Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AO7297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
08-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/5448 WW44, AWB 03/6112 WW44, AWB 03/5654 WW44 en AWB 04/129 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter in Amsterdam heeft de de beslissing op het bezwaar tegen bouwvergunnning voor het pand Chicago vernietigd, omdat de bouwvergunning in strijd met de brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit is verleend. Het college van B&W dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In afwachting daarvan is bij wege van voorlopige voorziening de bouwvergunning geschorst tot 6 weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Tegen de uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 8:84 EN 8:86

VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

in de gedingen met reg. nrs: AWB 03/5448 WW44, AWB 03/6112 WW44,

AWB 03/5654 WW44 en AWB 04/129 WW44,

van:

Vereniging Pakhuis Wilhelmina, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster 1,

[verzoekster2]

beiden vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea,

[verzoeker3]

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.C.H. van Dijk.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

Ontwikkelingscombinatie Nieuw Amerika V.O.F. (hierna: OCNA),

gevestigd te Amsterdam,

vergunninghouder,

vertegenwoordigd door mr. M. Wagenaar.

Verzoekers worden afzonderlijk de Vereniging, [verzoekster2] en [verzoeker3] genoemd en gezamenlijk verzoekers.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft op 24 november 2003 een verzoek om een voorlopige voorziening ontvangen van de Vereniging en [verzoekster2] en op 2 december 2003 van [verzoeker3]. Deze verzoeken zijn aangepast bij brieven van 22 december 2003 respectievelijk 9 januari 2004. De verzoekschriften hangen samen met de beroepschriften van 22 december 2003 respectievelijk 9 januari 2004 die zijn gericht tegen een besluit van verweerder van 17 december 2003, kenmerk 200300415/DJZ (hierna: het bestreden besluit) waarin de bezwaren van de vereniging niet-ontvankelijk zijn verklaard, de bezwaren van [verzoekster2] en [verzoeker3] ongegrond zijn verklaard en waarbij het primaire besluit van

2 juni 2003 is gehandhaafd.

Nadat het onderzoek ter zitting van 22 januari 2004 werd gesloten, is het onderzoek bij beslissing van de rechter van 4 februari 2004 weer heropend op grond van artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:68, eerste lid, van de Awb.

Vervolgens is het onderzoek gesloten ter zitting van 25 maart 2004.

2. OVERWEGINGEN

Bij het primaire besluit is aan vergunninghouder, onder verlening van vrijstelling ingevolge artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw op een reeds eerder vergunde parkeergarage, met bestemming tot vier bedrijfsruimtes en drieënnegentig woningen met bijbehorende bergruimtes gelegen aan de Oostelijke Handelskade 29 te Amsterdam. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door de Vereniging, [verzoekster2] en [verzoeker3]. Verweerder heeft in het bestreden besluit de Vereniging niet-ontvankelijk verklaard.

Daartoe is overwogen dat de Vereniging niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van de Awb. Uit de statuten van de Vereniging is op te maken dat de Vereniging opkomt voor de belangen van de huurders van het Pakhuis Wilhelmina (hierna: het Pakhuis) en deze behartigt. Uit jurisprudentie blijkt dat de belangen van de vereniging zelf, in de vorm van een aan de statuten ontleend collectief belang, door een besluit moeten zijn getroffen om aangemerkt te kunnen worden als direct belanghebbende. Het moet gaan om collectieve bovenindividuele belangen. De Vereniging heeft niet zo een collectief bovenindividueel belang, aldus verweerder. [verzoekster2] en [verzoeker3] zijn wel door verweerder in hun bezwaar ontvangen. Hun bezwaar is door verweerder in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het bouwplan voldoet aan de Bouwverordening. Bezwaren met betrekking tot de hoogbouweffectrapportage hadden moeten worden ingediend bij de besluitvorming van het bestemmingsplan. Het bouwplan is door de brandweer akkoord bevonden. Het bouwplan is in overeenstemming met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan met uitzondering van de hoogte van de liftschacht, waarvoor een binnenplanse vrijstelling is verleend. Ook voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand en is er geen strijd met de Monumentenwet en monumentenverordening, aldus verweerder.

