Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AP2186

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
CV 03-22366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In 1972 is door de rijksoverheid een bedrag gevormd door de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind gestort in een fonds, het Fonds Voortzetting Pensioenverzekering. Vanuit dat fonds is, kort gezegd, de voortzetting van de betaling van de pensioenpremies voor ten tijde van het dienstverband bestaande pensioenverzekeringen van werklozen vergoed. Het fonds is in 1999 geprivatiseerd ingevolge de Wet Privatisering FVP. De gedaagde is thans met de uitvoering van de voortzetting door werklozen van hun pensioenregeling belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Kanton

Locatie Amsterdam

datum 18 mei 2004

Rolnummer: CV 03-22366

246

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser bij dagvaarding van 3 september 2003

verder [eiser]

-gemachtigde: mr. H.F.A. Bronneberg

t e g e n

De stichting Stichting Financiering Voortzetting Pensioenver-zekering

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

verder De Stichting

-gemachtigde: mr. J.H. van Dijk

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn in-gediend:

- de dagvaarding overeenkomstig welke [eiser] heeft gevor- derd met bewijsstukken

- een akte houdende overlegging van een bewijsstuk

- het antwoord van De Stichting met bewijsstukken

- de conclusie van repliek van [eiser] met bewijsstuk tevens houdende wijziging van eis

- de conclusie van dupliek van De Stichting met bewijsstuk

- een nadere conclusie van [eiser].

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. [eiser] was in dienst van de [Duitse onderneming S. en S.] te [woonplaats]. Zijn pensioen was verzekerd bij de Landesversicherungsanstalt Rhein-pro-vinz. Op 31 maart 2000 is hij werkloos geworden.

1.2. Op 31 augustus 2001 heeft [eiser] een aanvraag voor een FVP bijdrage ingediend, welke op 15 sep-tember 2000 is afgewezen. Namens [eiser] is daarte-gen bezwaar gemaakt bij brieven van 10 oktober en 8 november 2000.

1.3. Bij beslissing van 29 november 2000 heeft De Stich-ting ander-maal geweigerd om een uitkering toe te kennen.

1.4. De kantonrechter alhier heeft bij uitspraken van 4 oktober 2000 en 3 januari 2001 in een soortgelijke zaak beslist dat De Stichting de aanvraag in dat geval had dienen te hono-re-ren.

1.5. Bij brief van 9 januari 2001 heeft [eiser] een beslissing gevraagd van de Geschillencommissie daar-toe inge-steld door het bestuur van De Stichting in een Re-glement van Geschillen en Klachten (het Regle-ment). De Geschillencommissie heeft de raadsman van [eiser] bericht de behande-ling van het geschil aan te zullen aanhouden tot de uitspraak in een lopend ge-schil - bedoeld is eerder genoemd ge-schil - bekend was.

1.6. Bij vonnis van de Rechtbank alhier van 13 november 2002 is het voormelde vonnis van 3 januari 2001 vernietigd en de vorderng van betrokkene afgewezen.

1.7. Bij beslissing van 14 maart 2003, verzonden op 23 mei 2003, heeft de Geschillen-commissie "het geschil ongegrond verklaard". De Com-missie heeft verwezen naar evengenoemde uitspraak van de Rechtbank. Daar-tegen heeft [eiser] de onderhavige vordering aan-hanging ge-maakt.

2. [eiser] vordert na wijziging van eis bij vonnis de uitspraak van de Geschillencommissie te vernietigen.

3. De Stichting voert gemotiveerd verweer tegen de vorde-ring.

4. De stellingen van partijen zijn bekend uit hun schriftu-ren en worden als hier ingelast beschouwd.

5. De kantonrechter oordeelt als volgt.

De eerste te beantwoorden vraag is of [eiser] de vorde-ring aanhangig kan maken. Uitgangspunt van de toepasse-lijke wet (de Wet Privatisering FVP) in deze is dat vorderingen van een belanghebbende jegens De Stichting worden beslist door de burger-lijke rechter. De Stichting heeft de Geschillencommissie ingesteld om de belangheb-bende de gelegenheid te geven geschillen voor te leggen aan deze commissie, waarop bij wijze van bindend advies wordt beslist, zoals in het het Reglement uitdrukkelijk is vastge-legd. De burgerlijke rechter mag zo'n advies alleen vernietigen als dit vanwe-ge zijn inhoud of tot standko-ming onaanvaardbaar is.

