Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AR6971

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2004
Datum publicatie
21-12-2004
Zaaknummer
04/3210 en anderen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen rechtvaardiging voor onderscheid naar nationaliteit (i.c. tussen in Turkije levende Turken en in Marokko levende Marokkanen) t.a.v. datum herkrijgen recht op toeslag na uitspraak CRvB.

Eisers, in Marokko levende Marokkanen, genoten naast een WAO-uitkering toeslagen ingevolge de TW. I.v.m. de inwerkingtreding van de Wet BEU zijn deze toeslagen afgebouwd. Eisers zijn hiertegen niet in beroep gekomen.

Andere in Marokko levende Marokkanen zijn wel in beroep gekomen, hetgeen heeft geresulteerd in een uitspraak van de CRvB van 12 september 2003 (MS 2003, 263; USZ 2003, 303; RSV 2004/46; LJN AJ6850).

De Raad heeft hierin geoordeeld dat voormelde afbouw strijdig is met de exportbepaling van art. 5.2. van het NMV. N.a.v. deze uitspraak hebben de Marokkanen die zijn opgekomen tegen de afbouw van de toeslag hun volledige toeslag ingaande 1 januari 2001 herkregen. Zij die niet tegen de afbouw zijn opgekomen hebben hun toeslag per datum uitspraak van de CRvB herkregen. Eisers achten deze handelwijze in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijzen daartoe naar een uitspraak van de CRvB van 14 maart 2003, RSV 2003/114 inzake de afbouw van toeslag van in Turkije wonende Turken. N.a.v. deze uitspraak heeft verweerder besloten zowel de Turken die destijds wel waren opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag als de Turken die niet waren opgekomen tegen voormelde afbouw de toeslag m.i..v. 1 januari 2001 te hergeven.

Rb.: Vastgesteld dient te worden dat eisers geen nova in de zin van art. 4:6 hebben aangevoerd. Derhalve dient vervolgens beoordeeld te worden of verweerder bij de toepassing van art. 4:6 Awb de bestreden besluiten niet in redelijkheid heeft kunnen nemen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel.

De Rb. is van oordeel dat verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten het algemene rechtsbeginsel dat materieel gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld heeft veronachtzaamd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de groep Turkse uitkeringsgerechtigden aan wie de toeslag in verband met de uitspraak van de CRvB is hergeven en eisers niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, omdat de Turkse uitkeringsgerechtigden sedert 1 juli 2003 als gevolg van de aanmelding van de toeslag bij de Directeur-Generaal van de ILO geen recht meer hebben op de toeslag, terwijl eisers, die hun aanspraken op toeslag ontlenen aan het NMV, nog gedurende jaren de toeslag zullen blijven ontvangen.br>

De Rb. acht dit standpunt onjuist. In haar uitspraak van 19 maart 2004, gepubliceerd in RSV 2004/161, in een geschil tussen verweerder en een aantal Turkse uitkeringsgerechtigden heeft de Rb. geoordeeld dat de intrekking van de toeslag per 1 juli 2003 onrechtmatig is, omdat de aanmelding van de toeslag als uitkering in de zin van art. 2, zesde lid, aanhef en onder a, van ILO-conventie 118 geen gevolgen heeft voor de toepasselijkheid van art. 5 ILO-conventie 118. Voorts heeft de Rb. geoordeeld dat de intrekking van de toeslag in strijd is met art. 6 Besluit 3/80 Associatieraad EEG-Turkije, art. 14 EVRM en art. 26 Bupo.

De Rb. is van oordeel dat op grond van deze uitspraak vaststaat dat ook de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden nog vele jaren recht zal blijven houden op de toeslag. Dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen genoemde uitspraak doet daaraan niet af.

Ook overigens ziet de Rb. geen verschillen tussen de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden en eisers die zouden moeten leiden tot de conclusie dat deze groepen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Weliswaar gelden ten aanzien van beide groepen verschillende internationale bepalingen, doch deze bepalingen komen materieel overeen waar het gaat om regels die zien op een verbod op beperking van de export van de toeslag. Dat door de CRvB ten aanzien van beide groepen op verschillende data is geoordeeld dat art. 4a TW geen grondslag kan vormen voor de intrekking van de toeslag per 1 januari 2001 ziet de Rb. evenmin als een grond voor het oordeel dat het hier om materieel ongelijke groepen gaat.