In zijn beslissing tot heropening van het onderzoek heeft de voorzieningenrechter - kort samengevat - overwogen dat in de besluitvorming door verweerder het probleem van het zogenaamde "schoorsteeneffect" onvoldoende is behandeld, zodat er de nodige twijfels bestaan over de brandveiligheid. Verder oordeelde de voorzieningenrechter dat de nieuwbouw dient te worden getoetst aan het Bouwbesluit in relatie met het overbouwde gebouw. Teneinde deze aspecten nader te onderzoeken werd verweerder in de gelegenheid gesteld om aanvullende deskundigenrapporten over te leggen.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De rechter heeft daarbij met name overwogen dat - zoals uit het navolgende zal blijken - verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard en dat besluit ook berust op een ontoereikende motivering. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

De rechter constateert dat verweerder de deskundigenrapporten, opgemaakt naar aanleiding van de heropening van het onderzoek, niet tijdig aan de rechtbank heeft toegestuurd. Deze rapporten zullen bij de beoordeling van het geding dan ook buiten beschouwing worden gelaten, voor zover onderdelen daarvan niet ter zitting zijn besproken en met goedkeuring van partijen aan het proces verbaal zijn gehecht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van de Vereniging.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Een rechtspersoon dient getroffen te zijn in een eigen - de entiteit rakend - belang. Bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, Awb moet het gaan om een aan de statutaire doelstellingen ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van bovenindividuele belangen.

Uit de stukken en de statuten blijkt dat de Vereniging het in de ruimste zin van het woord behartigen van en opkomen voor de belangen van de huurders van de werkruimten van het Pakhuis, alsmede het instandhouden van het Pakhuis als werkgemeenschap ten doel heeft. Zij tracht dit doel te bereiken door - onder meer - het verrichten van al hetgeen met het doel van de Vereniging in verband staat of daartoe bevorderlijk kan zijn. Naar het oordeel van de rechter zijn de door de Vereniging aan de orde gestelde aspecten, met name die met betrekking tot de brandveiligheid en de lichtinval van de ateliers, naar hun aard van zodanig belang voor het voortbestaan van het Pakhuis als werkgemeenschap in haar huidige vorm, en daarmee van de Vereniging zelf, dat de Vereniging voldoende rechtstreeks in haar statutaire doelstelling is getroffen in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, om in het onderhavige verzoek te kunnen worden ontvangen. Het beroep zal in zoverre gegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep van verzoekers.

Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 44 van de Woningwet mag en moet een bouwvergunning alleen worden geweigerd, indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bouwwerk in strijd is met het geldende bestemmingsplan, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

De rechter dient de vraag te beantwoorden of verweerder de verleende bouwvergunning

terecht heeft gehandhaafd.

Ten aanzien van de gestelde strijd met het bestemmingsplan.

Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan 'Oostelijke Handelskade' waarbij het betreffende terrein is aangewezen voor 'stedelijke functies IV'. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan voorzover het betreft de hoogte van de liftschacht. Middels artikel 11, aanhef en onder derde van de bestemmingsplanbepalingen is binnenplanse vrijstelling verleend van artikel 3, derde lid, van de bestemmingsplanvoorschriften.

Verzoekers stellen dat de bouwvergunning moet worden vernietigd omdat deze is verleend in strijd met het bestemmingsplan. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de op de van het bestemmingsplan deel uitmakende kaart II aangegeven bouwgrens aanzienlijk wordt overschreden. Verzoekers baseren zich hierbij op een stippellijn op een dwarsdoorsnede van de plankaart.

Het beroep van verzoekers gaat niet op. Niet gebleken is immers dat het bestreden gebouw op grond van de plankaart niet binnen het daarvoor aangewezen bestemmingsvlak mag worden gerealiseerd. Het feit dat zich op een dwarsdoorsnede van de plankaart een niet nader aangeduide stippellijn bevindt doet niet ter zake, nu de bewuste stippellijn op de plankaart zelf niet is aangegeven en de plankaart in deze van doorslaggevende betekenis moet worden geacht.

