Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AO6316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
13/037829-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2004/167
NbSr 2004/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 26 maart 2004

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, extra meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[G.,M.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op

het [adres] te [woonplaats],

gedetineerd in het [Huis van Bewaring].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 januari 2004, 11 maart 2004 en 12 maart 2004.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 11 maart 2004 gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

-2- Parketnummer: [nummer] G.

2. Voorvragen

----

3. Waardering van het bewijs

3.1. Algemeen:

De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

Op 6 oktober 2003 rond 20.32 uur loopt [slachtoffer] in de passage tussen het Marie Heinekenplein en de 1e Van der Helststraat te Amsterdam. In de passage zijn onder meer, tegenover elkaar, de supermarkt van Dirk van den Broek en de slijterij Dirk III gevestigd.

[slachtoffer] gaat bij Dirk III naar binnen, pakt een blikje bier en betaalt dit. Ze krijgt geen kassabon noch wisselgeld. Ze verlaat de winkel van Dirk III en loopt richting de 1e Van der Helststraat. [slachtoffer] passeert in de passage [J.D.], een medewerker van Dirk van den Broek. [D.] is op dat moment niet in dienst en niet gekleed in een Dirk van den Broek uniform. [D.] staat met zijn rug naar Dirk III. [slachtoffer] komt voor [J.D.] van rechts en passeert hem voorlangs. [slachtoffer] loopt naar de uitgang van de passage aan de 1e Van der Helststraat.

[D.], die [slachtoffer] uit Dirk III ziet komen en haar ziet lopen met een blikje bier, controleert niet bij Dirk III of [slachtoffer] dit heeft afgerekend.

[D.] loopt naar kassa 15 van de Dirk van den Broek supermarkt en waarschuwt een of meer in dienst zijnde medewerkers van Dirk van den Broek, waarop in elk geval [S.J.] en even later [S.B.], beiden gekleed in het Dirk van den Broek uniform -bestaande uit in elk geval een zwarte broek, zwarte schoenen en een meerkleurig vestje- naar hem toekomen.

[D.] meldt hen:"dat was zij van de vorige keer".

De rechtbank begrijpt dat [D.] hiermee refereert aan het incident op 5 juli 2003 waarbij [D.] en [J.] achter een winkeldief zijn aangerend en bij de aanhouding van die winkeldief werden uitgescholden door [slachtoffer]. Dit wordt bevestigd door [getuige], die bij de politie verklaart dat [D.] op 7 oktober 2003 in een telefoongesprek het volgende tegen hem zei:

"Ja, in de zomer hadden wij een aanhouding van een dief. Er was toen een vrouw bij die ons uitschold voor kutbuitenlanders, kutmarokkanen en woorden van gelijke strekking. Gisteren was de vrouw na een tijdje weer terug bij Dirk. We hadden gezien dat de vrouw wat had gestolen en wij wilden haar graag aanhouden. Wij wilden haar terugpakken voor wat zij eerder tegen ons had gezegd."

[D.] en [J.] verlaten de passage en rennen achter [slachtoffer] aan, gevolgd door [B.]. Deze laatste wordt gevolgd door [M.O.], [K.L.], [M.G.], [O.H.], [M.] en [A.A.]. Deze laatste groep jongens was op dat moment aanwezig in of bij de passage.

Met uitzondering van [A.] kan worden gesteld dat ieder van deze jongens achter [D.], [J.] en [B.] aan renden.

-3- Parketnummer: [nummer] G.

Op de hoek van de 1e Van der Helststraat en het Gerard Douplein wordt [slachtoffer] aangesproken door [J.] en [D.]. [slachtoffer] wordt aangesproken voor café 't Paardje op het Gerard Douplein ter hoogte van de lantaarnpaal (zie de foto op pagina 789 van het dossier).

Tijdens het aanspreken sluit [B.] zich bij hen aan, alsmede in ieder geval [O.], [G.] en [L.]. In elk geval deze groep van zes jongens staat op dat moment bij [slachtoffer].

[slachtoffer] loopt vervolgens een stukje weg van de groep in de richting van de Albert Cuypstraat. Daarbij roept zij in ieder geval naar de groep: "kutmarokkanen" en "jullie krijgen mij niet klein" of woorden van gelijke aard en/of strekking.