Nu geconcludeerd moet worden dat eisers met het nemen van de bestreden besluiten nadeliger worden behandeld dan een vergelijkbare groep van Turkse uitkeringsgerechtigden, het standpunt van verweerder dat hier geen sprake is van gelijke gevallen onjuist is, en door verweerder voor het gemaakte onderscheid (naar nationaliteit) geen enkele rechtvaardiging is aangevoerd, is de Rb. van oordeel dat de bestreden besluiten strijden met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden besluiten zullen worden vernietigd, en de beroepen gegrond zullen worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Toeslagenwet
Toeslagenwet 4a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 229 met annotatie van A.T. Marseille
USZ 2005/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in de in de aan deze uitspraak gehechte bijlagen genoemde gedingen

van:

de aldaar genoemde personen, wonende in Marokko,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn (bijlage A), mr. E.M. van de Brom (bijlage B), mr. J.M. Walther (bijlage C) en niet vertegenwoordigd (bijlage D),

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E. van Hilten en A. Anandbahadoer.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft van eisers tijdig beroepschriften ontvangen, gericht tegen besluiten van verweerder van diverse data.

2. OVERWEGINGEN

Eisers genoten naast hun uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toeslagen ingevolge de Toeslagenwet (TW). In verband met de inwerkingtreding van de Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) op 1 januari 2000 heeft verweerder deze toeslagen afgebouwd. Over het jaar 2000 hebben eisers nog het volledige bedrag van de toeslag ontvangen, over het jaar 2001 2/3 daarvan, over het jaar 2002 1/3 en met ingang van 2003 hebben zij niets meer aan toeslag ontvangen.

Eisers zijn destijds niet in rechte opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag.

Enige andere in Marokko woonachtige Marokkanen zijn destijds wel opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag. Zij zijn door de rechtbank in het gelijk gesteld. Verweerder is in de desbetreffende zaken in hoger beroep gegaan. Dit heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 september 2003, gepubliceerd in RSV 2004/46. In deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de afbouw van de toeslag strijdig is met de exportbepaling neergelegd in artikel 5, lid 1, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, verder: het NMV). Deze bepaling voorziet in een verbod tot vermindering, wijziging, schorsing, intrekking of verbeurdverklaring van een op grond van de wettelijke regeling van een verdragsluitende partij verkregen uitkering bij invaliditeit op grond van het feit dat de rechthebbende woont op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt.

De Marokkanen die destijds zijn opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag hebben naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB hun volledige toeslag herkregen vanaf 1 januari 2001, de datum waarop de eerste fase van de afbouw was ingegaan.

Verweerder heeft besloten de Marokkanen die destijds niet zijn opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag de toeslag niet te hergeven vanaf 1 januari 2001, maar vanaf 12 september 2003, de datum van voornoemde uitspraak van de CRvB.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij hun toeslag eerst met ingang van 12 september 2003 hebben herkregen. Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder hun bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben zowel in bezwaar als in beroep onder meer aangevoerd dat verweerder door hun toeslag niet vanaf 1 januari 2001 volledig te hergeven heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben in dit verband gewezen op het volgende.

Bij uitspraak van 14 maart 2003, gepubliceerd in RSV 2003/114, heeft de CRvB een oordeel gegeven over de afbouw van de toeslag van in Turkije wonende Turken.

De CRvB heeft deze afbouw strijdig geoordeeld met artikel 5 van Verdrag nr. 118 betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962 van de Internationale Arbeidsorganisatie (Trb. 1962, 122, verder: ILO-conventie 118). Voormelde bepaling voorziet in een gebod bij woonplaats in het buitenland betaling te waarborgen van onder andere invaliditeitsuitkeringen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder besloten zowel de Turken die destijds wel waren opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag als de Turken die destijds niet waren opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag de toeslag vanaf 1 januari 2001 te hergeven.

Eisers zijn van mening dat hun situatie vergelijkbaar is met die van de Turken die destijds niet zijn opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag. Zij menen dan ook dat zij op dezelfde wijze dienen te worden behandeld, en dat ook aan hen de toeslag met ingang van 1 januari 2001 had moeten worden hergeven.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet kan worden gehonoreerd. In de visie van verweerder is geen sprake van vergelijkbare gevallen.

