Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7877

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2004
Datum publicatie
26-08-2004
Zaaknummer
KG 04/1566 SR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In de onderhavige zaak heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het ophangen van een foto van een 79-jarige mevrouw in strijd is met artikel 21 van de Auteurswet

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet
Ambtenarenwet 21
Ambtenarenwet 22
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 16
Wet bescherming persoonsgegevens 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 578
WBP 2009/44
JIN 2004/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SR/HO

vonnis 26 augustus 2004

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t r o l n u m m e r KG 04/1566 SR v a n:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s bij dagvaarding van 4 augustus 2004,

procureur mr. R.A. Korver,

t e g e n :

[gedaagde], handelend onder de naam Tabaksspeciaalzaak [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e ,

procureur mr. H.E.C.A. Vlasman.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 16 augustus 2004 heeft eiseres, verder te noemen [eiseres], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ter zitting heeft [eiseres] haar eis gewijzigd overeenkomstig de eveneens in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte houdende een wijziging van eis. Gedaagde, verder te noemen [gedaagde], heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [gedaagde] heeft een tabaksspeciaalzaak aan [adres] te Amsterdam. De winkel is voorzien van een camerasysteem. Tegen de achterwand van de winkel is een groot beeldscherm geplaatst waarop de beelden die de verschillende camera’s maken worden afgebeeld. Bij de ingang van de winkel hangt een bord met de tekst “dit pand is voorzien van videobewaking”.

b. [eiseres] is thans 79 jaar oud. Op 14 juli 2004 is zij in de winkel van [gedaagde] geweest. Zij heeft de winkel verlaten met tijdschriften in haar hand zonder deze te betalen. [gedaagde] heeft haar buiten de winkel aangehouden en overgedragen aan de politie. Tevens heeft hij jegens [eiseres] aangifte van winkeldiefstal gedaan.

c. [gedaagde] heeft op 23 juli 2004 een foto van [eiseres], afkomstig van het beeldmateriaal van zijn bewakingscamera, opgehangen in zijn winkel met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen”. Aan de wijze waarop [gedaagde] winkeldiefstal aanpakt, is aandacht besteed door onder meer AT5, SBS6, het Parool en de Telegraaf.

2. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, – kort gezegd –, [gedaagde]:

A. te veroordelen de foto op dezelfde plek(ken) in zijn winkel op te hangen met de tekst “Ten onrechte heb ik deze vrouw beschuldigd van diefstal, [gedaagde]”, voor de duur van een week;

B. te veroordelen een persbericht te doen uitgaan en een advertentie te doen plaatsen in de Telegraaf en in het Parool met de tekst

“Rectificatie. Hierbij verklaar ik, [gedaagde], ten onrechte en onrechtmatig een foto van een vrouw te hebben opgehangen in mijn winkel gelegen aan [adres] in Amsterdam met daarbij de tekst dat die vrouw bij mij heeft gestolen. Ik had dit niet mogen doen”, of althans van een door de voorzieningenrechter te bepalen adequate rectificatie en tekst, waarbij de afmetingen van de advertentie minimaal 1/4e pagina dienen te beslaan;

C. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan het onder A. en B. gevorderde;

D. te veroordelen tot betaling van € 250,00 aan [eiseres] bij wijze van voorschot op immateriële schadevergoeding;

E. te gebieden de foto met de tekst alsmede alle kopieën daarvan of op andere wijze opgeslagen gegevensdragers van die foto, waaronder in het bijzonder originele beeldopnames en kopieën daarvan, met die tekst te vernietigen, uit zijn winkel te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;

F. te gebieden de beeltenis van [eiseres] enkel nog te gebruiken voor het doel als omschreven onder A en ook die beeltenis(sen) na verloop van de termijn als bedoeld onder A te vernietigen;