Daarop wordt vanuit de zojuist omschreven groep van zes jongens door iemand geroepen: "wat kutmarokkanen"en door iemand anders:"hou je bek en doorlopen". Door een of meer anderen is vervolgens onder andere "trut" geroepen.

Hierop pakt [B.] een terrasstoel en gooit deze in de richting van [slachtoffer]. De stoel raakt haar niet. [slachtoffer] pakte deze stoel op, loopt daarmee in de richting van de groep en gooit die naar de groep.

Op dat moment sluit [M.] zich bij de hiervoor omschreven groep van zes jongens aan. [M.] ziet de stoel in zijn richting komen en pakt een andere terrasstoel. Hij weert hiermee de gegooide stoel af. Daarop laat [M.] zich weer iets terugzakken. Uit de verklaringen in het dossier blijkt dat [M.] daarna niet meer op het Gerard Douplein is waargenomen.

Evenmin blijkt [A.] op enig moment op het Gerard Douplein te zijn waargenomen.

Vanuit de groep wordt dan door meerdere jongens gescholden, waarbij onder andere de woorden "junkie" en "fuck you" zijn gebruikt.

Na het gooien van de stoel lopen de eerder genoemde zes jongens als groep naar voren, richting [slachtoffer]. Vooraan in die groep bevinden zich in elk geval [B.] en [G.].

[B.] trapt [slachtoffer] dan tegen haar lichaam, waardoor zij komt te vallen.

Als zij op de grond ligt stapt [G.] naar voren en schopt [slachtoffer] tenminste twee keer tegen het bovenlichaam. Ook tijdens het schoppen door [G.] wordt er van uit de groep geschreeuwd, gescholden, gelachen en gejoeld.

Nadat de groep is teruggekeerd in de richting van Dirk van den Broek wordt [slachtoffer] door twee voorbijgangers op het Gerard Douplein gevonden. Zij wordt op een stoel geholpen. Kort nadat de politie arriveert verliest [slachtoffer] het bewustzijn. Zij wordt met spoed overgebracht naar het OLVG-ziekenhuis, waar zij korte tijd later overlijdt.

Uit het sectierapport blijkt later dat de doodsoorzaak is gelegen in een verbloeding ten gevolge van een gescheurde milt.

-4- Parketnummer: [nummer] G.

Uit het vorenstaande volgt dat [G.], [B.], [O.], [L.], [D.] en [J.] zich in elk geval schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer], waarbij het aandeel van [G.] en [B.] met name heeft bestaan uit de feitelijke geweldshandelingen, terwijl de significante bijdrage van [O.], [L.], [D.] en [J.] heeft bestaan uit het getalsmatig versterken van de groep, het zich niet distantiëren van de groep en het zich als een groep naar voren bewegen richting [slachtoffer], nadat zij de terrasstoel had teruggegooid. Daarnaast bestond die significante bijdrage aan het openlijke geweld ook uit het schreeuwen, schelden, joelen en lachen van de groep. De ervaring leert dat dit moet hebben bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin [G.] en [B.] tot hun gewelddaden zijn gekomen. Weliswaar kan van de vier genoemde jongens, [O.], [L.], [D.] en [J.], niet ieder afzonderlijk worden vastgesteld of zij zich hieraan persoonlijk schuldig hebben gemaakt, maar voor de rechtbank staat vast dat zij ieder deel hebben uitgemaakt van de groep van waaruit bij voortduring door meerdere jongens is geschreeuwd, gescholden, gejoeld en gelachen, zodat dit onder de gegeven, specifieke omstandigheden van deze zaak, zoals hiervoor geschetst, aan ieder van hen kan worden toegerekend.

3.2. Primair: medeplegen van doodslag?

In de zaak van verdachte dient de rechtbank allereerst echter te bezien of op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het primair telastegelegde (mede)plegen van doodslag, voordat eventueel aan het subsidiaire verwijt van openlijke geweldpleging kan worden toegekomen. Daarover het volgende.

