Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS3078

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2005
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
04.0541 H
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Amsterdam heeft het verzet tegen de juridische fusie van Joodse stichtingen en verenigingen ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 316
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/113

Uitspraak

293959 / 04.0541 H

293960 / 04.0542 H

293964 / 04.0543 H

294237 / 04.0547 H

294433 / 04.0552 H

17 januari 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

TWEEDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak onder rekestnummer 04.0541 H van:

de stichting

STICHTING JOODSE SCHOLENGEMEENSCHAP J.B.O.,

gevestigd te Amsterdam,

v e r z o e k s t e r,

procureur mr. M. Ellens,

tegen:

1. de stichting

STICHTING SAMENWERKINGSVERBAND JOODS MAATSCHAPPELIJK WERK,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING “LE-EZRATH HA-JELED”,

gevestigd te Amsterdam,

3. de stichting

BERG-STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

4. de vereniging

HET NEDERLANDSCH-ISRAELIETISCH JONGENS-WEESHUIS “MEGADLE JETHOMIM” in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

5. de vereniging

HET NEDERLANDSCH-ISRAELIETISCH MEISJES-WEESHUIS in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

6. de vereniging

JOODSE ZEE- EN BOSKOLONIES “WIJK AAN ZEE” in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

7. de vereniging

MEGADLE JETHOMIM (OPVOEDING VAN WEZEN) in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

8. de vereniging

S.A. RUDELSHEIM-STICHTING in liquidatie,

gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r s t e r s,

procureur mr. P.N. Ploeger,

en in de zaak onder rekestnummer 04.0542 H van:

het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

NEDERLANDS-ISRAELITISCHE HOOFDSYNAGOGE TE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

v e r z o e k s t e r,

procureur mr. M. Ellens,

tegen:

verweersters voornoemd,

en in de zaak onder rekestnummer 04.0543 H van:

de rechtspersoon

NEDERLANDS ISRAELITISCH KERKGENOOTSCHAP,

gevestigd te Amsterdam,

v e r z o e k s t e r,

procureur mr. H. Loonstein,

tegen:

verweersters voornoemd,

en in de zaak onder rekestnummer 04.0547 H van:

1. de vereniging

BNE AKIWA, NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING JESJIWAS HAMASMIDIEM,

gevestigd te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

TIKVATENOE V.Z.W.,

gevestigd te Antwerpen, België,

4. de stichting

ROSALIE GOMPERTS-SPRINGER STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

5. de vereniging

JOODSE JEUGDVERENIGING HASJALSJELET,

gevestigd te Amsterdam,

6. de stichting

STICHTING JOODSE KINDERGEMEENSCHAP CHEIDER,

gevestigd te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

JESODE HATORAH BETH JACOB V.Z.W.,

gevestigd te Antwerpen, België,

8. de stichting

STICHTING LE EZRATH CHINUCH CHABAD,

gevestigd te Diemen,

9. INTERPROVINCIAAL OPPERRABBINAAT,

gevestigd te Hilversum,

10. de stichting

ANDRIES-VAN DAM STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

v e r z o e k s t e r s,

procureur mr. H. Loonstein,

tegen:

verweersters voornoemd,

en in de zaak onder rekestnummer 04.0552 H van:

de stichting

STICHTING LESAMMEIAG HAJELED,

gevestigd te Amersfoort,

v e r z o e k s t e r,

procureur mr. H. Loonstein,

tegen:

verweersters voornoemd.

De verzoekschriften strekken ertoe op grond van artikel 2:316 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verzet te komen tegen het voorstel van 4 juni 2004 tot juridische fusie van verweersters.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURES

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en proceshandelingen:

- tussenbeschikking van 8 november 2004 en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn door de griffier op de hoogte gesteld van de uitspraakdatum.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Gezamenlijke behandeling

De zaken lenen zich wegens hun samenhang voor gezamenlijke behandeling, behoudens voorzover hierna anders is vermeld.