G. te veroordelen in de kosten van dit geding.

3. [eiseres] stelt hiertoe dat zij op 14 juli 2004 een aantal tijdschriften wilde aanschaffen in de winkel van [gedaagde] en zich toen realiseerde dat haar portemonnee nog in haar fietstas zat. In een impuls liep zij met de tijdschriften naar buiten om haar geld te halen. [gedaagde] heeft door het ophangen van een foto van [eiseres] in zijn winkel onrechtmatig jegens haar gehandeld in meerdere opzichten. Door zonder opdracht of instemming van [eiseres] over te gaan tot publicatie c.q. openbaarmaking van haar beeltenis heeft [gedaagde] de portretrechten van [eiseres] geschonden, hetgeen op grond van artikel 21 Auteurswet niet is toegestaan, nu [eiseres] een redelijk belang heeft dat zich tegen publicatie verzet. Dit redelijk belang is dat publicatie van de foto van [eiseres] een diffamerend en stigmatiserend effect heeft gehad en thans nog steeds heeft op [eiseres]. Door de foto te openbaren en mee te werken aan publicaties in de media alsmede door de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” te verbinden aan de foto is de privacy van [eiseres] op ernstige wijze geschonden. Dit levert schending op van artikel 10 Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 17 BUPO, terwijl geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond noch een grondrecht van [gedaagde] dat zwaarder weegt. Het handelen van [gedaagde] valt onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). [eiseres] heeft geen ondubbelzinnige toestemming gegeven voor het verwerken van haar persoonsgegevens, in ieder geval niet voor openbaarmaking van haar persoonsgegevens op de wijze waarop [gedaagde] dat heeft gedaan. Het feit dat [eiseres] de winkel heeft betreden, terwijl bij de ingang een bord hing met een mededeling over videobewaking, kan niet worden opgevat als het geven van toestemming om een foto van haar op te hangen. [eiseres] heeft inmiddels aangifte gedaan van belediging, dan wel laster, meer specificiek smaad (artikel 261 e.v. Wetboek van Strafrecht ). Tot slot is het gedrag van [gedaagde] onrechtmatig op grond van het feit dat zijn optreden niet is zoals in het maatschappelijk verkeer betaamt, terwijl evenmin sprake is van een rechtvaardigingsgrond. [eiseres] is wilsonbekwaam voor zover het gaat om de symptomen van haar dementie. [gedaagde] is zonder enige vorm van nader onderzoek ervan uitgegaan dat [eiseres] opzet had zich wederrechtelijk goederen toe te eigenen. Op 15 juli 2004 heeft de dochter van [eiseres] aan [gedaagde] uitgelegd dat haar moeder dementerend is. Willens en wetens heeft [gedaagde] daarna de foto opgehangen. Pas na herhaald en klemmend verzoek heeft [gedaagde], na interventie van de politie, de foto verwijderd. De immateriële schade bestaat er onder meer uit dat andere winkeliers, die de foto in de winkel van [gedaagde] zagen hangen, haar nu ook betichten van winkeldiefstal.

4. [gedaagde] heeft ter afwering van de vordering aangevoerd dat er ondanks alle maatregelen die hij de afgelopen jaren in zijn winkel tegen diefstal heeft genomen geen noemenswaardige afname daarvan was, hetgeen een verliespost van zo’n 20% van de opbrengst tot gevolg heeft. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde] overgegaan is tot het ophangen in zijn winkel van afdrukken van de camerabeelden met daarop het portret van de winkeldieven. Dit middel bleek te helpen: het leidde tot betaling van de ontvreemde goederen, bracht rust in de winkel bij het winkelpersoneel en leidde tot afname van het aantal winkeldiefstallen. Op 14 juli 2004 heeft [gedaagde] aan de verbalisanten de beelden van de bewakingscamera over [eiseres] getoond en vervolgens is [eiseres] door de politie meegenomen voor verhoor. Van de zijde van de politie en/of mevrouw is vervolgens niets meer vernomen. Hieraan verbond [gedaagde] de conclusie dat [eiseres], zoals hij in het verleden al meermalen had meegemaakt, met een politiesepot naar huis was gestuurd. Allereerst heeft [gedaagde] aangevoerd dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen ontbreekt. Naar aanleiding van een van de publicaties na 23 juli 2004 heeft de dochter van [eiseres] contact opgenomen met [gedaagde]. Zij vertelde hem dat haar moeder ziek was en vaak stal. Zij bood haar excuses aan en verzocht [gedaagde] het portret te verwijderen. [gedaagde] had echter, op eigen initiatief, de foto, na de media-aandacht reeds verwijderd. De inbreuk op het portretrecht c.q. de privacy – voor zover onrechtmatig – duurt niet voort.

Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] impliciet toestemming heeft gegeven voor openbaarmaking van haar portret, door, terwijl duidelijk was dat de eigendommen van [gedaagde] beschermd werden met behulp van cameratoezicht en reeds een portret van een winkeldief in de winkel hing, de winkel te betreden en een drietal tijdschriften weg te nemen. Een beroep op artikel 21 van de Auteurswet kan derhalve niet slagen. Bovendien weegt het belang van [gedaagde] bij bescherming van zijn eigendom en het belang van andere collega winkeliers zwaarder dan het belang van de privacy van [eiseres]. De maatregelen tegen diefstal waren door [gedaagde] reeds uitgeput. Er was sprake van camerabewaking, een kostbare investering, aangifte van diefstal bij de politie was vaak vruchteloos en een winkelverbod leidt tot niets. Ter bescherming van zijn eigendommen en persoon is [gedaagde] overgegaan tot openbaarmaking van portretten onder meer die van [eiseres]. Dit met als doel – onder meer – [eiseres] alsnog te bewegen tot betaling van zijn goederen over te gaan. Voorts dient [gedaagde] het algemeen belang. Hierbij dient allereerst gedacht te worden aan de belangen van de andere winkeliers die eveneens in hun belangen worden geschaad als gevolg van de steeds hoger oplopende criminaliteit. Door middel van openbaarmaking van portretten van veelplegers worden ook deze winkeliers in staat gesteld veelplegers te herkennen en alsdan hun eigendommen te beschermen. Daarnaast is er een afname van winkeldiefstal te verwachten door de generale preventie die er uitgaat van dit soort initiatieven. De Wet bescherming persoonsgegevens is niet van toepassing nu geen sprake is van een bestand in de zin van artikel 1 onder c Wbp. Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat artikel 8 sub f Wbp van toepassing is, nu de gegevensverwerking noodzakelijk was voor de behartiging van de belangen van de verwerker. Indien moet worden aangenomen dat de inbreuk op de privacy c.q. het portretrecht onrechtmatig is, is dit nog geen grond voor schadevergoeding. [eiseres] is – gelet op de wazige foto – slechts in kleine kring als dief herkenbaar geweest en het portret is slechts voor korte duur openbaar gemaakt. De voorziening tot het wederom ophangen in de winkel van het portret van [eiseres] met de gevraagde mededeling dient te worden afgewezen. Het is niet juist om op de uitspraak van de strafrechter eind december 2004 vooruit te lopen. De voorziening gericht op vernietiging, verwijdering van de gegevensdragers en beelddragers van [eiseres] is niet meer opportuun, nu deze reeds zijn gewist dan wel vernietigd.

Beoordeling van het geschil:

5. Het verweer van [gedaagde] dat het spoedeisend belang bij de vorderingen ontbreekt, wordt verworpen. Gelet op de publicaties in de media, zowel voor als na datum dagvaarding, heeft [eiseres] belang bij een voorziening op een korte termijn.

6. Kern van dit geschil is of [gedaagde] door in zijn winkel een foto op te hangen van [eiseres] met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

7. Onbetwist is dat het portret is vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht door of vanwege [eiseres], zodat artikel 21 Auteurswet op het onderhavige geval van toepassing is. Uit de omstandigheid dat [eiseres] de winkel is binnengekomen, terwijl op een bord bij de deur de aanwezigheid van videobewaking werd aangekondigd, kan toestemming tot het maken van video-opnamen worden afgeleid – hetgeen geen opdracht in de zin van artikel 21 Auteurswet is –, doch geen impliciete toestemming tot openbaarmaking van een foto. Een foto met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” heeft een veel grotere impact dan vluchtige beelden van een bewakingscamera op een scherm in de winkel. Het feit dat er reeds een foto van een ander in de winkel hing, maakt dit niet anders.