De rechtbank gaat ervan uit dat alleen de verdachten [G.] en [B.] daadwerkelijk [slachtoffer] hebben getrapt. Niet met voldoende zekerheid kan echter worden gesteld als gevolg van welke trap of trappen [slachtoffer] nu uiteindelijk is komen te overlijden. Zo verschillen de verklaringen in het dossier over wie [slachtoffer] waar op het lichaam heeft geraakt te zeer om daaruit een dergelijke vergaande conclusie te kunnen trekken. Bovendien komt geen van die verklaringen voldoende overeen met de door de patholoog-anatoom aangetroffen uitwendige letsels op het lichaam van [slachtoffer]. En daar komt bij dat noch uit het sectierapport, noch uit het verhoor van de patholoog-anatoom valt op te maken of, en zo ja, welke van die uitwendige letsels past of passen bij de uiteindelijke doodsoorzaak, te weten de gescheurde milt.

Noch [G.], noch [B.], kan derhalve individueel aansprakelijk worden gesteld voor de dood van [slachtoffer]. Daarvoor ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs.

-5- Parketnummer: [nummer] G.

Evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [B.] heeft schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer]. Uit het feitencomplex zoals hiervoor omschreven blijkt niet dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met de ander, de opzet heeft gehad [slachtoffer] van het leven te beroven. Ook voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] acht de rechtbank niet aanwezig. Daarvan zou sprake zijn indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Om dat te beoordelen moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Het gaat niet om de aard van het gevolg, in casu de dood van [slachtoffer], maar om de kans daarop, die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te noemen moet zijn. Vereist is dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans op het gevolg ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Nu moet [slachtoffer] onmiskenbaar fragiel en kwetsbaar hebben geoogd en is het totaal van het op haar uitgeoefende geweld, dat aan verdachte en zijn medepleger [B.] kan worden toegerekend, zeker in dat licht zonder meer fors te noemen. Dat neemt echter niet weg dat geen van beide verdachten naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kon voorzien dat [slachtoffer] als gevolg van in totaal drie of vier trappen op, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, niet zonder meer vitale delen van het lichaam, zou komen te overlijden.

Verdachten wisten niet en konden ook niet weten dat de milt van [slachtoffer] vergroot was, daardoor waarschijnlijk onder de ribbenboog uitstak en dus minder beschermd was. Onder deze omstandigheden kan niet gesteld worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden als gevolg van het schoppen tegen haar lichaam.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair telastgelegde.

3.3. Subsidiair: gekwalificeerde openlijke geweldpleging?

Uit de algemene bewijsoverweging hierboven blijkt al dat de in deze zaak subsidiair telastegelegde openlijke geweldpleging wel kan worden bewezen. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of aan verdachte ook het gekwalificeerde gevolg, te weten de dood, dan wel enig lichamelijk letsel, kan worden verweten.

In elk geval volgt uit het voorgaande al dat de dood van [slachtoffer] niet aan het individuele handelen van verdachte kan worden toegerekend. Dan blijft de vraag over of de verdachten [G.] en [B.] samen als medeplegers aansprakelijk kunnen worden gesteld voor dit gevolg. Daarover het volgende.

Artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) biedt de mogelijkheid voor een hogere strafoplegging indien ten aanzien van een pleger van openlijk geweld tevens komt vast te staan dat het door hem gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft. In deze delictsomschrijving is de opzet op dat gevolg niet vereist, maar gaat het enkel om de vraag wiens handelen welk gevolg teweeg heeft gebracht.

-6- Parketnummer: [nummer] G.

Hoewel de letterlijke tekst van art. 141 Sr lijkt te doelen op het door één individu persoonlijk veroorzaakte gevolg, heeft het Openbaar Ministerie (verder OM) zich ter zitting op het standpunt gesteld dat op grond van dat artikel ook meerdere personen als medeveroorzakers van dat gevolg kunnen worden bestraft. Het OM beseft dat een dergelijke interpretatie van art. 141 Sr tot op heden in de rechtspraak niet is aanvaard, maar ziet op dit punt een rechtsvormende taak voor de rechtbank, nu de wetsgeschiedenis van dit recent gewijzigde artikel die ruimte open zou laten.

De rechtbank kan het OM hierin niet volgen.