In dat verband heeft hij aangevoerd dat ten aanzien van de Turken bij de beoordeling is betrokken dat de toeslag wederom is ingetrokken met ingang van 1 juli 2003, nadat de Toeslagenwet door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als uitkering in de zin van artikel 2, zesde lid, aanhef en onder a, van de ILO-conventie 118 is aangemeld bij de Directeur-Generaal van de ILO. Indien ten aanzien van de Turken de toeslag met ingang van de datum van de uitspraak van de CRvB zou worden hergeven, zouden de betrokkenen nog maar zo weinig profijt hebben gehad van die uitspraak, dat de vraag rijst of zulks nog wel in overeenstemming zou zijn met het beginsel dat de nationale voorschriften de uitoefening van aan het internationale recht te ontlenen aanspraken niet illusoir mag maken, of onevenredig mag bemoeilijken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Inhoud primaire besluiten.

De rechtbank heeft van verweerder een exemplaar ontvangen van het formulier waarin bij eisers na de uitspraak van de CRvB van 12 september 2003 informatie is opgevraagd in verband met het voornemen om de toeslag te hergeven. Aangezien dit formulier is voorzien van de kop “Aanvraag toeslagenwet (vanaf 12 september 2003)” is bij de rechtbank de vraag gerezen of in de primaire besluiten behalve omtrent het recht op uitkering over de periode vanaf 12 september 2003, ook omtrent het recht op toeslag over het tijdvak van 1 januari 2001 tot 12 september 2003 een beslissing is genomen. Het antwoord op deze vraag is van belang voor de beoordeling van de vraag of de thans bestreden besluiten wel als besluiten op bezwaar kunnen worden aangemerkt.

Ter zitting heeft verweerder zich, verwijzend naar het beleid dat naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2003 is ontwikkeld, op het standpunt gesteld dat in de primaire besluiten weliswaar niet expliciet maar wel impliciet een beslissing om over genoemd tijdvak geen toeslag toe te kennen, is neergelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt omtrent de inhoud van de primaire besluiten als juist moet worden aanvaard. Eisers hebben de besluiten ook op die wijze opgevat, hetgeen blijkt uit het feit dat zij allen bezwaar hebben gemaakt tegen het feit dat bij de primaire besluiten de toeslag pas met ingang van 12 september 2003 is hergeven.

Toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank is van oordeel dat artikel 4:6 Awb in de onderhavige zaken van toepassing is, nu eisers hebben verzocht om terug te komen van de door verweerder in november 2000 genomen besluiten, waarin de toeslag met ingang van 1 januari 2001 gefaseerd is ingetrokken. In dit kader wordt verwezen naar vaste jurisprudentie van de CRvB, waarin is vastgesteld dat genoemd artikel van overeenkomstige toepassing is indien, nadat een ambtshalve genomen besluit rechtens onaantastbaar is geworden, een verzoek om herziening van dat besluit wordt ingediend.

Eiser D heeft aangevoerd dat in zijn geval artikel 4:6 Awb niet van toepassing is omdat hij tegen het besluit waarbij de toeslag is ingetrokken bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank gaat aan dit standpunt voorbij nu verweerder de ontvangst van een bezwaarschrift heeft ontkend, en genoemde eiser geen bewijs van verzending van het bezwaarschrift heeft geleverd.

Eiser B heeft aangevoerd dat hij zijn rechten ter zake van de toeslag heeft veiliggesteld bij brief van 3 februari 2003. De rechtbank kan aan deze brief niet de conclusie verbinden dat artikel 4:6 van de Awb in zijn geval niet van toepassing zou zijn.

Eiser A heeft gesteld bij brief van 31 oktober 2000 aan verweerder te hebben gevraagd de wet buiten toepassing te laten. Aangezien verweerder de ontvangst van deze brief heeft ontkend, en eiser geen bewijs van verzending van deze brief heeft geleverd, gaat de rechtbank aan zijn stelling voorbij.

Consequenties van de toepasselijkheid van artikel 4:6 Awb.

In het eerste lid van genoemd artikel is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

De rechtbank heeft geconstateerd dat geen van de eisers in het verzoek om herziening nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. In een aantal verzoeken is gerefereerd aan de uitspraak van de CRvB van 12 september 2003, doch volgens vaste jurisprudentie is nieuwe rechtspraak niet aan te merken als een novum als bedoeld in artikel 4:6 Awb. In geen van de verzoeken om herziening is melding gemaakt van het feit dat ten aanzien van Turkse uitkeringsgerechtigden is besloten om de toeslag met ingang van 1 januari 2001 te hergeven, terwijl dit het belangrijkste argument is dat nadien in bezwaar en beroep is aangevoerd.