8. [eiseres] heeft een redelijk belang dat zich tegen openbaarmaking verzet, namelijk het diffamerende en stigmatiserende effect dat van een foto met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” uitgaat. Het ophangen van de foto van [eiseres] is derhalve in beginsel in strijd met artikel 21 Auteurswet, tenzij het belang van [gedaagde] zwaarder weegt. [gedaagde] heeft als zijn belang aangevoerd de bescherming van zijn eigendom – nu andere middelen zoals een kostbaar bewakingscamerasysteem en aangifte bij de politie geen effect sorteerden –, het algemene belang – andere winkeliers in staat stellen veelplegers te herkennen en generale preventie – en het recht op vrijheid van meningsuiting.

9. Het is een feit van algemene bekendheid dat winkeldiefstallen – ondanks vaak kostbare maatregelen zoals videobewaking – ieder jaar tot aanzienlijke schade bij winkeliers leiden. Dit is een maatschappelijk probleem dat aandacht en wellicht ook nadere regelgeving behoeft. Het is begrijpelijk dat, zolang die diefstallen nog niet effectief bestreden worden, de winkeliers zoeken naar middelen om winkeldiefstal tegen te gaan dan wel om alsnog betaling voor de gestolen waren te krijgen. Daarbij mogen de winkeliers echter uitsluitend rechtmatige middelen gebruiken en derhalve niet in strijd met de wet handelen. Een publicatie als de onderhavige – die een element van straf in zich heeft – levert eigenrichting op jegens [eiseres]. Hierbij is niet van belang de vraag of [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en of haar gedragingen beïnvloed zijn door een beginnende vorm van Alzheimer. Eigenrichting is in het wettelijke systeem niet toegestaan, het is aan de strafrechter om te bepalen of de gedragingen van [eiseres] op 14 juli 2004 te kwalificeren zijn als diefstal en, zo ja, of zij hiervoor strafbaar is en welke straf of maatregel daarvoor zal worden opgelegd. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is niet aannemelijk geworden dat alle (rechtmatige) middelen om op te treden tegen winkeldiefstal voor hem zijn uitgeput. Wanneer [gedaagde] bang was dat [eiseres], zoals volgens hem bij veel winkeldieven het geval is, met een politiesepot naar huis was gestuurd, dan had hij in de eerste plaats bij de politie kunnen informeren of dat het geval was en dan had hij vernomen dat zij terecht moet staan voor de strafrechter. Overigens kan hij zich bij een politiesepot van een winkeldief daartegen met rechtmatige middelen verzetten. Zo biedt artikel 12 e.v. Wetboek van Strafvordering aan de winkelier als belanghebbende de mogelijkheid zijn beklag in te dienen over de niet (verdere) vervolging van een vermeende winkeldief teneinde te bewerkstelligen dat de vervolging alsnog zal worden ingesteld dan wel voortgezet. Niet gebleken is dat [gedaagde] dit middel al eens beproefd heeft. Het opsporen en berechten van verdachten is het monopolie van justitie en het is niet aan burgers om mogelijke verdachten openlijk te schande te zetten.

[gedaagde] kan worden nagegeven, dat het nemen van strafrechtelijke stappen als aangifte en beklag veel tijd kost, maar dat is toch de weg, die gegeven het wettelijk systeem bewandeld moet worden. Wanneer [gedaagde] van oordeel is dat de politie onvoldoende prioriteit geeft aan, dan wel onvoldoende mankracht of onvoldoende mogelijkhedenheeft voor opsporing en vervolging van winkeldiefstal, dan kan hij zich tot de politiek te wenden. De discussie over de bestrijding van de zogenaamde kleine criminaliteit is daar overigens al gaande. [gedaagde], zijn medewinkeliers of hun belangenorganisatie kunnen zich langs democratische weg daarin mengen.

10. Het beroep van [gedaagde] op het algemeen belang kan evenmin slagen. Uit artikel 22 van de Auteurswet volgt dat het verspreiden van afbeeldingen in het belang van de openbare veiligheid alsmede ter opsporing van strafbare feiten slechts is voorbehouden aan justitie.

11. Bij deze stand van zaken kan de belangenafweging niet anders dan in het nadeel van [gedaagde] uitvallen en moet de onderhavige actie van [gedaagde] voorshands als onrechtmatig worden aangemerkt.