Bij arrest van 6 maart 1990 (NJ 1990, 637) heeft de Hoge Raad al eens expliciet uitgemaakt dat de in art. 141, lid 2, Sr vermelde strafverzwarende omstandigheden slechts op het conto kunnen worden geschreven van hen die persoonlijk het strafverzwarende gevolg hebben veroorzaakt. In de literatuur zijn sindsdien herhaaldelijk kritische kanttekeningen geplaatst bij deze wetsuitleg, met name op grond van wetsystematische argumenten. Niettemin is bij de recente wijziging van art. 141 Sr - bij Wet van 25 april 2000, Stb. 173 - het tweede lid tekstueel ongewijzigd gebleven. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan, zoals blijkt uit de verschillende opmerkingen die dienaangaande zowel vanuit de Tweede als de Eerste Kamer vielen te beluisteren. Verwezen werd daarbij naar de bestaande kritiek vanuit de wetenschap. Het tweede lid is bij de uiteindelijke wetswijziging evenwel onveranderd gebleven, evenals de uitleg daarvan. De memorie van toelichting - kamerstuk 1998-1999, 26519, nr. 3, Tweede Kamer - zegt daarover onder meer het volgende:

De interpretatie van dit tweede lid wordt door deze wetswijziging niet veranderd. Een consequentie van de onderhavige wetswijziging is daarmee dat het verschil tussen de bewijslast van het eerste lid en die van het tweede lid van artikel 141 WvSr wordt vergroot. Wie heeft bijgedragen aan de openlijke geweldpleging, is aansprakelijk op grond van het eerste lid; wie daadwerkelijk zelf geweld tegen personen of goederen heeft aangewend, riskeert onder de daar vermelde omstandigheden de strafverhoging van het tweede lid. Dat is een helder en goed verdedigbaar onderscheid; iets helderder zelfs dan het onderscheid dat thans tussen beide artikelleden bestaat. Ook dit kan als een - ondergeschikt - argument voor de voorgestelde wetswijziging worden gezien. Het is derhalve uitdrukkelijk niet de bedoeling om al degenen die zich schuldig maken aan openlijke geweldpleging, ook aansprakelijk te kunnen stellen voor de delictgevolgen van artikel 141, tweede lid, WvSr.

Deze passage laat wellicht nog de mogelijkheid open dat niet iedereen, maar wel meer dan één persoon aansprakelijk zou kunnen zijn voor de strafverzwarende gevolgen. De nota naar aanleiding van het verslag - kamerstuk 1999-2000, 26519, nr. 6, Tweede Kamer - maakt aan die onduidelijkheid echter een einde. Daarin wordt onder meer gerelateerd:

De leden van de CDA-fractie zouden voor de vraag of het tweede lid ook van toepassing zou moeten zijn op degene die feitelijk bij het plegen van geweld betrokken was, maar van wie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij het strafverzwarende gevolg heeft veroorzaakt, beslissend willen achten of het strafverzwarende gevolg redelijkerwijs aan de pleger van het geweld kan en mag worden toegerekend. Naar mijn mening zou een dergelijke uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid te ver voeren.

[…]

-7- Parketnummer: [nummer] G.

Daarmee is niet gezegd dat slechts degene die bij een openlijke geweldpleging eigenhandig goederen vernielt, dan wel letsel of de dood teweegbrengt, in verband met het intreden van die gevolgen kan worden gestraft. Indien verschillende personen bij gelegenheid van de openlijke geweldpleging ter uitvoering van een gezamenlijk opzet tot mishandeling zijn overgegaan, kunnen al deze personen in beginsel uit hoofde van het medeplegen van (al dan niet zware) mishandeling worden bestraft. Daarbij behoeft, in lijn met de algemene jurisprudentie inzake medeplegen, niet ten aanzien van elk van de medeplegers bewezen te worden dat hij een uitvoeringshandeling heeft verricht. Gewezen kan voorts worden op artikel 306 WvSr. Ingevolge dit artikel geldt ten aanzien van hen die deelnemen aan een aanval of vechterij een maximale gevangenisstraf van drie jaar indien deze iemands dood tengevolge heeft.

Deze leden vragen voorts of de algemene deelnemingsbepalingen van toepassing zijn op het tweede lid. In dat verband kan voorop worden gesteld, dat het niet goed met de tekst van het tweede lid te rijmen zou zijn, wanneer de strafverzwarende omstandigheden die in dat artikellid expliciet tot bepaalde plegers beperkt worden, bijvoorbeeld via de algemene deelnemingsregeling toch voor rekening van anderen zouden kunnen komen. De Hoge Raad lijkt daar ook niet van uit te gaan.[…]

Bij de daaropvolgende besprekingen in de Tweede en Eerste Kamer is dit standpunt ten aanzien van art. 141, lid 2, Sr overeind gebleven, zodat het ook met recht als de bedoeling van de wetgever kan worden aangemerkt, wat daar verder ook van zij uit wetsystematische optiek.

Kortom, het standpunt van het OM vindt geen steun in het recht en gelet op de recente discussie over dit onderwerp in het parlement ziet de rechtbank voor zichzelf ook geen ruimte voor nadere rechtsvorming op dit punt.

Nu niet bewezen kan worden dat verdachte persoonlijk de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt zal verdachte ook van dit gekwalificeerde gevolg van de openlijke geweldpleging worden vrijgesproken.

Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat het door verdachte gepleegde geweld in elk geval enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Vast staat immers dat verdachte [slachtoffer] tenminste twee malen op het bovenlichaam heeft getrapt, terwijl medeverdachte [B.] in totaal maar één trap heeft uitgedeeld. Met zekerheid kan dan ook worden gesteld dat minimaal één van de in het sectierapport als A1 t/m A5 aangeduide recente uitwendige letsels (bloeduitstortingen, huidbeschadigingen en -kneuzingen) door verdachte moet zijn veroorzaakt.

3.4. Bewezenverklaring

Concluderend acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van subsidiair:

op 6 oktober 2003 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, het Gerard Douplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het gooien van een stoel in de richting van die [slachtoffer] en het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen haar lichaam heeft geschopt, welk door hem gepleegd geweld voor die [slachtoffer] enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

-8- Parketnummer: [nummer] G.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.5. Beperkte bewezenverklaring als gevolg van een beperkte telastelegging

De rechtbank heeft geconstateerd dat het OM in de zaak tegen deze verdachte onder subsidiair de telastelegging heeft beperkt tot het verwijt van openlijke geweldpleging. In de zaak tegen medeverdachte [B.], waarin de rechtbank gelijktijdig vonnis wijst, is de dagvaarding ruimer geformuleerd en is de rechtbank op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat beide verdachten behalve als deelnemers aan openlijke geweldpleging tevens als medeplegers van zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend, moeten worden aangemerkt. Anders dan in de zaak tegen [B.] heeft het OM er in deze zaak echter voor gekozen om de zware mishandeling niet naast de openlijke geweldpleging ten laste te leggen, maar slechts als "meer subsidiair", dat wil zeggen als vangnet voor het geval de rechtbank die openlijke geweldpleging niet bewezen zou achten. Nu dat wel het geval is, komt de rechtbank, anders dan in de zaak tegen [B.], in deze zaak niet toe aan het verwijt van zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend. Het OM bepaalt namelijk de omvang van de vervolging. De rechtbank kan zich slechts buigen over hetgeen aan haar wordt voorgelegd en enkel in de vorm en volgorde waarin dit aan haar wordt voorgelegd.

Daarbij moet nog worden opmerkt dat het hier geen vergissing betreft, maar een bewuste keuze van het OM, zoals de officier van justitie ter zitting heeft toegelicht. Het OM was zo overtuigd dat in deze zaak een veroordeling voor de primair tenlastegelegde doodslag moest volgen, dat het niet nodig en zelfs niet wenselijk werd geacht om de subsidiaire telastelegging uit te breiden met andere cumulatieve, dan wel alternatieve varianten, zoals in de zaken tegen de medeverdachten. Nu de rechtbank in werkelijkheid anders oordeelt, biedt deze telastelegging daardoor als enige niet de mogelijkheid tot een ruimere bewezenverklaring.

Een en ander moet uiteraard consequenties hebben voor de hierna volgende strafoplegging en met name voor de verhouding tussen de in deze zaak op te leggen straf en die in de zaak tegen medeverdachte [B.]. Wie voor minder feiten en bovendien minder ernstige feiten wordt veroordeeld dan een ander verdient in beginsel immers ook een lagere straf, ook als dat louter het gevolg is van de wijze van telasteleggen door het OM.

De rechtbank acht deze uitkomst uit maatschappelijk oogpunt hoogst onbevredigend en is zich er zeer van bewust dat de ratio daarvan aan niet-juristen nauwelijks valt uit te leggen.

De keuzes van het OM maken dit gevolg echter onontkoombaar.

-9- Parketnummer: [nummer] G.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Geweld op straat tegen personen veroorzaakt maatschappelijke onrust en draagt er aan bij dat mensen zich minder veilig voelen op straat. Het slachtoffer wordt in zijn of haar persoonlijke integriteit aangetast en, al dan niet ernstig, verwond of soms zelfs gedood.

Geweld op straat maakt voorts niet alleen een diepe indruk op de personen die getuige zijn geweest van het geweld en personen die persoonlijk betrokken zijn bij het slachtoffer, maar ook op anderen die via de media kennis nemen van het voorval.

Geweld op straat veroorzaakt zo op velerlei wijze leed aan vele -vaak anonieme- personen.

[slachtoffer] is overleden door het tegen haar toegepaste geweld, waarvoor de aanleiding gezocht moet worden in het schelden van [slachtoffer] eerder dat jaar, zoals zij ook heeft gescholden op de haar fatale avond, de verschillende verdachten in deze zaak daarmee kwetsend. [slachtoffer] was blijkens verklaringen in het dossier geen gemakkelijk persoon.

Zij gebruikte verdovende middelen, was mogelijk verslaafd en was besmet met het HIV-virus. Dat maakte haar leven echter niet minder waardevol. Ook [slachtoffer] was een uniek persoon. Een persoon met recht op leven. Een leven dat haar door een groep jongens is afgenomen, waarvoor dezen niet of nauwelijks verantwoording willen nemen. Integendeel, door verscheidene verdachten is bewust de publiciteit gezocht om zichzelf als slachtoffer van justitie te poneren en om [slachtoffer] als minderwaardig af te schilderen. De rechtbank verwijst daarvoor met name naar het artikel in de Volkskrant van 11 maart 2004 met als kop

"Die vrouw [slachtoffer] had aids en zo".

-10- Parketnummer: [nummer] G.

De rechtbank heeft ook tijdens de behandeling op de terechtzitting van het merendeel van de verdachten niet de indruk gekregen dat zij zich op enigerlei wijze bewust zijn van hun eigen, medebepalende rol in het overlijden van [slachtoffer].

Verdachte heeft, als een van de weinigen, tenminste verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen handelingen. Bovendien laat hij ter terechtzitting blijken dat hij het overlijden van [slachtoffer] heel erg vindt. Hij stelt daarbij echter dat hij niet degene is die verantwoordelijk is voor haar overlijden, want hij heeft niet de dodelijke schop of schoppen gegeven.

Zoals de rechtbank hiervoor in bewijsoverweging 3.5 heeft overwogen, acht zij verdachte wel degelijk medeverantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer]. Als gevolg van de wijze van telasteleggen van het OM komt dit echter niet terug in de bewezenverklaring, hetgeen uiteraard consequenties voor de strafmaat heeft. In vergelijking met de straf voor mededader [B.], zal de rechtbank een veel kortere detentiestraf opleggen dan zij voornemens was op te leggen, gelet op hetgeen bewezen had kunnen worden verklaard, indien de inhoud dan wel de constructie van de telastelegging de rechtbank daartoe ruimte had gegeven.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft tenslotte kennis genomen van de inhoud van de betreffende verdachte opgemaakte rapporten, te weten het voorlichtingsrapport van 9 januari 2004 van [reclasseringsmedewerker] bij de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam, en het rapport van [deskundige], psycholoog te Amsterdam, van 17 februari 2004.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 141 lid 2 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

-11- Parketnummer: [nummer] G.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [M.G.] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

-12- Parketnummer: [nummer] G.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A. Schimmel, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en R. de Ruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2004.