwogen dat daarmee niet werd voldaan aan de op 4 februari 2000 opgelegde herplantplicht en dat van een gewijzigd standpunt van het college of van overeenstemming tussen [eiser] en het college over de aanplant van 85 bomen niet is gebleken. Klaarblijkelijk heeft [eiser] de Raad van State niet kunnen overtuigen van zijn andersluidende standpunt. De onjuistheid van dat standpunt staat daarmee in rechte vast. Een bodemprocedure waarin tot een ander oordeel gekomen zou kunnen worden en waarop in dit kort geding vooruit gelopen zou kunnen worden is er niet. De vordering van [eiser] stuit hierop reeds af.

8. Overigens is ook niet aannemelijk geworden dat de gemeente definitief ak-

koord is gegaan met de herplant als door [eiser] voorgesteld. Uit de stukken, waaronder de eerdere (bestuurs)rechterlijke uitspraken over deze kwestie, komt naar voren dat de basis voor de herplantplicht is dat het bos, zoals dat in de loop der jaren was gegroeid, zoveel mogelijk in zijn oude staat moet worden hersteld. Weliswaar hebben de rechtbank en de Raad van State overwogen dat over het exacte aantal, de aard en de plaats van de te planten bomen nog nader overleg met de gemeente mogelijk is, maar dat tast op zichzelf dit uitgangspunt - herstel in oude staat - niet aan.

9. Uit de brieven van [eiser] en de gemeente van 10 en 13 maart 2003 en het schrijven van de gemeente van 12 maart 2003 - wat de status van dit laatste document ook moge zijn - blijkt dat de gemeente akkoord ging met een gefaseerde invulling van de herplantplicht. De desbetreffende documenten kunnen echter niet zo worden opgevat dat de gemeente onvoorwaardelijk heeft toegestemd om de inhoud van de herplantplicht en het “herstel in oude staat-beginsel” structureel te wijzigen. Veeleer is aannemelijk dat de gemeente, zoals zij heeft aangevoerd, heeft getracht een oplossing in der minne te bereiken waarin alle betrokkenen - ook de omwonenden - zich zouden kunnen vinden. De gemeente had er wellicht verstandiger aan gedaan om tegenover [eiser] een voorbehoud van goedkeuring door de omwonenden te maken, maar de inhoud van de brieven was niet zodanig dat [eiser] daaraan de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat het door hem voorgestelde plan (met de door hem voorgestelde soorten en aantallen bomen) onvoorwaardelijk werd goedgekeurd. Aan de documenten van 10, 12 en 13 maart 2003 kan dan ook niet die betekenis worden toegekend die [eiser] daaraan hecht, in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat de Raad van State, als zij over de desbetreffende stukken zou hebben beschikt, tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen.

10. Na vergelijking tussen de oorspronkelijke invulling van het besluit van 4 fe-

bruari 2000 met het door [eiser] overgelegde inrichtingsplan, is aannemelijk geworden dat in het laatste plan in plaats van een bos veeleer beplanting in de geest van een tuin met een haag van taxussen zal worden aangelegd. Nu dat een wezenlijke wijziging van de herplantplicht zou inhouden, kan, mede gelet op het hiervoor onder 8. overwogene, de gemeente niet worden verplicht om met deze plannen van [eiser] akkoord te gaan.”

f. [eiser] heeft tegen het onder e genoemde vonnis hoger beroep aangetekend. Bij arrest van 25 november 2004 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het eerderge-

noemde vonnis bekrachtigd. Daarbij heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“(...) Met grief 2 in het principaal appèl bestrijdt [eiser] de overwegingen van de voorzieningenrechter als weergegeven in 4.8. (rechtsoverweging 7 in het kort geding in eerste aanleg, vzr.) Die grief faalt. De Raad van State heeft in zijn uitspraak van 11 augustus 2004 met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom door het college geoordeeld dat het college zich niet op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] niet meer aan de herplantplicht als neergelegd in het besluit van 4 februari 2000 hoeft te voldoen en dat van een overeenstemming tussen [eiser] en het college over de aanplant van 85 bomen niet is gebleken. Dit oordeel is voor de burgerlijke rechter bindend. Dat het bij de Afdeling bestuursrechtspraak bestreden besluit op enigerlei wijze opnieuw aan bestuurlijke beoordeling is onderworpen - bij voorbeeld op de voet van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht - is gesteld noch gebleken.