Ten aanzien van gestelde strijd met de bouwverordening

De bouwvergunning moet ingevolge artikel 44, eerste lid onder b, van de Woningwet worden getoetst aan de Bouwverordening 2003 (Gem.blad 2003, afd. 1, nr. 191, hierna: de Verordening). Ingevolge artikel 2.5.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening mogen er - kort gezegd - tussen gebouwen geen tussenruimtes ontstaan die niet toegankelijk zijn. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan verweerder hiervan ontheffing verlenen, mits er voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

Verzoekers hebben in het bezwaarschrift en ter zitting gesteld dat ter plaatse van de ten behoeve van de overbouw te realiseren consoles tussen de onderkant ervan en het dak van het Pakhuis vier ontoegankelijke ruimtes ontstaan van ongeveer 45 tot 60 centimeter. Deze ruimtes zullen ter plaatse onderhoud en reparaties aan het dak van het Pakhuis in geval van lekkages op ontoelaatbare wijze bemoeilijken, aldus verzoekers.

De rechter kan het standpunt van verzoekers niet onderschrijven. Verweerder heeft ter zitting immers aangegeven dat de consoles ongeveer 1 meter breed zullen zijn. Hiervan uitgaande is naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde ruimte onder deze consoles onvoldoende zou zijn voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden aan het dak van het Pakhuis. Dat de consoles niet 1 maar 1,2 meter breed zouden zijn, zoals door verzoekers ter zitting betoogd, doet aan dit oordeel niet af. Verweerder is dan ook tot het oordeel kunnen komen dat deze ruimtes niet ontoegankelijk zijn in de zin van artikel 2.5.17, eerste lid aanhef en onder b. van de Verordening, zodat de in het bestreden besluit getrokken conclusie dat geen strijd is met de Bouwverordening stand houdt. De rechter merkt daarbij op dat het besluit op dit punt wel een deugdelijke - op de argumenten van verzoekers toegespitste - motivering ontbeert.

Ten aanzien van de gestelde strijd met het Bouwbesluit 2003

Artikel 2, eerste lid, van de Woningwet verplicht de wetgever om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van - onder meer - veiligheid en gezondheid technische voorschriften vast te stellen waar bij het bouwen van een bouwwerk tenminste aan moet zijn voldaan. Aan deze verplichting heeft de wetgever uitvoering gegeven met de vaststelling van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit).

Ingevolge de systematiek van het Bouwbesluit geeft het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling het kader (het beoordelingsaspect) aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste lid van een artikel bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan, indien er aan de prestatie-eisen wordt voldaan die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de aansturingstabellen. In enkele situaties is in het derde lid bepaald dat de functionele eis niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen voorschrift is aangewezen. Indien het eerste artikel van de paragraaf géén derde lid heeft, geldt de functionele eis ook voor de gebruiksfuncties waarvoor geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dat geval geldt dat ten genoegen van burgemeester en wethouders moet worden aangetoond, dat voldaan is aan de functionele eis.

In de Woningwet heeft de wetgever een uitputtende regeling gegeven met betrekking tot de bouwregelgeving. Uit dat systeem van de Woningwet volgt dat burgemeester en wethouders zelf geen eisen mogen stellen. Wel voorziet het Bouwbesluit in artikel 1.5 in de mogelijkheid om, mits binnen het kader van de functionele eis wordt gebleven, af te wijken van de in het besluit gegeven prestatie-eisen. Blijkens de "Nota van toelichting" kan afwijking van de prestatie-eisen wenselijk of zelfs noodzakelijk zijn in verband met bijvoorbeeld de aard van het betreffende bouwwerk of plaatselijke omstandigheden, dan wel in verband met toepassing van innovatieve materialen of constructies die worden toegepast.

Uit op de hiervoor weergegeven systematiek volgt naar het oordeel van de rechter dat burgmeester en wethouders bij de interpretatie van de regelgeving steeds moeten nagaan of aan het doel van Bouwbesluit zoals neergelegd in de functionele eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid, wordt beantwoord.

Daglichttoetreding.

Verzoekers hebben in dit kader gesteld dat door de uitvoering van het vergunde plan de daglichttoetreding - essentieel voor het vak van kunstenaar - ernstig zal worden belemmerd.