De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om consequenties te verbinden aan de hiervoor omschreven gang van zaken omdat verweerder ten tijde van de indiening van de verzoeken om herziening (vanaf medio oktober 2003) geacht moet worden ambtshalve op de hoogte te zijn geweest van de wijze waarop eerder ten aanzien van de Turkse uitkeringsgerechtigden is gehandeld, en eisers in hun bezwaarschriften zijn ingegaan op de huns inziens ongelijke behandeling die zij ten opzichte van de Turkse uitkeringsgerechtigden hebben ondergaan. Verweerder heeft zich dus in de bezwaarfase kunnen beraden omtrent de vraag of hier sprake was van een novum dat tot heroverweging van de oorspronkelijke intrekkingsbesluiten aanleiding gaf.

Volgens vaste jurisprudentie (o.a. CRvB 27 februari 2004, RSV 2004/166) dient in gevallen waarin het bestuursorgaan geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit door de bestuursrechter de volgende toetsingsformule te worden gehanteerd.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van belanghebbende om terug te komen van een eerder ambtshalve genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van zijn bevoegdheid zijn eerdere besluit handhaaft kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.

De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden het oorspronkelijke besluit te herzien.

Voorts blijkt uit de jurisprudentie van de CRvB dat in gevallen waarin zich geen nova voordoen door de bestuursrechter dient te worden beoordeeld of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. In het kader van deze toetsing speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen rol.

Voormeld toetsingskader is naar het oordeel van de rechtbank eveneens van toepassing wanneer, zoals in de onderhavige gevallen, het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit gedeeltelijk heeft gehandhaafd, en gedeeltelijk is teruggekomen van dat besluit.

Gegeven het hiervoor vermelde toetsingskader dient de rechtbank allereerst te beoordelen of eisers nova hebben aangevoerd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend op grond van het navolgende.

Gezien het doel dat met artikel 4:6 is beoogd, te weten de bescherming van de formele rechtskracht van besluiten waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, of de aangewende rechtsmiddelen zijn uitgeput, zullen aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden een relatie dienen te hebben met de feiten en omstandigheden die bij het nemen van het oorspronkelijke besluit in aanmerking zijn genomen. Anders geformuleerd: hetgeen als nova is aangevoerd of is overgelegd moet kunnen afdoen aan het oorspronkelijke besluit en de overwegingen ten aanzien van de feiten en omstandigheden waarop dat besluit berust.

In het onderhavige geval hebben eisers als novum aangevoerd dat verweerder naar aanleiding van uitspraken van de CRvB aan een groep van Turkse uitkeringsgerechtigden die in een gelijke situatie verkeren als eisers de toeslag met ingang van een eerdere datum heeft hergeven. Dit argument kan echter niet worden aangemerkt als een nieuw feit dat een ander licht werpt op de situatie zoals die ten tijde van het oorspronkelijke besluit was, en de motivering van dat besluit. Evenmin is sprake van een omstandigheid die vergeleken bij de omstandigheden ten tijde van het oorspronkelijke besluit zodanig is veranderd dat als gevolg daarvan de overwegingen waarop het bestreden besluit berust niet langer gelden.

De reden waarom de overwegingen waarop het bestreden besluit berust –achteraf bezien- niet langer geacht worden te kunnen gelden is gelegen in het feit dat uit meergenoemde uitspraken van de CRvB is gebleken dat toepassing van artikel 4a van de Toeslagenwet in strijd is met internationale verdragen, en is niet gelegen in het feit dat aan de Turkse uitkeringsgerechtigden met een langere terugwerkende kracht de toeslag is hergeven. Zoals hiervoor reeds is overwogen is volgens vaste jurisprudentie nieuwe jurisprudentie evenwel niet aan te merken als een novum in de zin van artikel 4:6 Awb.