(...) Daarentegen slagen de grieven 3 en 4 in het principaal appèl die zich richten tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de gemeente definitief akkoord is gegaan met de herplantplicht als door [eiser] voorgesteld en dat de Raad van State als die over de documenten van 10, 12 en 13 maart zou hebben beschikt niet tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen. Het hof stelt vast dat de gemeente niet heeft gereageerd op de brief van [eiser] van 10 maart 2003 (...) Vervolgens heeft het college blijkens aantekening op het voorstel van [wethouder K.] van 12 maart 2003 zich akkoord verklaard met het splitsen van de herplantplicht in twee fasen, met als eerste fase herplant van 85 bomen (...) en heeft het college deze akkoordbevinding ook naar buiten gebracht door op 13 maart 2003 aan de belanghebbende bewoners (...) onder wie, naar ter terechtzitting in hoger beroep is vastgesteld [eiser] zelf - te berichten als vermeld in 4.6. (1 l in het eerdere kort geding vonnis, vzr). [eiser] mocht aan deze gang van zaken het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat sprake was van een afspraak met de gemeente zoals door hem verwoord in zijn brief van 10 maart 2003. Door de Afdeling bestuursrechtspraak hieromtrent onjuist te informeren heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Dit leidt, gezien hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot grief 2 heeft overwogen, echter niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van de vordering als door [eiser] ingesteld, maar hooguit tot aansprakelijkheid van de gemeente voor de mogelijk door [eiser] (...) geleden en te lijden schade.”

g. Op 29 oktober 2004 heeft op last van de burgemeester van Laren een controlebezoek plaatsgevonden op het perceel van [eiser]. In het daarvan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld:

“Geconstateerd moest worden dat de reeds geplante bomen afwijken van de opgelegde herplantplicht met betrekking tot afmeting en/of soort bomen. (...) wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden die tot nu toe zijn uitgevoerd niet in overeenstemming zijn met de opgelegde herplantplicht.”

h. Bij brief van 25 november 2004 heeft de raadsman van [eiser], naar aanleiding van het onder f genoemde arrest aan de gemeente voorgesteld om de uitvoering door [eiser] van hetgeen in de last onder dwangsom is omschreven onmiddellijk stop te zetten, om daarmee mogelijke schade voor de gemeente te beperken.

i. Bij brief van 30 november 2004 heeft de raadsman van de gemeente aan de raadsman van [eiser] meegedeeld in het arrest van het hof geen aanleiding te zien om af te wijken van de herplantplicht, zoals deze in 2000 is opgelegd (minus de daarin vermelde 12 berken) en dat [eiser] deze dan ook zo spoedig mogelijk dient na te komen, met dien verstande dat de gemeente geen aanspraak zal maken op tot en met 6 december 2004 eventueel verbeurde dwangsommen.

j. Op 6 december 2004 heeft wederom een controle plaatsgevonden op het terrein van

[eiser]. Volgens het daarvan gemaakte verslag waren de meeste bomen inmiddels geplant, overeenkomstig de met de gemeente daarover gemaakte afspraken. [eiser] heeft derhalve aan de herplantplicht voldaan.

k. Bij brief van 13 december 2004 heeft de raadsman van [eiser] aan de raadsman van de gemeente meegedeeld dat de last onder dwangsom inmiddels is uitgevoerd en de gemeente verzocht de schade van [eiser] - onder meer bestaand uit de kosten van aankoop en aanplant, de kosten van herstel in oude toestand en de kosten van rechtsbijstand - te vergoeden.

l. Bij brief van 23 december 2004 heeft de verzekeraar van de gemeente aan de

raadsman van [eiser] meegedeeld de onder k genoemde brief namens de gemeente in behandeling te hebben genomen en [eiser] te zullen berichten zodra zij een inhoudelijk standpunt daarover heeft ingenomen.

m. [eiser] heeft rekeningen overgelegd ten behoeve van aan hem verleende rechts-

bijstand in de periode vanaf maart 2003, van in totaal € 31.857,19 en rekeningen van de hovenier met betrekking tot de herplantkosten van in totaal € 50.202,40.

2. [eiser] vordert thans, kort gezegd, dat de gemeente wordt veroordeeld om uiterlijk op 1 februari 2005 de door [eiser] geleden schade, begroot op € 92.059,59 (inclusief de voor december 2004 en januari 2005 begrote kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 10.000,-) , althans een voorschot daarop, te vergoeden, en dat de gemeente wordt verplicht om uiterlijk op 1 maart 2005 het terrein te (doen) herstellen in de staat waarin het zich bevond vóór de inplant van de 148 bomen; beide vorderingen op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