Vastgesteld moet worden dat de keuze voor de ene of de andere weg geheel vrijwillig is in die zin dat de belang-hebbende eerst hoeft te kiezen als het geschil er ligt. Hij is dus niet gebonden aan de bindend adviesprocedure via een reglement bij de totstand-koming waar-van hij niet of indirect betrokken, maar waaraan hij is gebonden voordat een geschil was gerezen; hij is evenmin gebonden aan de procedure via een afspraak verbor-gen in andere afspraken die hij maakte toen er nog geen geschil voor-lag. [eiser] heeft de keuze voor de Geschillencommissie ook ge-maakt na raad-pleging van een rechtsgeleerd raadsman die geacht mag worden van de regelgeving en jurispruden-tie omtrent het bindend advies op de hoogte te zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] gelet op de gang van zaken in principe gebonden is aan het advies.

Daaraan doet niet af dat De Stichting en de Geschillen-commissie volgens het het Reglement de mogelijkheid is geboden de zaak op kosten van De Stichting, ook waar het de kosten van de belang-hebben-de betreft, alsnog aan de kantonrech-ter voor te leggen, zonder dat de beslissing van de kantonrechter afdoet aan de rechten die de belang-hebbende aan het bindend advies kan ontlenen; dat bete-kent name-lijk niet dat aan de belang-heb-bende de mogelijk-heid moet worden gegeven aan de werking van het bindend advies te ontko-men.

Is [eiser] aan het advies gebonden of is het bindend advies onaan-vaardbaar vanwege zijn inhoud dan wel de wijze van totstandkoming? Daaromtrent overweegt de kan-tonrechter als volgt. [eiser] wist dat de Geschillencom-missie de zaak had aangehouden in afwachting van de uitspraak van de recht-bank alhier. Niet is echter geble-ken dat [eiser], nadat de uitspraak bekend was geworden, in de gelegenheid is gesteld op die uitspraak te reage-ren. Dat had naar het oordeel van de kantonrech-ter wel gemoeten. Voorts is de uitspraak onbruikbaar in het licht van het verweer van [eiser]. Deze gaat immers niet in op een tweetal verwe-ren van [eiser] stoe-lende op de regel-geving van de Euro-pes Unie (EU). In het voetspoor daarvan laat ook de Geschillencommissie dat na. Daarmee is het advies uit het oogpunt van zowel totstandkoming als inhoud onaanvaard-baar. Dit houdt in dat de kantonrechter alsnog het ge-schil ten gronde kan beslissen. Daar-toe zal de kanton-rechter thans over-gaan.

In casu is het volgende aan de orde. In 1972 is door de rijksoverheid een bedrag gevormd door de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind gestort in een fonds, het Fonds Voortzetting Pensioenverzekering. Vanuit dat fonds is, kort gezegd, de voortzetting van de beta-ling van de pensioenpremies voor ten tijde van het diens-tverband bestaande pensioenverzekeringen van werk-lozen vergoed. Het fonds is in 1999 geprivatiseerd inge-volge de Wet Privati-sering FVP. De Stichting is thans met de uit-voering van de voort-zetting door werklo-zen van hun pensi-oenregeling belast.

Aan de orde is allereerst het bijdragereglement. Daaruit zijn van belang de volgende bepalingen:

"Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder:

a. de stichting: de Stichting Financiering Voortzet-ting Pensi-oenverzekering, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering FVP van 2 juli 1998 (Stb. 457);

b. uitvoeringsreglement: het uitvoeringsreglement voort-zetting pensioenopbouw bij werkloosheid 1999; c. pensioenuitvoerder: een onder toezicht van de Pensi-oen- & Verzekeringskamer staand pensioenfonds, of een verzekeraar als bedoeld in artikel 2, vierde lid van de Pensioen- en Spaarfondsenwet;

d. uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werkne-mers-verzekeringen zoals genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e. werkloze werknemer: degene die terzake van de eindi-ging van de dienstbetrekking een door het uit-voeringsinstituut vastgesteld recht heeft op een werk-loosheidsuitkering;

f. werkloze grensarbeider: een werknemer die ter zake van de eindiging van een Nederlandse dienstbe-trekking voor een in Nederland wonende of gevestigde werkgever, een vastgesteld recht heeft verkregen op een werkloosheidsuitkering volgens het stelsel van sociale zekerheid van een lidstaat van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeen-komst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet zijnde Nederland en die tijdens de dienstbe-trekking in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeerde naar zijn woonland;

g. werkloosheidsuitkering:

1. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIA, afde-ling II, van de Werkloosheidswet, zoals die geldt vanaf 1 maart 1995;

2. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk II, afde-ling II, van de Werkloosheidswet, zoals die geldt tot 1 maart 1995;

3. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIA, afde-ling III, van de Werkloosheidswet, zoals die geldt vanaf 1 maart 1995, doch uitsluitend voor de werklo-ze werknemer die op de eerste werkloosheidsdag 57 1/2 jaar of ouder is;

4. een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Werk-loos-heidswet, zoals die geldt tot 1 maart 1995, doch uitsluitend voor de werkloze werknemer die op de eerste werkloosheidsdag 57 1/2 jaar of ouder is;

h. eerste werkloosheidsdag: de dag met ingang waar-van het recht op werkloosheidsuitkering als bedoeld in onderdeel g, onder 1 of 2, ontstaat;

i. werkloosheidsperiode: het tijdvak in kalenderda-gen vanaf de eerste werkloosheidsdag tot en met de laatste dag waarop recht op werkloosheidsuitkering bestaat. (..)

l. pensioenvoorziening: een voorziening terzake van levenslang ouderdoms- of nabestaandenpensioen zoals deze aan de werkloze werknemer in de laatste dienst-be-trekking voorafgaand aan de eerste werkloosheids-dag is toegezegd en waaraan aan-spraken op ouderdoms- of nabestaandenpensioen werden ontleend en die wordt uitgevoerd door een pensioenuitvoerder; (..)

Artikel 2. Voorwaarden voor het recht op voortzet-tings- en inkoopbijdrage

1. Een werkloze werknemer heeft, met inachtneming van de bepalingen in dit reglement, recht op een voortzettingsbijdrage ten behoeve van zijn pensioen-voor-ziening indien:

a.hij voor of op de eerste werkloosheidsdag de 40-jarige leeftijd heeft bereikt en

b.in de laatste dienstbetrekking voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een pensioenvoorziening op hem van toepassing was en

c.hij een aanvraag voor een bijdrage heeft inge-diend op het door de stichting ter beschikking ge-stelde aanvraagformulier. (..)

Artikel 3. Inhoud en vaststelling van het recht op bij-drage

Het recht op bijdrage, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, houdt in het recht op betaling van de door de stichting vastgestelde bijdrage aan de pen-sioenuit-voerder. De voortzettingsbijdrage wordt door de stichting vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 6 en 9. De inkoopbijdrage wordt door de stichting vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 8 en 9.(..)

Artikel 14. Werkloze grensarbeiders

1. Voor de toepassing van dit reglement wordt onder werkloze werknemer mede begrepen werkloze grensar-beider.

2. In afwijking van artikel 1, onderdeel i en j stelt de stichting voor de werkloze grensarbeider de loongerelateerde werkloosheidsperiode en de werk-loosheidsperi-ode vast. De loongerelateerde werkloos-heidsperiode en de werkloosheidsperiode wordt vast-ge-steld overeenkomstig artikel 1, onderdeel i en j, op basis van de door de werkloze grensarbei-der te verstrekken gegevens. Indien de periode, gedurende welke de werkloze grensarbeider een werkloosheids-uitkering in zijn woonland ontvangt, korter is dan de werkloosheidsperiode overeenkomstig artikel 1, onderdeel i, gaat de stichting uit van de werkloos-heidsperiode van het woonland."

Thans artikel 39 van kort gezegd het EU Verdrag bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de gemeenschap vrij is. Volgens lid 2 houdt dit afschaffing in van iedere discriminatie op grond van nationaliteit. Deze bepaling heeft zijn uitwerking onder andere gevonden in de Veror-derning 1612/68. In artikel 5 van deze Verordening is vastgelegd dat de onderdanen van de lidstaten dezelfde fiscale en sociale voorwaarden genieten als de eigen onderdanen.

Uit de Wet Privatisering FVP blijkt duidelijk dat de centrale overheid belangrijke bevoegdheden heeft ten opzichte van het bestuur van De Stichting. Dat is ook begrijpelijk nu het hier gaat om het beheer van met publiekrechtelijk middelen bijeengebracht geld met een publiekrechtelijke bestemming als hoedanig het geven van financiele onder-steuning van gezinnen met kinderen moet worden aangeduid. Dat betekent dat De Stichting in deze als onderdeel van de centrale overheid moet worden be-schouwd en voor haar onder andere de voor de overheid van lidstaat geschreven bepalingen van het recht van de EU gelden. Dat De Stichting dit ook zelf zo ziet blijkt wel hieruit dat zij bij wijzigingsbesluit van 23 sep-tember 1999 na artikel 13 een nieuw artikel 14 heeft toege-voegd met vernummering van de overige artike-len in ver-band met de toelating tot het bijdragereglement van buiten Neder-land in de overige lidstaten van de Europese Unie wonende grensarbeiders.

De vraag rijst nu of een Lidstaat aan eigen onderdanen voordelen mag onthouden, nadat en omdat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht vrij binnen de EU zich te verplaatsen om werkzaamheden te verrichten als in voor-meld arti-kel 39 en bijbehorende bepalingen bedoeld. Naar het oordeel van de kantonrechter moet deze vraag negatief worden beantwoord; dat mag niet. In dit verband wijst de kantonrechter op de doelstellingen van de Ge-meen-schap zoals verwoord in de artikelen 2 en 3 van het EU verdrag welke onder andere in artikel 39 hun uitwer-king hebben gevonden. Een van die doelstellingen is het vrij verkeer van werknemers hetwelk dient te worden bevorderd onder andere door het wegnemen van belemmerin-gen. In dit ver-band wijst de kantonrechter erop dat in de preambule van Verorde-ning 1612/68 voor-noemd onder andere valt te lezen dat het vrije verkeer voor de werknemers en hun familie een funda-menteel recht vormt, dat voorts de mobiliteit der arbeidskrachten in de Gemeenschap een van de middelen moet zijn om aan de werknemer de mogelijkheid tot verbe-tering van zijn le-vensomstandigheden en arbeids-voor-waar-den te waarborgen en de verbetering van zijn sociale positie te vergemakkelij-ken, waardoor terzelfder tijd wordt bijgedragen tot het voldoen aan de behoeften van de economie der Lid-Staten, dat verder het recht van alle werkne-mers van de Lid-Stat-en om de arbeid van hun keuze binnen de Gemeenschap te verrichten moet worden beves-tigd, dat tenslotte dit recht zonder onderscheid moet worden toegekend aan "permanente" werknemers, sei-zoenar-beiders,grensarbeiders of werknemers die arbeid in diens-tverlening verrichten. Al deze doel-stellingen zouden fundamenteel worden ondermijnd als de terugkeer van de werknemer zou worden belemmerd omdat hem alsdan voordelen zouden worden onthouden die landgenoten en onderdanen van lidstaten die de andere kant opgaan wel genieten.

De Stichting heeft erop gewezen dat er aan het onbeperkt toekennen van een FVP uitkering in de situatie waarin [eiser] verkeert problemen zijn verbonden. Die zijn er echter om opgelost te worden en niet om belemmeringen op te werpen. Het belangrijkste punt in deze is dat mogelij-kerwijs niet is voorzien bij het pensioenfonds van [eiser] in de uitslui-ting van de afkoopmogelijkheid. Dat punt werpt De Stich-ting terecht op nu het inderdaad de bedoeling van een FVP uitkering is dat deze te zijner tijd in de vorm van pensioen wordt genoten en niet voor andere direct con-sumptieve bestedin-gen, temeer nu daarmee mogelijkerwijs wordt voorkomen dat [eiser] te zijner tijd een (meer omvangrijk dan nodig) beroep moet doen op de collectieve middelen, terwijl de FVP uitkering uit de publiek middelen reeds werd voldaan. Daar zijn echter oplossingen voor te beden-ken zoals de verplichting op [eiser] ten opzichte van De Stichting en het pensieon-fonds om het pensioen niet af te kopen anders dan voor pensioendoeleinden.

De conclusie moet dan ook zijn dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, echter gelet op de omstan-digheden van het geval in de vorm van een opdracht aan De Stichting om nader te beslissen met in achtneming van deze beslis-sing.

6. Als de in het ongelijk gestelde partij dient De Stichting in de kosten te worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt De Stichting om nader op de aanvraag te besluiten met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen en wel uiterlijk binnen 2 maanden na heden;

II. wijst het meer of anders gevorderde af;

III. veroordeelt De Stichting in de kosten tot op heden be-groot op EUR ** een en ander zoals hieronder aangegeven;

IV. verklaart de veroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.P.A.M. Fruytier, kantonrechter, en uitge-sproken ter open-bare terechtzitting van 18 mei 2004 in tegenwoordig-heid van de grif-fier.

De griffier De kantonrech-ter

Kosten

griffierecht EUR 87,00

dagvaarding EUR 81,16

salaris gemachtigde EUR **

-----------

Totaal EUR **