Uitgaande van de voormelde vaststelling dat door eisers geen nova zijn aangevoerd, dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of verweerder bij de toepassing van artikel 4:6 Awb de bestreden besluiten niet in redelijkheid heeft kunnen nemen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten het algemene rechtsbeginsel dat materieel gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld heeft veronachtzaamd, op grond van het navolgende.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de groep Turkse uitkeringsgerechtigden aan wie de toeslag in verband met de uitspraak van de CRvB is hergeven en eisers niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, omdat de Turkse uitkeringsgerechtigden sedert 1 juli 2003 als gevolg van de aanmelding van de toeslag bij de Directeur-Generaal van de ILO geen recht meer hebben op de toeslag, terwijl eisers, die hun aanspraken op toeslag ontlenen aan het NMV, nog gedurende jaren de toeslag zullen blijven ontvangen.

De rechtbank acht dit standpunt onjuist. In haar uitspraak van 19 maart 2004, gepubliceerd in RSV 2004/161, in een geschil tussen verweerder en een aantal Turkse uitkeringsgerechtigden heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking van de toeslag per 1 juli 2003 onrechtmatig is, omdat de aanmelding van de toeslag als uitkering in de zin van artikel 2, zesde lid, aanhef en onder a, van ILO-conventie 118 geen gevolgen heeft voor de toepasselijkheid van artikel 5 van ILO-conventie 118. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking van de toeslag in strijd is met artikel 6 van Besluit 3/80 Associatieraad EEG-Turkije, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (Evrm), en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo).

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze uitspraak vaststaat dat ook de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden nog vele jaren recht zal blijven houden op de toeslag. Dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen genoemde uitspraak doet daaraan niet af.

Ook overigens ziet de rechtbank geen verschillen tussen de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden en eisers die zouden moeten leiden tot de conclusie dat deze groepen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Weliswaar gelden ten aanzien van beide groepen verschillende internationale bepalingen, doch deze bepalingen komen materieel overeen waar het gaat om regels die zien op een verbod op beperking van de export van de toeslag. Dat door de CRvB ten aanzien van beide groepen op verschillende data is geoordeeld dat artikel 4a van de TW geen grondslag kan vormen voor de intrekking van de toeslag per 1 januari 2001 ziet de rechtbank evenmin als een grond voor het oordeel dat het hier om materieel ongelijke groepen gaat.

Nu geconcludeerd moet worden dat eisers met het nemen van de bestreden besluiten nadeliger worden behandeld dan een vergelijkbare groep van Turkse uitkeringsgerechtigden, het standpunt van verweerder dat hier geen sprake is van gelijke gevallen onjuist is, en verweerder voor het gemaakte onderscheid (naar nationaliteit) geen enkele rechtvaardiging is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten strijden met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden besluiten zullen worden vernietigd, en de beroepen gegrond zullen worden verklaard. Verweerder zal voorts worden opgedragen om nieuwe besluiten te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf te voorzien in de zaak nu de bestreden besluiten berusten op een discretionaire bevoegdheid van verweerder, te weten de herziening van rechtens onaantastbare besluiten, en verweerder derhalve zelf zal dienen te bepalen hoe alsnog invulling aan die bevoegdheid zal worden gegeven.

Dit betekent dat de rechtbank thans geen oordeel kan geven over het verzoek van eisers om verweerder te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die eisers ten behoeve van de bezwaarprocedure hebben moeten maken. Thans staat immers nog niet vast dat de primaire besluiten zullen worden herroepen, hetgeen ingevolge artikel 7:15 Awb een voorwaarde is voor de vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt.

Ook ten aanzien van de verzochte veroordeling van verweerder tot betaling van wettelijke rente kan thans nog geen besluit worden genomen omdat thans nog niet duidelijk is of, en zo ja met welke uitkomst, de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten gegrond zullen worden verklaard.

De rechtbank wijst verweerder erop dat hij in het kader van de nieuwe besluitvorming een beslissing zal dienen te nemen over de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en de verzochte schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Gemachtigde de Roy van Zuydewijn heeft verzocht om in geval van gegrondverklaring van de beroepen bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing te laten. Zij meent dat ingevolge de systematiek van dat besluit de vergoeding van proceskosten per eiser dermate laag uitvalt dat zulks leidt tot een schending van de eigendomsrechten van eisers. In dat verband heeft zij verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 21 mei 2003 in de zaak Azas tegen Griekenland.