12. Het ophangen van de foto van [eiseres] met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” is eveneens in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens. De videobeelden gemaakt met een bewakingscamera zijn aan te merken als een bestand in de zin van artikel 1 onder c van de Wet bescherming persoonsgegevens, nu sprake is van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens. De verwerking van deze gegevens door een winkelier valt onder de Wet bescherming persoonsgegevens. Uit hetgeen hiervoor onder 7 en 9 is overwogen, volgt dat [eiseres] geen ondubbelzinnige toestemming heeft gegeven voor de verwerking van de videobeelden tot een foto – zoals vereist in artikel 8 onder a Wbp – en dat het belang van [eiseres] prevaleert bij de in artikel 8 onder f Wbp bedoelde belangenafweging. Ook in de Wet bescherming persoonsgegevens is het verwerken van strafrechtelijke persoonsgegevens voorbehouden aan organen krachtens de wet belast met de toepassing van het strafrecht (artikel 16 jo. 22 Wbp).

13. Of sprake is van smaad, smaadschrift dan wel laster behoeft een nader onderzoek waarop de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding niet vooruit kan lopen.

14. Nu het handelen van [gedaagde] voorshands onrechtmatig jegens [eiseres] is geoordeeld, is de onder A gevorderde rectificatie toewijsbaar. De voorzieningenrechter acht het echter niet in belang van [eiseres] dat bij deze rectificatie nogmaals de foto van [eiseres] wordt opgehangen. [gedaagde] wordt derhalve veroordeeld tot het ophangen van een tekstuele rectificatie op dezelfde plek als waar de foto van [eiseres] heeft gehangen gedurende de duur dat die foto daar gehangen heeft, waarbij de gevorderde dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd als na te melden. Ter zitting heeft [gedaagde] onbetwist aangevoerd dat de foto drie à vier dagen in zijn winkel heeft gehangen. In deze rectificatie wordt niet vooruitgelopen op de juistheid van de beschuldiging van winkeldiefstal, nu dat – zoals hiervoor onder 9 reeds overwogen – is voorbehouden aan de strafrechter.

15. Aangezien de pers grote belangstelling heeft getoond voor deze zaak, verslag heeft gedaan van de zitting op 16 augustus 2004 en aannemelijk is dat zij tevens verslag zullen doen van deze uitspraak, heeft [eiseres] geen belang bij het tevens plaatsen van een advertentie als bedoeld onder B en wordt de vordering op dit punt afgewezen.

16. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], heeft [eiseres] voorshands niet aannemelijk gemaakt dat hij nog (kopieën van) beeldopnames van [eiseres] in zijn bezit heeft dan wel de foto in zijn winkel heeft hangen. Wel heeft [gedaagde] verklaard dat hij nog één exemplaar van de foto in zijn bezit heeft. Het onder E gevorderde wordt derhalve toegewezen voor de vernietiging van de (kopieën van de) foto.

17. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat met de genoegdoening door middel van dit vonnis en met name ook de rectificatie in de winkel van [gedaagde] [eiseres] voldoende compensatie heeft gekregen voor de door haar gestelde immateriële schade. Derhalve is er geen plaats om ook nog een schadevergoeding in geld toe te wijzen.

18. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de kosten gecompenseerd als na te melden.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Veroordeelt [gedaagde] binnen één werkdag na betekening van dit vonnis in zijn winkel gedurende vier dagen waarop de winkel de gehele dag geopend is de volgende tekst op te hangen op de plek waar de foto van [eiseres] heeft gehangen:

”Rectificatie.

De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 26 augustus 2004 geoordeeld dat ik door op deze plaats de foto van een 79-jarige vrouw op te hangen met daarbij de tekst “Deze vrouw heeft hier gestolen” onrechtmatig jegens deze vrouw heb gehandeld, omdat het in strijd is met de wet. De voorzieningenrechter heeft mij veroordeeld deze tekst gedurende vier dagen op te hangen.

[gedaagde].”,

waarbij de afmetingen en lettertype gelijk dienen te zijn aan de afmetingen van de foto en de daarbij opgenomen tekst,

op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00.

2. Gebiedt [gedaagde] de nog in zijn bezit zijnde (kopieën van de) foto van [eiseres] te vernietigen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke (kopie van) een foto van [eiseres], die hij vier dagen na betekening van dit vonnis nog in zijn bezit heeft.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 augustus 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: