Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AO6337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
13/037830-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdacht daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 26 maart 2004

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, extra meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[A., A.M.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op

het [adres] te [woonplaats] en aldaar feitelijk verblijvende.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 en 12 maart 2004.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 11 maart 2004 gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

-2- Parketnummer: [nummer] A.

2. Voorvragen

De aard van de telastelegging en de geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de dagvaarding nietig is, dan wel in elk geval partieel nietig moet worden verklaard om de volgende redenen:

a. De dagvaarding, zoals die in zijn gewijzigde vorm is komen te luiden, bevat een aantal strafrechtelijke verwijten die via de zogenaamde 'en/of-constructie' cumulatief, dan wel alternatief aan verdachte ten laste zijn gelegd naar aanleiding van een en dezelfde feitelijke gebeurtenis. De stelling van het OM dat het hier louter een alternatieve telastelegging betreft is, ook na toelichting bij repliek, onbegrijpelijk, zodat niet langer inzichtelijk is wat verdachte nu precies wordt verweten.

b. De wijze waarop het OM in de gewijzigde dagvaarding feitelijk invulling heeft gegeven aan de rol die verdachte zou hebben gespeeld bij de aan hem (onder meer) verweten openlijke geweldpleging is op onderdelen onbegrijpelijk. Zo valt niet in te zien hoe iemand in zijn eentje een ander kan 'omsingelen' of 'insluiten'. Verder is zonder nadere omschrijving in de telastelegging van eventuele specifieke omstandigheden niet inzichtelijk waarom het enkele 'niet verhinderen of temperen of beëindigen of het zich niet distantiëren van gewelddadige handelingen' op zichzelf strafrechtelijk relevant zou zijn en derhalve zou kunnen bijdragen aan het verwijt van openlijke geweldpleging.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Ad a.

Anders dan het OM is de rechtbank van oordeel dat een zogenaamde "en/of-telastelegging", zoals die wordt gebezigd in de onderhavige (gewijzigde) dagvaarding, primair het karakter heeft van een cumulatieve telastelegging. Dat wil zeggen dat het OM daarmee te kennen geeft in beginsel aan te sturen op een veroordeling voor meerdere feiten, ook als dat, zoals in deze zaak, strafrechtelijke varianten zijn van hetzelfde feitelijke verwijt. Dit volgt eenvoudig uit het verbindingswoord "en". Het eveneens toegevoegde verbindingswoord "of" kan daar niet aan afdoen. Ten hoogste wordt met dat laatste bij voorbaat een zekere berusting van het OM uitgedrukt, voor het geval de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van alle telastegelegde varianten mocht komen. Dat maakt nog niet, zoals het OM ter zitting heeft gesteld, dat het de rechtbank vrij staat om naar believen een keuze te maken uit die verschillende strafrechtelijke verwijten. Het is immers exclusief aan het OM om de omvang van de rechtsstrijd te bepalen door het verwijt of de verwijten te formuleren waarvoor verdachte zich moet verantwoorden en waarover de rechtbank vervolgens moet oordelen. Dat betekent dat de rechtbank ten aanzien van elk van de als "en/of" telastegelegde varianten zal moeten bezien of zich daarvoor wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt en op grond daarvan ofwel tot een bewezenverklaring ofwel tot een vrijspraak moeten besluiten.

In zijn algemeenheid kan dit al snel leiden tot een meervoudige strafrechtelijke duiding van een en dezelfde gebeurtenis die onnodig ingewikkeld aandoet en doorgaans weinig tot geen praktische waarde heeft.

-3- Parketnummer: [nummer] A.

Dat neemt niet weg dat de wet wel degelijk de ruimte biedt om dagvaardingen op deze manier vorm te geven. En in onderling verband met het dossier bezien kan in alle redelijkheid niet worden gesteld dat uit de dagvaarding in het geheel niet valt te begrijpen wat verdachte, cumulatief dan wel alternatief, wordt verweten. Ondanks de door het OM geschapen verwarring over de aard van de telastelegging is de raadsman van verdachte dan ook zeer wel in staat gebleken een adequate verdediging te voeren. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de dagvaarding nietig te verklaren.

Ad b.

Ook de overige bezwaren tegen de dagvaarding zijn op zichzelf terecht naar voren gebracht, maar leiden niet tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Zo maakt het feit dat de dagvaarding taalkundige ongerijmdheden bevat nog niet dat verdachte niet kan begrijpen wat hem wordt verweten. Wel kan dit consequenties hebben voor de vraag wat er in deze zaak precies bewezen kan worden.

Hetzelfde geldt voor het bezwaar dat daar waar het OM de rol van verdachte bij de openlijke geweldpleging feitelijk heeft willen omschrijven, het daarin onvoldoende specifiek is geweest. Wat dat laatste betreft merkt de rechtbank nog op dat een telastelegging van openlijke geweldpleging uit wettelijk oogpunt reeds voldoende is verfeitelijkt, indien daarin, zoals in de onderhavige dagvaarding, is omschreven uit welke feitelijke handelingen het gepleegde geweld bestond.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

Op 6 oktober 2003 rond 20.32 uur loopt [slachtoffer] in de passage tussen het Marie Heinekenplein en de 1e Van der Helststraat te Amsterdam. In de passage zijn onder meer, tegenover elkaar, de supermarkt van Dirk van den Broek en de slijterij Dirk III gevestigd.

[slachtoffer] gaat bij Dirk III naar binnen, pakt een blikje bier en betaalt dit. Ze krijgt geen kassabon noch wisselgeld. Ze verlaat de winkel van Dirk III en loopt richting de 1e Van der Helststraat. [slachtoffer] passeert in de passage [J.D.], een medewerker van Dirk van den Broek. [D.] is op dat moment niet in dienst en niet gekleed in een Dirk van den Broek uniform. [D.] staat met zijn rug naar Dirk III. [slachtoffer] komt voor [J.D.] van rechts en passeert hem voorlangs. [slachtoffer] loopt naar de uitgang van de passage aan de 1e Van der Helststraat.

[D.], die [slachtoffer] uit Dirk III ziet komen en haar ziet lopen met een blikje bier, controleert niet bij Dirk III of [slachtoffer] dit heeft afgerekend.

[D.] loopt naar kassa 15 van de Dirk van den Broek supermarkt en waarschuwt een of meer in dienst zijnde medewerkers van Dirk van den Broek, waarop in elk ge[J.] en even later [S.B.], beiden gekleed in het Dirk van den Broek uniform -bestaande uit in elk geval een zwarte broek, zwarte schoenen en een meerkleurig vestje- naar hem toekomen.

[D.] meldt hen:"dat was zij van de vorige keer".

-4- Parketnummer: [nummer] A.

De rechtbank begrijpt dat [D.] hiermee refereert aan het incident op 5 juli 2003 waarbij [D.] en [J.] achter een winkeldief zijn aangerend en bij de aanhouding van die winkeldief werden uitgescholden door [slachtoffer]. Dit wordt bevestigd door [getuige], die bij de politie verklaart dat [D.] op 7 oktober 2003 in een telefoongesprek het volgende tegen hem zei:

"Ja, in de zomer hadden wij een aanhouding van een dief. Er was toen een vrouw bij die ons uitschold voor kutbuitenlanders, kutmarokkanen en woorden van gelijke strekking. Gisteren was de vrouw na een tijdje weer terug bij Dirk. We hadden gezien dat de vrouw wat had gestolen en wij wilden haar graag aanhouden. Wij wilden haar terugpakken voor wat zij eerder tegen ons had gezegd."

[D.] en [J.] verlaten de passage en rennen achter [slachtoffer] aan, gevolgd door [B.]. Deze laatste wordt gevolgd door [M.O.], [K.L.], [M.G.], [O.H.], [A.M.] en [A.A.]. Deze laatste groep jongens was op dat moment aanwezig in of bij de passage.

Met uitzondering van [A.] kan worden gesteld dat ieder van deze jongens achter [D.], [J.] en [B.] aan renden.

Op de hoek van de 1e Van der Helststraat en het Gerard Douplein wordt [slachtoffer] aangesproken door [J.] en [D.]. [slachtoffer] wordt aangesproken voor café 't Paardje op het Gerard Douplein ter hoogte van de lantaarnpaal (zie de foto op pagina 789 van het dossier).

Tijdens het aanspreken sluit [B.] zich bij hen aan, alsmede in ieder geval [O.], [G.] en [L.]. In elk geval deze groep van zes jongens staat op dat moment bij [slachtoffer].

[slachtoffer] loopt vervolgens een stukje weg van de groep in de richting van de Albert Cuypstraat. Daarbij roept zij in ieder geval naar de groep : "kutmarokkanen" en "jullie krijgen mij niet klein" of woorden van gelijke aard en/of strekking.

Daarop wordt vanuit de zojuist omschreven groep van zes jongens door iemand geroepen: "wat kutmarokkanen" en door iemand anders:"hou je bek en doorlopen". Door een of meer anderen is vervolgens onder andere "trut" geroepen.

Hierop pakt [B.] een terrasstoel en gooit deze in de richting van [slachtoffer]. De stoel raakt haar niet. [slachtoffer] pakte deze stoel op, loopt daarmee in de richting van de groep en gooit die naar de groep.

Op dat moment sluit [M.] zich bij de hiervoor omschreven groep van zes jongens aan. [M.] ziet de stoel in zijn richting komen en pakt een andere terrasstoel. Hij weert hiermee de gegooide stoel af. Daarop laat [M.] zich weer iets terugzakken. Uit de verklaringen in het dossier blijkt dat [M.] daarna niet meer op het Gerard Douplein is waargenomen. Evenmin blijkt [A.] op enig moment op het Gerard Douplein te zijn waargenomen.

Vanuit de groep wordt dan door meerdere jongens gescholden, waarbij onder andere de woorden "junkie" en "fuck you" zijn gebruikt.

Na het gooien van de stoel lopen de eerder genoemde zes jongens als groep naar voren, richting [slachtoffer]. Vooraan in die groep bevinden zich in elk geval [B.] en [G.].

[B.] trapt [slachtoffer] dan tegen haar lichaam, waardoor zij komt te vallen.

-5- Parketnummer: [nummer] A.

Als zij op de grond ligt stapt [G.] naar voren en schopt [slachtoffer] tenminste twee keer tegen het bovenlichaam. Ook tijdens het schoppen door [G.] wordt er van uit de groep geschreeuwd, gescholden, gelachen en gejoeld.

Nadat de groep is teruggekeerd in de richting van Dirk van den Broek wordt [slachtoffer] door twee voorbijgangers op het Gerard Douplein gevonden. Zij wordt op een stoel geholpen. Kort nadat de politie arriveert verliest [slachtoffer] het bewustzijn. Zij wordt met spoed overgebracht naar het OLVG-ziekenhuis, waar zij korte tijd later overlijdt.

Uit het sectierapport blijkt later dat de doodsoorzaak is gelegen in een verbloeding ten gevolge van een gescheurde milt.

Uit het vorenstaande volgt dat [G.], [B.], [O.], [L.], [D.] en [J.] zich in elk geval schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer], waarbij het aandeel van [G.] en [B.] met name heeft bestaan uit de feitelijke geweldshandelingen, terwijl de significante bijdrage van [O.], [L.], [D.] en [J.] heeft bestaan uit het getalsmatig versterken van de groep, het zich niet distantiëren van de groep en het zich als een groep naar voren bewegen richting [slachtoffer], nadat zij de terrasstoel had teruggegooid. Daarnaast bestond die significante bijdrage aan het openlijke geweld ook uit het schreeuwen, schelden, joelen en lachen van de groep. De ervaring leert dat dit moet hebben bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin [G.] en [B.] tot hun gewelddaden zijn gekomen. Weliswaar kan van de vier genoemde jongens, [O.], [L.], [D.] en [J.], niet ieder afzonderlijk worden vastgesteld of zij zich hieraan persoonlijk schuldig hebben gemaakt, maar voor de rechtbank staat vast dat zij ieder deel hebben uitgemaakt van de groep van waaruit bij voortduring door meerdere jongens is geschreeuwd, gescholden, gejoeld en gelachen, zodat dit onder de gegeven, specifieke omstandigheden van deze zaak, zoals hiervoor geschetst, aan ieder van hen kan worden toegerekend.

Niet is gebleken dat verdachte zelf enige geweldshandeling heeft verricht. Uit het voorgaande volgt tevens dat ten aanzien van [M.] en [A.] ook geen significante bijdrage aan het openlijke geweld tegen [slachtoffer] kan worden vastgesteld, nu niet is gebleken dat zij zich op het Gerard Douplein in de groep die zich tegen [slachtoffer] richtte hebben bevonden.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de telastegelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer]. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het hiervoor overwogene tevens voortvloeit dat verdachte zich evenmin heeft schuldig gemaakt aan hetgeen overigens cumulatief, dan wel alternatief ten laste wordt gelegd.

De rechtbank acht het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

-6- Parketnummer: [nummer] A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A. Schimmel, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en R. de Ruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2004.