Aan de voorzieningenrechter is gebleken dat de daglichttoetreding in het Pakhuis als gevolg van de nieuwbouw Chicago in aanmerkelijke mate wordt belemmerd. De bebouwingsmogelijkheden ter plaatse worden echter bepaald door het vigerende bestemmingsplan "Oostelijke Handelskade", waartegen verzoekers destijds niet zijn opgekomen.

Ten aanzien van de gestelde strijd met het Bouwbesluit wordt overwogen dat gelet op artikel 3.134, vierde lid, onder a, (ten aanzien van nieuwbouw) en artikel 3.136, derde lid onder a. (ten aanzien van bestaande bouw) van het Bouwbesluit bij berekening van de equivalente daglichttoetreding geen rekening behoeft te worden gehouden met een niet op het eigen perceel gelegen bouwwerk. Het bouwplan is dan ook op dit punt niet in strijd met het Bouwbesluit.

Brandveiligheid.

Verzoekers hebben gesteld dat niet wordt voldaan aan alle brandveiligheidseisen als vastgelegd in het Bouwbesluit. Zij stellen daartoe - kort samengevat en onder meer - dat verweerder aan zijn primaire besluit het advies inzake brandveiligheid van adviesbureau Nieman B.V. (hierna: adviesbureau Nieman) ten grondslag heeft gelegd. Dit advies is gebaseerd op onvolledig onderzoek naar de brand- en vluchtveiligheid. Zo is geen onderzoek gedaan naar het zogenaamde "schoorsteeneffect" en blijkt er ten onrechte te zijn uitgegaan van brandwerende eigenschappen van het dak van het Pakhuis, eigenschappen die het Pakhuis niet bezit. Zowel adviesbureau Nieman alsook het door verzoekers ingeschakelde adviesbureau V2BO en de deskundige J.C.M. Van Gool hebben geconcludeerd dat er aanvullende veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid, aldus verzoekers.

Verweerder heeft aangevoerd - kort samengevat - dat het bouwplan voldoet aan (de brandveiligheidsvoorschriften van) het Bouwbesluit. Het Certificaat van Technische Goedkeuring, waarin de bestandheid tegen vliegvuur is opgenomen, is overgelegd en het bouwplan is door de brandweer akkoord bevonden. Uit de rapportage van TNO-Bouw

zoals door verweerder nader toegelicht ter zitting met een door dr.ir N.P.M. Scholten, coördinator bouwregelgeving van TNO Bouw opgestelde pleitnotitie, blijkt weliswaar dat de overhangende noordgevel van het bouwplan nog niet geheel aan de brandveiligheidseisen voldoet, doch dit staat aan vergunningverlening niet in de weg. De vraag of het Pakhuis aan de (brandveiligheids)voorschriften van het Bouwbesluit voldoet, dient gelet op de bepalingen omtrent de spiegelsymmetrie niet in het kader van onderhavige vergunningverlening maar separaat te worden beoordeeld. Uitsluitend het voorliggende (nieuw)bouwplan moet aan het Bouwbesluit worden getoetst en niet het belendende Pakhuis, aldus verweerder.

De rechter constateert allereerst dat zowel de deskundigen van het door OCNA ingeschakelde adviesbureau Nieman als die van het door verzoekers ingeschakelde bureau V2BO blijkens hun rapportage en de toelichting ter zitting van oordeel zijn dat er door de constructie van het gebouw - met name de overbouw van Chicago boven het Pakhuis - bijzondere gevaren zijn van brandontwikkeling en brandoverslag van het ene naar het andere gebouw (het zogeheten "schoorsteeneffect"). Bij de deskundigen die aanwezig waren ter zitting was geen - uit oogpunt van brandveiligheid - soortgelijke situatie in Nederland bekend. De deskundige ir. R.A.P. van Herpen, verbonden aan adviesbureau Nieman, heeft daarbij aangegeven dat gelet op de specifieke situatie bij beoordeling van de brandveiligheideisen wellicht een realistischer situatie zou ontstaan als beide panden worden beoordeeld als één gebouw. Ook de rechter is gelet op de voorlichting van de deskundigen tot het oordeel gekomen dat zich hier uit oogpunt van brandveiligheid een bijzondere situatie voordoet, waarbij het de vraag is of - zoals hierna zal worden overwogen - de normering van het Bouwbesluit een adequate oplossing biedt om het door de Woningwet en Bouwbesluit beoogde doel - een brandveilig gebouw - te realiseren.