3. [eiser] heeft, samengevat, zijn vorderingen als volgt toegelicht. Op zichzelf betwist [eiser] de herplantplicht niet, nu deze inmiddels rechtens onaantastbaar is. Echter de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 31 juli 2002 uitdrukkelijk bepaald dat over de aard en het exacte aantal van de te herplanten bomen overleg mogelijk is met de ambtenaren van de gemeente. Naar aanleiding van deze ruimte heeft overleg plaatsgevonden tussen [eiser] en [burgemeester R.] en [wethouder K.]. De afspraken die tijdens dat overleg zijn gemaakt zijn vastgelegd in de brief van [eiser] van 10 maart 2003. Vervolgens heeft [wethouder K.] de afspraken in een notitie van 12 maart 2003 bevestigd en op basis daarvan heeft het college op diezelfde datum een gelijkluidend besluit genomen. Daarna heeft de gemeente bij brief van 13 maart 2003 de afspraken aan alle betrokkenen (omwonenden) meegedeeld. Ter zitting van 19 maart 2004 bij de Afdeling heeft de gemeente gezegd dat haar niets bekend was van enig besluit van de gemeente over deze kwestie. [eiser] beschikte op dat moment nog niet over het besluit van 12 maart 2003, zodat hij het bestaan daarvan op dat moment niet aannemelijk heeft kunnen maken. De gemeente heeft niet willen voldoen aan het verzoek van [eiser] om de Afdeling alsnog juist te informeren en heeft zich vervolgens ook niet aan de afspraken met [eiser] gehouden. Daarmee heeft de gemeente, zoals ook het hof heeft overwogen, onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. De gemeente dient de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Om te voorkomen dat hij dwangsommen verbeurde heeft [eiser] uiteindelijk toch de aanvullende 148 bomen geplant. Dit is eigenlijk illegaal, omdat slechts voor de aanplant van 85 bomen een monumentenvergunning is verstrekt. De 148 bomen vormen een grote inbreuk op de monumentale waarde van het terrein en moeten dientengevolge weer worden verwijderd. Dat moet snel gebeuren, want de bomen dreigen inmiddels wortel te schieten.

4. De gemeente heeft tegen de vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd, welk ver-

weer hierna, voor zover nodig, bij de beoordeling van het geschil, zal worden besproken.

Beoordeling van het geschil.

5. [eiser] heeft in dit geding twee vorderingen ingesteld. Eén daarvan luidt dat de

gemeente dient te worden verplicht om de tuin weer te herstellen in de staat waarin deze zich bevond vóórdat [eiser] de aanvullende 148 bomen had geplant. Deze vordering is niet toewijsbaar. Immers, zowel de voorzieningenrechter in het eerste kort geding, als het gerechtshof, als de Afdeling bestuursrechtspraak gaan er in hun respectieve uitspraken vanuit dat de last onder dwangsom, overeenkomstig de herplantplicht van 4 februari 2000, in stand is gebleven. Partijen zijn het erover eens dat aan deze herplantplicht inmiddels is voldaan, zij het dat [eiser] in oktober 2004 daarnaast nog de 85 bomen uit zijn eigen plan zoals vermeld in zijn brief van 10 maart 2003 heeft geplant. Op grond van de uitspraak van de Afdeling kan er vanuit worden gegaan dat voor de aanplant van de 148 bomen op grond van de last onder dwangsom geen vergunning op basis van artikel 11 Monumentenwet was vereist, aangezien “de gegeven last de vereiste toestemming impliceert om aan die last te voldoen”. (zie 1 t van het eerdere kort geding). Van een illegale situatie is op dit moment - behoudens mogelijk ter zake van de eerdergenoemde 85 bomen - dan ook geen sprake. Niet valt in te zien op welke andere gronden de gemeente verplicht zou zijn om de overeenkomstig de last onder dwangsom geplante bomen weer te verwijderen. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

6. Voor de gevorderde schadevergoeding geldt, zoals voor elke geldvordering, dat deze in kort geding alleen toewijsbaar is, indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen en van de eiser niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht.

7. Evenals in het eerste kort geding heeft [eiser] zich erop beroepen dat de ge-

meente de met hem gemaakte afspraken had moeten nakomen. Thans verwijst hij naar de overweging in het onder f genoemde arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] erop had mogen vertrouwen dat sprake was van een afspraak met de gemeente zoals door hem verwoord in zijn brief van 10 maart 2003 en dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door hierover de Afdeling bestuursrechtspraak onjuist te informeren. Allereerst is van belang dat deze overweging van het hof de beslissing niet draagt, nu het hof het vonnis van de voorzieningenrechter heeft bekrachtigd. Daarnaast heeft het arrest van het hof het karakter van een voorlopig oordeel en geen gezag van gewijsde. Verder heeft het hof zijn oordeel met name gebaseerd op de omstandigheid dat de gemeente niet heeft gereageerd op de brief van [eiser] van 10 maart 2003 en zich overeenkomstig het voorstel van [wethouder K.] van 12 maart 2003 akkoord heeft verklaard met het splitsen van de herplantplicht in twee fasen en deze akkoordverklaring ook naar buiten heeft gebracht. Met uitzondering van de notitie van 12 maart 2003 waren deze stukken

(de brieven van 10 en 13 maart 2003), zoals inmiddels is gebleken uit de onder 1 c onder V genoemde pleitnota, de Afdeling bestuursrechtspraak bekend. Voor zover al sprake is van een onjuist informeren van de Raad van State kan dat alleen zien op de notitie van 12 maart 2003. Deze notitie zelf is destijds niet ter kennis gebracht van [eiser]. Naar zijn zeggen heeft hij deze pas in 2004 onder ogen gekregen. Aan deze notitie kon le Coultre derhalve niet het vertrouwen ontlenen dat met zijn plan van 10 maart 2003 was ingestemd. Dat kon hooguit zo zijn op grond van de uitlatingen van de wethouder en de brief van 13 maart 2003. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter, hoewel de brief van 13 maart 2003 haar bekend was en [eiser] zich ook in die procedure op afspraken met de gemeente heeft beroepen, (anders dan het hof) geoordeeld dat van overeenstemming tussen [eiser] en het college over de aanplant van 85 bomen niet is gebleken.

8. Zoals ook in het eerdere kort geding is overwogen, weken de concrete plannen die [eiser] had om de herplantplicht in te vullen, met name ten aanzien van de soort bomen en de plek waar deze geplant zouden worden, fundamenteel af van de herplantplicht zoals vastgelegd in de last onder dwangsom van 4 februari 2000. In het plan van [eiser] zoals neergelegd in zijn brief van 10 maart 2003 was namelijk niet sprake van het terugplaatsen van het bos - wat uitdrukkelijk de strekking van de last onder dwangsom was - maar van beplanting in de geest van een tuin met een haag van taxussen (zie ook rechtsoverweging 10 van het eerste kort geding). In de notitie van [wethouder K.] van 12 maart 2003 eindigt de zin over de eerste fase van de herplantplicht met de woorden “conform onderdeel van de totale herplantplicht van 160 bomen”. Hieruit blijkt dat de gemeente, anders dan [eiser] stelt, het oorspronkelijke plan overeenkomstig de last onder dwangsom niet had losgelaten. In deze notitie, die, zoals eerder overwogen, destijds niet aan [eiser] is toegezonden, is niets bevestigd over de soort en de plaats van de in fase 1 te planten bomen, maar wordt integendeel vastgehouden aan de herplantplicht. Ook de brief van 13 maart 2003 aan de omwonenden gaat alleen over aantallen bomen, maar vermeldt niets over plaats en soort daarvan. Daarnaast heeft de gemeente aangevoerd dat de gesprekken met [eiser] met name gericht waren op het zoeken naar een oplossing waarmee alle partijen konden instemmen en dat daarbij uitdrukkelijk ook is gesproken over de belangen van de omwonenden. Dat is ook aannemelijk, gelet op de inhoud van de onder 1 c I genoemde brief, waarmee de besprekingen met [eiser] zijn ingeleid, en ook gezien het feit dat de omwonenden in de diverse bestuursrechtelijke procedures zelfstandig partij zijn geweest. Dit betekent dat, zoals de gemeente terecht heeft aangevoerd en anders dan het hof heeft overwogen, op basis van de thans bekende informatie, vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de gemeente ten aanzien van de soorten bomen en de precieze locatie waarop deze moesten worden neergezet heeft ingestemd met het plan van [eiser], zoals vastgelegd in zijn brief van 10 maart 2003, maar slechts met de fasering van de herplantplicht. [eiser] had bovendien moeten begrijpen dat dergelijke afspraken - die in feite neer zouden komen op een wijziging van de last onder dwangsom - niet konden worden gemaakt zonder dat de omwonenden daarover zouden zijn geraadpleegd. In haar notitie van 12 maart 2003 heeft [wethouder K.] ook uitdrukkelijk vermeld dat het college, zoals was afgestemd met de raad, in gesprek zou gaan “met [eiser] en met de bewoners van de Co Bremanlaan”. Dat het artikel in de Gooi- en Eemlander (zie hiervoor onder c III) van 13 maart 2003 melding maakt van “overeenstemming tussen gemeente, notaris en monumentenzorg over plaats en soort” doet aan het voorgaande niet af, aangezien niet duidelijk is op welke bronnen dit artikel is gebaseerd en het onverlet laat dat naast [eiser] ook andere omwonenden belanghebbenden zijn in deze zaak. Dat is ook vermeld in de daarop volgende publicatie in diezelfde krant van 13 mei 2003, waarin staat dat “was afgesproken dat alle partijen het er mee eens moesten zijn.”

9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat op dit moment onvoldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de vordering van [eiser], gebaseerd op de stelling dat de gemeente alle schade dient te vergoeden die voortvloeit uit het niet handelen overeenkomstig de plannen van [eiser] zoals vastgelegd in zijn brief van 10 maart 2003, zal toewijzen. Dit betekent dat ook deze vordering in kort geding niet toewijsbaar is.

10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten

van deze procedure.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de gemeente begroot op:

- € 241,= aan vastrecht en

- € 816,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. R. Orobio de Castro, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 10 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: