Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS4607

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
13/067212-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als initiator ervoor gezorgd dat zijn zoon op 3 april 2004 te Muiderberg als schutter kon optreden. Hij heeft zijn zoon voorzien van een pistool en hem schietles gegeven. Zijn zoon heeft op de avond van diezelfde dag in Muiderberg het vuur geopend op een groep jongens. Drie van deze jongens zijn ook daadwerkelijk geraakt, en hebben lichamelijk letsel ondervonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/123091-04

Datum uitspraak: 2 februari 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, zevende meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2005.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

Geen voorbedachten rade

Buiten kijf staat dat sprake is van een voorgeschiedenis tussen een groep jongens uit Muiderberg waarvan de zoon van verdachte deel uitmaakte en een groep jongeren van Marokkaanse afkomst uit Naarden-Bussum, waartussen wrijvingen bestonden.

Evenzeer staat vast dat zich in de twee dagen voorafgaande aan het (onder 1) ten laste gelegde voorval, een proces heeft voorgedaan bij en tussen vader (verdachte) en zoon (medeverdachte), dat stap voor stap heeft geleid tot hetgeen onder 1 is ten laste gelegd.

Daarmee kan echter nog niet worden gezegd dat sprake is (geweest) van voorbedachten rade. Daaraan staat in de weg dat niet is gebleken van een vooropgezet en uitgedacht plan om het tot een schieten te laten komen op de 3e april 2004.

Evenmin is gebleken van een voornemen of opzet vooraf op het doden van anderen, welk voornemen vervolgens slechts door een van buiten komende omstandigheid onafhankelijk van de wil van de dader niet (geheel) ten uitvoering is gekomen.

Dat verdachte zijn zoon een spoedcursus schieten heeft gegeven met de instructie “trekken is schieten”, is onvoldoende om te kunnen spreken van een vooropgezet en uitgedacht plan om te (laten) doden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat verdachte één en andermaal heeft benadrukt dat hij met die instructie juist bedoelde te lichtvaardig wapengebruik door zijn zoon te voorkomen. Dat de bedoeling van verdachte een andere was, is niet bewezen.

De ten laste gelegde poging tot moord acht de rechtbank dan ook niet bewezen, en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Medeplegen

Verdachte heeft een sturende en organiserende rol gespeeld bij de telastegelegde feiten. Het verweer van de verdediging dat het wilsbesluit van de schutter niet aan verdachte kan worden gekoppeld, wordt door de rechtbank verworpen. Verdachte heeft in casu veel meer gedaan dan alleen het wapen afgeven aan zijn zoon. Verdachte heeft niet alleen op eigen initiatief het wapen geregeld, maar hij heeft zijn zoon ook instructies gegeven hoe hij met het wapen om zou moeten gaan. Bovendien heeft verdachte zijn zoon met het wapen op pad laten gaan. Daarnaast is verdachte zelf naar de plek gegaan waar zijn zoon was en waar mogelijkerwijs de slachtoffers ook zouden komen. Op het plein heeft verdachte nogmaals met zijn zoon over (het gebruik van) het wapen gesproken. Verdachte heeft voorts op het gemoed van zijn zoon gewerkt door telkens te zeggen “trekken is schieten”.

Het optreden van verdachte dient dan ook als onlosmakelijk verbonden met dat van zijn zoon te worden gezien. De rapportages van het PBC bieden ook grond voor het oordeel dat niet alleen sprake was van een verbondenheid in feitelijk optreden, maar ook van een in overwegende mate door verdachte aangestuurde wilsverbondenheid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde

op 3 april 2004 te Muiderberg, gemeente Muiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer1] en [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met dat opzet met zijn mededader met een pistool kogels op de lichamen van die [slachtoffer1] en [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer1] wonden in de buik en voet heeft bekomen en ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer2] wonden in zijn been en linkerzij heeft bekomen en ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer3] een wond in zijn arm heeft bekomen;

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde

op 3 april 2004 te Muiderberg, gemeente Muiden, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Browning, type FN High Power, kaliber 9 mm.), en munitie van categorie III, te weten patronen, heeft overgedragen aan [zoon].

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten 1 en 2 (onder meer) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft als initiator ervoor gezorgd dat zijn zoon op 3 april 2004 te Muiderberg als schutter kon optreden. Hij heeft zijn zoon voorzien van een pistool en hem schietles gegeven. Zijn zoon heeft op de avond van diezelfde dag in Muiderberg het vuur geopend op een groep jongens. Drie van deze jongens zijn ook daadwerkelijk geraakt, en hebben lichamelijk letsel ondervonden. Naar de ervaring leert, zullen deze jongens, maar ook de jongens die niet zijn geraakt, nog lang nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van deze handelwijze van verdachte.

De schietpartij heeft plaatsgevonden in de publieke ruimte, in het centrum van Muiderberg. Daardoor heeft verdachte ook gevoelens van onveiligheid in de gehele Nederlandse samenleving aangewakkerd.

Dat verdachte meende met zijn handelen te blijven binnen de grenzen van een redelijke zelfverdediging, vormt geen enkel excuus. De aanschaf van een gebruiksklaar vuurwapen heeft juist geleid tot een enorme escalatie met diverse slachtoffers. Verdachtes handelen staat ook in geen enkele redelijke verhouding tot de voorgeschiedenis, zelfs indien zou worden aangenomen dat verdachte uitging van een bedreiging van zijn zoon met een vuurwapen. Het zelf (en gewapend) (doen) opzoeken van mogelijke verdachten van een dergelijke bedreiging heeft niets van doen met redelijke zelfverdediging, maar veeleer met het creëren van zo gunstig mogelijke voorwaarden voor het doen van een eventueel gewelddadige tegenaanval.

Op grond van deze overwegingen is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur zonder meer aangewezen te achten.

Met de persoonlijke omstandigheden, zoals deze mede tot uitdrukking komen in het psychiatrisch rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 11 januari 2005, waaruit onder meer blijkt dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is, en het gegeven dat verdachte alleen lang geleden in aanraking is geweest met politie en justitie, heeft de rechtbank rekening gehouden.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

[slachtoffer1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 464,96 (vierhonderd vierenzestig euro en zesennegentig eurocent) aan materiële schade, te weten reiskosten, kleding en medicijnen en € 15.000,-- (vijftienduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[slachtoffer2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 768,94 (zevenhonderd achtenzestig euro en vierennegentig eurocent) aan materiële schade, te weten een op een bedrag van € 500 gestelde vergoeding voor kleding en de gevorderde reinigingskosten auto en € 10.000,-- (tienduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[slachtoffer3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 420,-- (vierhonderd twintig euro) aan materiële schade, te weten een leren jas en een vestje en € 9.000,-- (negenduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[slachtoffer5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 7.000 (zevenduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[slachtoffer4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 7.000 (zevenduizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 31 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 15.464,96 (vijftienduizend vierhonderd vierenzestig euro en zesennegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], te betalen de som van € 15.464,96 (vijftienduizend vierhonderd vierenzestig euro en zesennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 212 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 10.768,94 (tienduizend zevenhonderd achtenzestig euro en vierennegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer2], te betalen de som van € 10.768,94 (tienduizend zevenhonderd achtenzestig euro en vierennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 188 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 9.420,-- (negenduizend vierhonderd twintig euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer3], te betalen de som van € 9.420,-- (negenduizend vierhonderd twintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 182 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 7.000,-- (zevenduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer5], te betalen de som van € 7.000 (zevenduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 140 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 7.000 (zevenduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer4] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4], te betalen de som van € 7.000 (zevenduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 140 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J.L.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. H.J. Tijselink en R.M. Troost, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.K. Bos, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2005.