De rechter overweegt voorts dat het Pakhuis in 2001 overeenkomstig een bouwvergunning is verbouwd en voldoet aan de daarin gestelde eisen. Wat betreft de aan de vergunning te stellen brandveiligheidseisen, werd uitgegaan van een identiek, doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelgrens gelegen gebouw. De as van de symmetrie lag destijds in het midden van de toen nog aan het Pakhuis grenzende openbare weg. Omdat de as meer dan 2 meter van de gevel aflag, en dit ook voor de andere kant van de weg gold, was de totale afstand dusdanig dat er geen brandoverslag kon plaatsvinden. Op grond van het Bouwbesluit zijn bij die verbouwing aan de gevel van het Pakhuis dan ook geen nadere eisen gesteld aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

Nadien heeft verweerder de openbare weg opgeheven en de perceelsgrens verlegd tot aan de gevel van het Pakhuis. De as van de spiegelsymmetrie viel daarmee niet langer samen met het midden van de weg, maar met de zuidgevel. Het bestreden bouwplan voorziet in het optrekken van een noordgevel op ongeveer 2,65 meter van de zuidgevel van het Pakhuis alsmede in een op consoles rustende overbouw van het Pakhuis. Daarbij is ten behoeve van de overbouw een erfdienstbaarheid gevestigd op het perceel van het Pakhuis. De realisatie van het bouwplan zou betekenen dat de voorheen brandveilige staat van het Pakhuis feitelijk achterhaald is. Deze conclusie wordt door de deskundigen van adviesbureau Nieman en TNO-Bouw onderschreven, waarbij zij er op wijzen dat vooral het gevaar van brandoverslag van het Pakhuis naar Chicago groot is. Volgens de deskundige Van Herpen zou met name bij branddoorslag door het dak van het Pakhuis zulk een grote stralingshitte kunnen optreden dat de galerij van de nieuwbouw geen veilige vluchtroute zou beteken voor de bewoners van de nieuwbouw Chicago en deze in de val zitten. Daarbij strijden de deskundigen voorts over de vraag of gelet op de vigerende regelgeving en het terzake geldende beleid de eigenaar van het Pakhuis kan worden aangeschreven om aan aangepaste eisen ten aanzien van brandwerendheid en branddoorslag te voldoen. Dat laatste wordt bepleit door verweerder, die daarbij is afgegaan op hetgeen door TNO-Bouw is gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt het uitgangspunt van verweerder dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van het Pakhuis niet terzake doet omdat slechts de nieuwbouw kan worden getoetst aan het Bouwbesluit zich in deze situatie niet met de tekst en strekking van het Bouwbesluit. Daartoe wordt overwogen dat in artikel 2.103, eerste lid, van de afdeling 2.13 van het Bouwbesluit (de afdeling "Beperking van uitbreiding van brand") als functionele eis is bepaald dat "een te bouwen bouwwerk zodanig is dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt". Weliswaar bepaalt het tweede lid van artikel 2.103 dat aan de in het eerste lid gestelde eis is voldaan door toepassing van de tabel behorend bij dat artikel, doch uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het oordeel van de deskundigen is weergegeven, blijkt naar het oordeel van de rechter dat strikte toepassing van de tabel er feitelijk niet toe leidt dat aan de functionele eis wordt voldaan.

Tevens is in artikel 2.105 in dezelfde afdeling van het Bouwbesluit bepaald dat een brandcompartiment zich over niet meer dan een perceel uitstrekt. Een brandcompartiment is daarbij ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit gedefinieerd als gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van een brand. Vaststaat dat de overbouw zich uitstrekt over het perceel van het Pakhuis. Nu niet is gebleken dat de overbouw een apart brandcompartiment betreft, houdt de rechter het ervoor dat het bouwplan als een brandcompartiment moet worden beschouwd, zodat het bouwplan in dit opzicht in strijd is met het Bouwbesluit. Daarbij wordt aangenomen dat, anders dan van de zijde van verweerder en TNO is betoogd, de perceelsgrens zich in verticale lijn langs de zuidgevel van het Pakhuis naar boven doorzet, derhalve - overeenkomstig de gevestigde erfdienstbaarheid - dwars door de geplande nieuwbouw. Bij gebreke van een definitie van perceelsgrens in het Bouwbesluit acht de rechter dit de meest voor de hand liggende uitleg.

Uit het voorgaande volgt tevens dat verweerders standpunt, dat hij bij toepassing van artikel 2.106 van het Bouwbesluit, betreffende de bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, gelet op het bepaalde in het vijfde lid van dat artikel, geen rekening heeft behoeven te houden met het Pakhuis, onjuist is. Zoals hiervoor is overwogen, gaat dit standpunt uit van een onjuiste visie ten aanzien van de ligging van de perceelsgrens. De rechter is van oordeel dat daardoor het beginsel van de spiegelsymmetrie in het onderhavige geval niet op de door verweerder voorgestane wijze kan worden toegepast. Dit sluit ook aan bij het door de deskundige Van Herpen van adviesbureau Nieman weergegeven standpunt dat de twee gebouwen in het kader van de brandveiligheid in feite als één gebouw moeten worden gezien. Bovendien is verweerder er aan voorbij gegaan dat door de geringe ruimte tussen de nieuwbouw en de zuidgevel en dak van het Pakhuis, de veiligheidssituatie van de nieuwbouw zodanig verweven is met die van het Pakhuis, dat hij niet had kunnen volstaan met het enkel toetsen van de nieuwbouw aan het Bouwbesluit. Ook in deze zin is het bouwplan dan ook in strijd met het Bouwbesluit.

Overige aspecten.

Ter zitting is gebleken dat de door verzoekers geuite grief dat geen - goedgekeurd - bouwveiligheidsplan voor de bouw aanwezig is inmiddels achterhaald is, nu door verweerder inmiddels een dergelijk plan is goedgekeurd.

Gezien het voorgaande behoeven de overige gronden geen verdere bespreking en moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid in de zin van artikel 3:2 van de Awb en een deugdelijke motivering, als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb, ontbeert. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van verzoekers met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en over te gaan tot schorsing van het primaire besluit van 2 juni 2003. In het kader van de belangenafweging tussen de verschillende partijen is de rechter van oordeel dat aan het aspect van de brandveiligheid van personen en goederen een zo groot belang moet worden gehecht, dat niet verder mag worden gebouwd, totdat in het kader van de door verweerder opnieuw uit te voeren heroverweging in bezwaar voor de gerezen brandveiligheidsproblematiek een oplossing is gevonden. Mede gelet op het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb wordt aan de voorlopige voorziening een termijn verbonden. De verleende bouwvergunning zal dan ook worden geschorst tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift.

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van verzoekers de Vereniging en [verzoekster2], welke zijn begroot op € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting van 21 januari 2004 en 25 maart 2004). Tevens dient het door hen betaalde griffiegeld, te weten € 232,00 in de hoofdzaak en € 232,00 in het verzoek om een voorlopige voorziening te worden vergoed. Andere kosten die op de voet van artikel 1 het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking zouden komen voor vergoeding, zijn door hen niet gevorderd.

Aan verzoeker [verzoeker3] dient het door hem betaalde griffiegeld te worden vergoed, te weten € 116,00 in de hoofdzaak en € 116,00 in het verzoek om een voorlopige voorziening. Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van hem niet gebleken.

4. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 17 december 2003, met referentie 200300415/DJZ;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- schorst het primaire besluit van 2 juni 2003 tot 6 weken na de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift;

- veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers de Vereniging en [verzoekster2], begroot op € 1288,00 (zegge: twaafhonderdachtentachtig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekers;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht van € 464,00 (zegge:vierhonderdvierenzestig euro) aan verzoekers de Vereniging en [verzoekster2] vergoedt;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht van € 232,00 (zegge tweehonderdtweeëntwintig euro) aan verzoeker [verzoeker 3] vergoedt.

Gewezen door mr. M de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier,

en openbaar gemaakt op:

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC:C