2. Vaststaande feiten in alle zaken

In deze procedures wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Op 4 juni 2004 is ten kantore van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam een voorstel tot fusie van verweersters gedeponeerd. Op 10 juni 2004 is de in artikel 2:314 lid 3 BW bedoelde aankondiging gedaan in het dagblad Trouw.

b. De voorgenomen fusie strekt ertoe dat Stichting Samenwerkingsverband Joods Maatschappelijk Werk (hierna ook te noemen: Stichting Samenwerkingsverband JMW) als de verkrijgende rechtspersoon, het gehele vermogen van verweersters sub 2 tot en met 8 als de verdwijnende rechtspersonen, onder algemene titel zal verkrijgen en dat de verdwijnende rechtspersonen zullen ophouden te bestaan.

c. De statuten van verweerster sub 5 luiden – voorzover hier van belang – als volgt:

[...]

“Artikel 2

De vereniging heeft ten doel:

Zich te belasten met het uitoefenen van voogdij, de duurzame verzorging en de behartiging van de belangen van Joodse minderjarigen in de ruimste zin van het woord.

[...]

Artikel 10

[...]

2. Bij ontbinding op grond van een daartoe door de algemene vergadering genomen besluit is het bestuur met de vereffening belast.

3. Het bestuur geeft een bestemming aan een eventueel batig saldo der vereniging, zoveel mogelijk in de geest van het doel der vereniging.”

[...]

d. Stichting Joods Maatschappelijk Werk (hierna ook te noemen: JMW) is sinds 4 november 1981 bestuurder van verweersters sub 2 tot en met 7, en sinds 8 februari 1982 van verweerster sub 8. Verweersters sub 4 tot en met 8, alle verenigingen, hebben geen leden en zijn derhalve ontbonden, doch bestaan thans voort voorzover dit tot de vereffening van hun vermogens nodig is.

e. De notulen van de vergadering van het Algemeen Bestuur van JMW van 24 maart 2002 vermelden – voorzover hier van belang – het volgende:

[…]

“De vergadering wordt even geschorst om te overleggen over een tekst waar iedereen achter staat. Deze luidt als volgt: “Het vermogen van de fondsen die deel uitmaken van het Samenwerkingsverband blijft intact en eigendom van de fondsen, behoudens incidentele situaties waarvoor een zwaardere toestemmingsprocedure zal gelden. Het bestuur van het samenwerkingsverband houdt bij haar beslissingen tot besteding van de opbrengsten uit de onderliggende fondsen van het Samenwerkingsverband nadrukkelijk in ogenschouw de doelstellingen en de geest van de onderliggende fondsen, voor zover van toepassing. Zij doet dat mede uit achting voor de doelstellingen van de oprichters van deze fondsen. In een situatie waarin Joods Maatschappelijk Werk geen joodse doelen in algemene zin meer dient, gaat het beheer van de desbetreffende fondsen terug naar deze fondsen en voorziet het bestuur van het Samenwerkingsverband in het bepalen van de bestuurders van deze fondsen, dit alles in de geest van de oprichters van deze fondsen.”

[…]

f. Op 8 juli 2004 is ter griffie van de rechtbank onder rekestnummer 04.0546 H een verzoekschrift ingekomen van [verzoekers], eveneens houdende verzet tegen het voorstel tot fusie van verweersters. In verband met het bepaalde in artikel 997 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal op dat verzoekschrift heden bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

3. Het verzoek van Stichting Joodse Scholengemeenschap J.B.O.

(rekestnummer 04.0541 H)

3.1 Stichting Joodse Scholengemeenschap J.B.O. (hierna ook te noemen: JBO) verzoekt de rechtbank het verzet tegen het op 4 juni 2004 gedeponeerde voorstel tot fusie gegrond te verklaren, alsmede te bepalen dat verweersters waarborg stellen jegens JBO op basis van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, kosten rechtens.

3.2 JBO legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij tot doel heeft het in stand houden van dagscholen voor kleuteronderwijs, voortgezet onderwijs en peuterverblijven voor halachisch-joodse kinderen en dat zij, gezien deze doelstelling, bij een verdeling van de vermogens van de verdwijnende rechtspersonen zoals vastgelegd in de afspraken van 24 maart 2002, geldt als een schuldeiser van de verdwijnende rechtspersonen. Door de fusie zullen de vermogens van verweersters worden samengevoegd, waardoor JBO haar positie als schuldeiser van de verdwijnende rechtspersonen zal verliezen.

3.3 JBO verlangt van verweersters de volgende waarborgen:

(1) de positie van de vereffenaar van de verdwijnende verenigingen in liquidatie – dat wil zeggen: JMW in de persoon van de heer [V.] - dient te worden bekeken en eventueel dient deze vereffenaar te worden ontslagen en dient een nieuwe, onafhankelijke vereffenaar te worden benoemd;

(2) er mogen geen onttrekkingen aan het vermogen van de verdwijnende rechtspersonen plaatsvinden, anders dan in lijn met de afspraken die zijn gemaakt tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur van JMW van 24 maart 2002;

(3) partijen die opkomen als schuldeisers van de verdwijnende rechtspersonen dienen zich te kunnen verhalen op het volledige vermogen van Stichting Samenwerkingsverband JMW na de fusie.

3.4 De door verweersters te geven waarborgen dienen volgens JBO gelijk te zijn aan het gehele vermogen van de verdwijnende rechtspersonen, althans aan het vermogen van de verdwijnende verenigingen in liquidatie. JBO verlangt deze waarborgen van verweersters omdat het vermogen van de verdwijnende rechtspersonen door de fusie zal worden aangetast, nu het door de fusie een ruimere bestemming krijgt en het, anders dan voorheen, in zijn geheel ter dekking van de exploitatietekorten van JMW zal worden aangewend. Voorts zullen [verzoekers] hun vordering van

€ 1.500.000,-- op S.A. Rudelsheim-Stichting, verweerster sub 8, na de fusie kunnen verhalen op het gehele vermogen van de verdwijnende rechtspersonen in plaats van alleen op het vermogen van S.A. Rudelsheim-Stichting, hetgeen ten nadele strekt van de overige schuldeisers van de verdwijnende rechtspersonen.

4. Het verzoek van Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam

(rekestnummer 04.0542 H)

4.1 Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam (hierna ook te noemen: NIHS) verzoekt de rechtbank eveneens het verzet tegen het op 4 juni 2004 gedeponeerde voorstel tot fusie gegrond te verklaren, alsmede te bepalen dat verweersters waarborgen stellen jegens NIHS op basis van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, kosten rechtens.

4.2 NIHS legt allereerst aan haar verzoek ten grondslag dat verweersters niet met elkaar kunnen of mogen fuseren, zodat het besluit tot fusie op de voet van de artikelen 2:14 BW en 2:323 BW nietig is of vernietigbaar is. Verweersters sub 4 tot en met 8 zijn verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die - vanwege het ontbreken van leden - van rechtswege zijn ontbonden. Verenigingen zonder leden kunnen niet fuseren met een stichting. De statutenwijzigingen van 12 februari 2004 waarbij aan de vereffenaar van de verdwijnende verenigingen alsnog de bevoegdheid is toegekend om na hun ontbinding leden toe te laten is in strijd met de statuten en de wet totstandgekomen, nu de daarvoor vereiste besluiten van de ledenvergadering ontbreken. Verder geldt dat ontbonden rechtspersonen ingevolge artikel 2:310 lid 5 BW niet mogen fuseren, indien reeds uit hoofde van de vereffening uitkeringen zijn gedaan, al dan niet in de vorm van verrekening of kwijtschelding van te vorderen bedragen. Dergelijke uitkeringen zijn door de verdwijnende verenigingen gedaan, ondermeer aan JBO. Deze voorvragen – te weten: of verweersters wel met elkaar kunnen of mogen fuseren en daarmee de vraag of het besluit tot fusie nietig of vernietigbaar is - dienen bij de beoordeling van het verzet tegen de fusie te worden beantwoord.

4.3 NIHS legt verder aan haar verzoek ten grondslag dat zij schuldeiser is van de verdwijnende rechtspersonen, nu deze rechtens danwel feitelijk in staat van vereffening verkeren, en zij, gelet op haar feitelijke en reglementaire doelstelling, (mede)gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke liquidatievermogen van de verdwijnende rechtspersonen. De statuten van verweersters sub 2 tot en met 8 bepalen dat in geval van ontbinding het eventueel batig saldo een bestemming krijgt zoveel mogelijk in de geest van het doel van de deze rechtspersonen, zijnde het uitoefenen van de voogdij, de duurzame verzorging, opvoeding en behartiging van belangen van Joodse minderjarigen in de ruimste zin des woords. NIHS houdt zich, anders dan verweerster sub 1, sinds jaar en dag bezig met de verzorging, opvoeding en/of behartiging van de belangen van Joodse minderjarigen; ingevolge haar reglement behoort de zorg voor het jeugdwerk tot haar taken binnen de gemeente Amsterdam. De voorgenomen fusie is dan ook in strijd met de statutaire bepalingen van de verdwijnende rechtspersonen aangaande vereffening.

4.4 De voorgenomen fusie is bovendien in strijd met de afspraken die zijn gemaakt tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur van JMW van 24 maart 2002 over het vermogen van (ondermeer) verweersters sub 2 tot en met 8. Verweersters sub 1 en JMW handelen, gelet op die afspraak, ook in strijd met artikel 2:8 BW. JMW handelt tevens in strijd met artikel 2:312 lid 3 BW, nu zij zich als vereffenaar van de verdwijnende verenigingen gedraagt, terwijl zij dat niet is. Tenslotte had NIHS bij de totstandkoming van het voorstel tot fusie moeten worden betrokken, nu verweersters sub 4 en 5 zelfstandige onderdelen zijn van NIHS in de zin van artikel 2:2 BW.

4.5 NIHS verlangt van verweersters een waarborg gelijk aan het te liquideren vermogen van de verdwijnende rechtspersonen, hetgeen - volgens NIHS - neerkomt op een bedrag van tenminste € 10.000.000,--, nu het totale vermogen van verweerster sub 1 niet voldoende waarborg biedt, verweerster sub 1 – evenals JMW – geen eigen zelfstandig vermogen heeft en thans nog niet duidelijk is welke bedragen NIHS van verweersters te vorderen heeft. Daarnaast wenst NIHS dezelfde waarborgen als JBO.

5. Het verzoek van Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap

(rekestnummer 04.0543 H)

5.1 Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (hierna ook te noemen: NIK) verzoekt de rechtbank het verzet tegen het op 4 juni 2004 gedeponeerde voorstel tot fusie gegrond te verklaren en/of het bedrag der te stellen waarborg te bepalen en/of te verstaan dat het fusievoorstel/de voorgenomen fusie niet aan de wet(telijke vereisten) voldoet, althans rechtens onmogelijk is, kosten rechtens. Tevens verzoekt NIK de rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid om op grond van artikel 2:23 lid 5 BW de vereffenaar van de verdwijnende verenigingen te ontslaan.

5.2 NIK legt aan haar verzoeken, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat zij onvoorwaardelijk schuldeiser is van verweersters sub 2 tot en met 8, althans in ieder geval van verweersters sub 4 tot en met 8. De statuten van verweersters sub 2 tot en met 8 bepalen dat in geval van ontbinding het eventueel batig saldo een bestemming krijgt zoveel mogelijk in de geest van het doel van de betreffende rechtspersoon. Verweersters sub 4 tot en met 8 verkeren in liquidatie zodat het batig saldo van deze verenigingen in liquidatie bestemd moet worden voor Joodse minderjarigen. NIK houdt zich, anders dan verweerster sub 1, sinds jaar en dag bezig met de verzorging, opvoeding en/of behartiging van de belangen van Joodse minderjarigen. JMW houdt zich daarentegen niet of nauwelijks nog bezig met Joodse minderjarigen. De vordering van NIK omvat niet alleen haar aanspraak op de liquidatiesaldi van de verdwijnende verenigingen, maar ook een vordering tot vereffening volgens de wet, een vordering tot het doen opstellen van rekening en verantwoording, alsmede een vordering tot het opstellen van een plan van verdeling.

5.3 Door de fusie pogen verweersters volgens NIK de werking van de statutaire bepalingen van de verdwijnende rechtspersonen ondermeer aangaande vereffening te omzeilen en/of gemaakte afspraken en gedane toezeggingen te frustreren. Er wordt verder gehandeld in strijd met de wet, statuten en/of de redelijkheid en billijkheid die verweersters in acht moeten nemen. Verweersters trachten daarenboven op onregelmatige wijze het doel van fusie te bereiken door in strijd met de statuten en de wet notariële aktes tot statutenwijziging te laten verlijden, terwijl enig besluit van een ledenvergadering, hoewel vereist, daartoe ontbreekt. De voorgestelde fusie is verder in strijd met hetgeen op 24 maart 2002 is afgesproken over de vermogens van ondermeer verweersters sub 2 tot en met 8. Verweerster sub 1 en JMW handelen, gelet op die afspraak, in strijd met artikel 2:8 BW. JMW gedraagt zich bovendien als vereffenaar van de bedoelde verenigingen in liquidatie, terwijl zij dat niet is, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2:312 BW. De verdwijnende rechtspersonen en de verkrijgende rechtspersoon hebben niet alle dezelfde rechtsvorm, zodat ook om die reden de voorgenomen fusie niet mogelijk is. Een redelijke wetsuitleg van artikel 2:316 BW houdt in dat ook naar voorvragen dient te worden gekeken, in het bijzonder naar de vraag of sprake is van een voorstel tot fusie dat niet voor vernietiging in aanmerking komt.

5.4 Voor het geval NIK niet als onvoorwaardelijk schuldeiser kan worden aangemerkt, moet zij in ieder geval als voorwaardelijk schuldeiser worden beschouwd. Ook een voorwaardelijk schuldeiser kan zich tegen een fusie verzetten. Tevens moet NIK worden aangemerkt als houder van bijzondere rechten jegens de verdwijnende verenigingen vóór ontbinding, nu zij recht heeft op een eventueel overschot na vereffening. Deze bijzondere rechten zijn volgens NIK door de ontbinding van de betrokken verenigingen omgezet in een vordering tot schadeloosstelling.

5.5 De voorgenomen fusie is volgens NIK nadelig voor de schuldeisers van verweersters sub 2 tot en met 8, aangezien de vermogens van de fuserende rechtspersonen na de fusie vatbaar zullen zijn voor vorderingen van natuurlijke personen, die vóór de fusie geen vorderingen op deze rechtspersonen hadden. NIK verlangt de volgende waarborgen van verweersters:

(1) zekerheid tot een bedrag van 32,2% van fl 30.000.000,-- in de vorm van hypotheekrechten op de onroerende zaken van de verdwijnende rechtspersonen,

(2) de statuten van Stichting Samenwerkingsverband JMW dienen vóór de fusie te worden gewijzigd in dier voege dat het vermogen van de verdwijnende rechtspersonen na de fusie wordt aangewend overeenkomstig hun doelstelling voor de fusie,

(3) gedurende de fusie zullen géén onttrekkingen aan het vermogen van de verdwijnende rechtspersonen worden gedaan, en

(4) er dient een nieuwe vereffenaar van de verdwijnende rechtspersonen te worden benoemd, met name dr. [D. D.].

6. Het verzoek van BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat en Andries-Van Dam Stichting

(rekestnummer 04.0547 H)

BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat en Andries-Van Dam Stichting verzoeken de rechtbank, evenals NIK, het verzet tegen het op 4 juni 2004 gedeponeerde voorstel tot fusie gegrond te verklaren en/of het bedrag der te stellen waarborg te bepalen en/of te verstaan dat het fusievoorstel/de voorgenomen fusie niet aan de wet(telijke vereisten) voldoet, althans rechtens onmogelijk is, kosten rechtens. Tevens verzoeken zij de rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 2:23 lid 5 BW om de vereffenaar van de verdwijnende verenigingen te ontslaan. Verzoeksters leggen aan hun verzoeken dezelfde stellingen ten grondslag als NIK.

7. Het verzoek van Stichting Lesammeiag Hajeled

(rekestnummer 04.0552 H)

Stichting Lesammeiag Hajeled verzoekt de rechtbank, evenals NIK, het verzet tegen het op 4 juni 2004 gedeponeerde voorstel tot fusie gegrond te verklaren en/of het bedrag der te stellen waarborg te bepalen en/of te verstaan dat het fusievoorstel/de voorgenomen fusie niet aan de wet(telijke vereisten) voldoet, althans rechtens onmogelijk is, kosten rechtens. Tevens verzoekt zij de rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 2:23 lid 5 BW om de vereffenaar van de verdwijnende verenigingen te ontslaan. Stichting Lesammeiag Hajeled legt aan haar verzoek dezelfde stellingen ten grondslag als NIK.

8. Het verweer in alle zaken

Verweersters hebben zich gemotiveerd tegen de verzoeken verweerd. Op hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd zal hierna, voorzover van belang voor de beoordeling, worden ingegaan.

9. De beoordeling in alle zaken

9.1 Verzoeksters zijn tijdig in verzet gekomen tegen het voorstel tot fusie.

9.2 Verzoeksters vrezen dat het gevolg van de voorgenomen fusie zal zijn dat de activa van de fuserende rechtspersonen niet zullen worden aangewend overeenkomstig hun doelstellingen, zijnde doelstellingen die verzoeksters zelf ook nastreven. Verzoeksters hebben erop aangedrongen dat de rechtbank haar oordeel uitspreekt over een aantal door verzoeksters aan de orde gestelde bezwaren tegen de wijze van vereffening van de vermogens van de fuserende rechtspersonen, de besluitvorming die aan de voorgenomen fusie ten grondslag ligt en de fusie zelf. Verzoeksters duiden deze bezwaren als voorvragen die, voorafgaand aan de beoordeling van de door hen verzochte waarborgen, volgens hen in ieder geval dienen te worden beantwoord.

9.3 Alvorens evenwel in deze procedure aan die bezwaren toe te kunnen komen, en ongeacht of die bezwaren wel grond kunnen geven voor een verzet als het onderhavige tegen een voorstel tot fusie, dient eerst te worden vastgesteld of verzoeksters als schuldeisers zijn aan te merken. Alleen schuldeisers van de fuserende rechtspersonen, zoals bedoeld in artikel 2:316 BW, zijn gerechtigd om tegen een voorstel tot fusie in verzet te komen. Verweersters hebben aangevoerd dat geen van verzoeksters in die zin schuldeiser van hen is. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

9.4 Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat zij als schuldeisers aanspraak kunnen maken op de activa van verweersters sub 2 tot en met 8, omdat het statutaire doel van elk van deze verweersters is zich te belasten met het uitoefenen van de voogdij en de duurzame verzorging en de behartiging van de belangen van Joodse minderjarigen in de ruimste zin des woords, terwijl de statuten van elk van deze verweersters bepalen dat, in geval van ontbinding, een eventueel liquidatiesaldo een bestemming krijgt zoveel mogelijk in de geest van dat doel. Verzoeksters stellen dat ook zij alle statutair als doel hebben het behartigen van de belangen van Joodse minderjarigen, dan wel dat zij alle als belangrijkste taak hebben of althans ten minste zich toeleggen op de opvoeding en de verzorging van en/of het onderwijs aan Joodse minderjarigen. Aldus liggen volgens verzoeksters hun doelstellingen en hun activiteiten geheel in het verlengde van de statutair bepaalde bestemmingen van de te vereffenen activa van verweersters sub 2 tot en met 8. Daarnaast stellen verzoeksters schuldeisers van verweersters te zijn op grond van de tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur van JMW van 24 maart 2002 gemaakte afspraken.

9.5 Voor de beoordeling van het eerste hiervoor onder 9.4 genoemde standpunt terzake van de statutaire doelstelling is van belang dat de fuserende stichtingen onbetwist hebben gesteld dat zij niet in ontbinding verkeren. Verzoeksters hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat zij dan ook geen schuldeisers van de fuserende stichtingen zijn. Hiervan gaat de rechtbank uit. Beoordeeld dient derhalve te worden of verzoeksters als schuldeisers kunnen worden aangemerkt van de fuserende verenigingen, verweersters sub 4 tot met 8. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

9.6 Onbetwist is gesteld en vaststaat daarom dat de statuten van alle fuserende verenigingen een gelijke bepaling kennen omtrent de bestemming van een eventueel liquidatiesaldo als de overgelegde statuten van verweerster sub 5. Laatstgenoemde statuten wijzen géén van verzoeksters aan als begunstigde van het liquidatiesaldo. Daaruit volgt dat géén van de statuten van de fuserende verenigingen enige van verzoeksters aanwijzen als begunstigde van een liquidatiesaldo. Deze statuten kennen verzoeksters ook overigens geen rechten toe. Het enkele feit dat het doel en de activiteiten van verzoeksters, indien juist, overeenstemmen met de bestemming die volgens verzoeksters aan de liquidatiesaldi van de verdwijnende verenigingen zou moeten worden gegeven, geeft verzoeksters nog geen aanspraak op de liquidatiesaldi en maakt hen niet tot schuldeisers van de fuserende verenigingen. Ook het door verzoeksters gemaakte verwijt aan verweersters dat zij niet met verzoeksters over de bestemming van de liquidatiesaldi hebben willen overleggen en deze beogen aan te wenden voor andere doeleinden dan de behartiging van de belangen van Joodse minderjarigen overeenkomstig het doel van de fuserende verenigingen, geeft verzoeksters, ook als dit verwijt terecht is, geen aanspraak op de liquidatiesaldi. Dit betekent dat verzoeksters niet worden gevolgd in hun standpunt dat zij in verband met de statutaire doelstelling ontvankelijk zijn in het verzoek.

9.7 Wat betreft het tweede hiervoor onder 9.4 genoemde standpunt terzake van gestelde afspraken is van belang dat uit de in het geding gebrachte notulen van de op 24 maart 2002 gehouden vergadering niet blijkt van enige afspraak die verzoeksters aanspraak geeft op de vermogens van de fuserende rechtspersonen. In deze notulen valt alleen te lezen dat het vermogen van de betrokken fondsen intact blijft en eigendom blijft van die fondsen, alsmede dat bij besteding van de opbrengsten uit die fondsen de doelstellingen en de geest van die fondsen nadrukkelijk in ogenschouw zullen worden genomen. Daaruit volgt niet, althans niet zonder toelichting die ontbreekt, enige aanspraak van verzoeksters op die fondsen. Verzoeksters hebben evenmin gesteld dat meer of andere afspraken omtrent de besteding van de vermogens van die fondsen zouden zijn gemaakt dan zoals vermeld in die notulen. Ook in dit verband kunnen verzoeksters derhalve niet als schuldeisers van verweersters worden aangemerkt.

9.8 Anders dan NIK, BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat, Andries-Van Dam Stichting en Stichting Lesammeiag Hajeled stellen, kunnen zij niet worden aangemerkt als houdsters van een zodanige voorwaardelijke vordering, dat zij uit dien hoofde als schuldeisers in de zin van artikel 2:316 BW kunnen worden aangemerkt. Deze verzoeksters hebben in dit verband aangevoerd dat zij jegens alle rechtspersonen in liquidatie een vordering hebben tot of uit vereffening, althans – zo begrijpt de rechtbank de betrokken stellingen – een voorwaardelijke vordering tot of uit vereffening. Deze verzoeksters hebben evenwel niet toegelicht waarin de voorwaardelijke verbintenissen van de rechtspersonen in liquidatie, die deze verzoeksters in verband met de liquidatie voorwaardelijke aanspraken op uitkeringen zouden geven, zouden zijn gelegen en dit is zonder toelichting niet in te zien. Verzoeksters zijn niet als begunstigden aangewezen, ook niet voorwaardelijk, noch is anderszins gebleken van enige voorwaardelijke gehoudenheid van de rechtspersonen in liquidatie om aan verzoeksters uitkeringen te doen.

9.9 Verzoeksters zijn evenmin aan te merken als houdsters van bijzondere rechten in de zin van artikel 2:320 BW, die, volgens verzoeksters, in het onderhavige geval promoveren tot schuldeisers bij vereffening van de vermogens van de betrokken rechtspersonen. Verzoeksters zijn immers niet als begunstigden aangewezen, noch is gebleken dat aan hen anderszins bijzondere rechten zijn toegekend.

9.10 Nu verzoeksters geen aanspraak hebben op enig deel van de liquidatiesaldi, zijn zij ook niet gerechtigd om de vereffening daarvan, rekening en verantwoording of een plan van verdeling te vorderen, zodat zij ook niet uit dien hoofde als schuldeisers in de zin van artikel 2:316 BW kunnen worden aangemerkt.

9.11 NIK, BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat, Andries-Van Dam Stichting en Stichting Lesammeiag Hajeled hebben ter zitting ook verzocht dat de rechtbank de vereffenaar van verweersters sub 4 tot en met 8 wegens gewichtige redenen ontslaat. Voorzover dit als een zelfstandig verzoek moet worden beschouwd, zijn deze verzoeksters niet ontvankelijk daarin, nu een dergelijk verzoek tot ontslag alleen door een medevereffenaar of door het openbaar ministerie kan worden gedaan. Verzoeksters hebben er ter zitting op gewezen dat de rechtbank de vereffenaar wegens gewichtige redenen ook ambtshalve kan ontslaan. Daargelaten of deze bevoegdheid ook is gegeven met het oog op een niet door de rechtbank benoemde vereffenaar, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om de vereffenaar ambtshalve te ontslaan.

9.12 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzet van verzoeksters tegen het voorstel tot fusie van verweersters ongegrond is, zodat het verzet zal worden opgeheven. Hetgeen partijen overigens verdeeld houdt, behoeft dan ook geen verdere bespreking.

9.13 Verweersters hebben verzocht dat verzoeksters hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding. Verzoeksters hebben daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal verzoeksters als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de kosten van de procedures aan de zijde van verweersters. Nu er evenwel geen grond bestaat om verzoeksters over en weer in de kosten van de verschillende zaken, die niet wegens verknochtheid zijn gevoegd, te veroordelen en alleen in de zaak onder rekestnummer 04.0547 meerdere verzoeksters optreden, zal de rechtbank de door verweersters gevraagde hoofdelijke veroordeling tot die zaak beperken.

BESLISSING

De rechtbank:

in de zaak onder rekestnummer 04.0541 H:

- heft het verzet van JBO tegen het voorstel tot fusie van verweersters op;

- veroordeelt JBO in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 904,-- voor salaris procureur;

in de zaak onder rekestnummer 04.0542 H:

- heft het verzet van NIHS tegen het voorstel tot fusie van verweersters op;

- veroordeelt NIHS in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 904,-- voor salaris procureur;

in de zaak onder rekestnummer 04.0543 H:

- heft het verzet van NIK tegen het voorstel tot fusie van verweersters op;

- veroordeelt NIK in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 904,-- voor salaris procureur;

in de zaak onder rekestnummer 04.0547 H:

- heft het verzet van BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat, Andries-Van Dam Stichting tegen het voorstel tot fusie van verweersters op;

- veroordeelt BNE Akiwa Nederland, Stichting Jesjiwas Hamasmidiem, Tikvatenoe V.Z.W., Rosalie Gomperts-Springer Stichting, Joodse Jeugdvereniging Hasjalsjelet, Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, Jesode Hatorah Beth Jacob V.Z.W., Stichting Le Ezrath Chinuch Chabad, Interprovinciaal Opperrabbinaat, Andries-Van Dam Stichting hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 904,-- voor salaris procureur;

in de zaak onder rekestnummer 04.0552 H:

- heft het verzet van Stichting Lesammeiag Hajeled tegen het voorstel tot fusie van verweersters op;

- veroordeelt Stichting Lesammeiag Hajeled in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 904,-- voor salaris procureur.

Aldus gegeven door mr. A.A.E. Dorsman, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 17 januari 2005 in tegenwoor-digheid van de griffier.