De rechtbank is van oordeel dat deze uitspraak in de onderhavige gevallen niet van toepassing is. In genoemde uitspraak was aan de orde dat land van Griekse onderdanen werd onteigend, en dat zij ten behoeve van de noodzakelijke rechtsbijstand in de daarmee samenhangende procedures slechts een zeer gering bedrag aan vergoeding ontvingen. Gevolg daarvan was dat zij zelf een groot deel van de kosten voor rechtsbijstand dienden te dragen. Deze gang van zaken heeft het Hof in strijd geacht met het in artikel 1 van het eerste protocol bij het Evrm neergelegde recht op ongestoord genot van eigendom.

In de onderhavige zaken is evenwel geen sprake geweest van de ontneming van eigendom. De procedures zijn gevoerd ter verkrijging van een uitkering. Dat, zoals de gemachtigde van eisers heeft aangevoerd, het recht op toeslag van rechtswege ontstaat, doet daaraan niet af. Ten tijde van de indiening van de aanvragen hadden eisers immers niet het eigendom van een uitkering. Een dergelijk eigendomsrecht ontstaat pas na de inwilliging van een aanvraag.

Voorts hebben eisers aanspraak op kostenloze rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand.. Behalve een eigen bijdrage zijn eisers geen kosten voor rechtsbijstand verschuldigd. Die kosten worden gedragen door de Nederlandse overheid. Reeds daarom gaat een vergelijking met de hiervoor genoemde uitspraak van het Europees Hof niet op.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan het verzoek van gemachtigde de Roy van Zuydewijn te voldoen, en zal de proceskostenvergoeding op de navolgende wijze vaststellen.

De rechtbank merkt de in de bijlage A bij deze uitspraak afzonderlijk genoemde zaken aan als samenhangende zaken, nu de bestreden besluiten gelijkluidend zijn en binnen korte tijd zijn genomen, eisers in deze zaken op gelijke gronden in beroep zijn gekomen, rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de zaken op dezelfde datum ter zitting van de rechtbank zijn behandeld waarbij deze eisers door dezelfde gemachtigde zijn vertegenwoordigd. Aangezien op deze bijlage ten minste vier zaken staan - namelijk 105 - dient op grond van punt C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht de wegingsfactor 1,5 te worden toegepast. Dit betekent dat verweerder aan de eisers in de zaken op bijlage A tezamen € 966,- dient te vergoeden (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,- x 1,5). Voor de eisers in de zaken genoemd in bijlage A komt het te vergoeden bedrag zo op € 966,- : 105 = € 9,20 per eiser.

Op bijlage B staan 2 zaken. Ook deze zaken worden als samenhangende zaken in vorenbedoelde zin aangemerkt. Aangezien op deze bijlage minder dan vier zaken staan dient op grond van punt C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht de wegingsfactor 1 te worden toegepast. Dit betekent dat verweerder aan de eisers in de zaken op bijlage B tezamen € 644,- dient te vergoeden (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,- x 1). Voor de eisers in de zaken genoemd in bijlage A komt het te vergoeden bedrag zo op € 644,- : 2 = € 322,- per eiser.

Op bijlage C staat slechts 1 zaak. Verweerder dient in deze zaak € 644,- te vergoeden (1 punt voor het in indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,-).

Ten aanzien van de eisers in de zaken genoemd in bijlage D is niet gebleken van proceskosten.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eisers betaalde griffierecht ad € 37,- per eiser te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op om met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene nieuwe besluiten te nemen;

- bepaalt dat het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen aan elke eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 37,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers begroot op respectievelijk € 9,20 (zaken bijlage A), € 322 (zaken bijlage B) en € 644,- (zaak bijlage C), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in de zaken die in de bijlagen met een * zijn gemarkeerd aan de griffier van deze rechtbank en in de overige zaken aan eisers;

Gewezen door mr. T.P.J. de Graaf, voorzitter, en mrs. J.F.A.M. Graafland en E.E.V. Lenos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en openbaar gemaakt op: 15 november 2004

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 25 november 2004

AK

DOC:A

Bijlage A

Zaken waarin mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn optreedt als gemachtigde

...

Totaal 105 procedures

Bijlage B

Zaken waarin mr. E.M. van den Brom optreedt als gemachtigde

...

Bijlage C

Zaak waarin mr. J.M. Walther optreedt als gemachtigde

...

Bijlage D

Zaken waarin geen gemachtigde optreedt

...