Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AO4871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
13/120029-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een belangrijke rol gespeeld in een internationaal opererende criminele organisatie welke gedurende een aantal jaren heeft bestaan en zich bezig hield met het plegen van fiscale delicten waarbij de Nederlandse Staat voor vele tientallen miljoenen guldens is benadeeld.

Verdachte heeft bovendien gedurende de jaren dat hij zich inzette voor de organisatie aanmerkelijk financieel voordeel genoten. Daarnaast heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan een fiscaal delict door zijn inkomsten uit de criminele organisatie niet in zijn aangiften IB te vermelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 24 februari 2004

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], [woonplaats], feitelijk verblijvende op het [adres], [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 september 2003, 5 januari, 19 januari, 22 januari, 26 januari, 28 januari, 29 januari en 10 februari 2004.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 15 september 2003 gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

De steller van de telastelegging heeft in het onder 2 en 3 telastegelegde de term gebruikt: Inspecteur der directe belastingen.

De rechtbank zal dit ten aanzien van feit 2 lezen als: inspecteur van de eenheid (grote) ondernemingen en ten aanzien vn feit 3 als de inspecteur eenheid Particulieren/Ondernemingen, zijnde een verbetering waardoor de belangen van de verdediging niet worden geschaad. De rechtbank komt tot deze interpretatie omdat de term inspecteur der directe belasting als voorkomend in artikel 2 van de Organisatiebeschikking Rijksbelastingdienst (Stcrt 1964, nr 254) in etappes is vervangen door de Organisatieregeling Belastingdienst (Stcrt 1989, nr 21) waarin in artikel 3 en 4 wordt gesproken van eenheden (grote) ondernemingen, respectievelijk Particulieren/Ondernemingen. Vanaf 1994 tot 2003 gold de Uitvoeringsregeling Belastingdienst (Stcrt 1994/114) waarin genoemde begrippen bleven gehandhaafd.

In dit vonnis gebruikt de rechtbank voor navolgende woorden of begrippen afkortingen als volgt:

ABN AMRO Bank N.V.: de bank

Van Doyer & Kalff: D&K

Oxbridge Investments Limited: Oxbridge

Vennootschapsbelasting: Vpb

Inkomensbelasting: IB

Vermogensbelasting: VB

Aangifte voor de vennootschaps-Belasting voor het jaar 1992: Vpb 92

Bijlage: D/

Ambtshandeling: AH/

Getuigeverklaring: G/

Wetboek van Strafrecht: Sr

Wetboek van Strafvordering: Sv

Algemene Wet inzake Rijks-belastingen: AWR

US Dollars: $

Europees verdrag voor de rechten

van de mens en de fundamentele vrijheden. EVRM

Bij de vermelding van de wettige bewijsmiddelen zullen zowel de term "bewijsmiddel" als een meer uitgebreide aanhaling worden gebruikt.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid dagvaarding:

De raadsman heeft namens zijn cliënt betoogd dat de dagvaarding onder 1 nietig verklaard dient te worden omdat dit onderdeel - zakelijk samengevat - niet voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt.

De rechtbank verwerpt dat verweer.

De dagvaarding voldoet ten aanzien van het onder 1 daarin opgenomen telastegelegde feit van artikel 140 Sr aan de daaraan te stellen eisen.

Naar opvatting van de rechtbank is de dagvaarding voor wat betreft de verweten gedragingen voldoende duidelijk voor verdachte en kan hij begrijpen waarvan hij wordt beschuldigd en kan hij zich daartegen verweren. De telastelegging is voldoende duidelijk in plaats en tijd, voldoende feitelijk uitgewerkt, niet onleesbaar en niet innerlijk tegenstrijdig. Ook is voldaan aan het bepaalde in de tweede volzin van artikel 261 lid 1 Sv jo artikel 6 lid 3 onder a EVRM.

Daarbij geldt dat nu - naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ondermeer NJ 1986/389 ) - de omschrijving "deelnemen aan een organisatie" (in de thans te berechten strafzaak nader uitgewerkte rechtspersonen en natuurlijke personen) telkens mede feitelijke betekenis toekomt aan de eis van artikel 261 Sv is voldaan.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat de door de raadsman geponeerde stelling dat de in de telastelegging gebruikte term oogmerk (door hem aangeduid als "onvoorwaardelijke opzet eis") niet ziet op artikel 261 Sv, maar alleen betrekking kan hebben op de vraag welke vorm van opzet moet worden aangenomen in verband met een bewezenverklaring van art. 140 Sr. Het heeft derhalve betrekking op een van de vragen van artikel 350 Sv en ziet dus niet op 261 Sv.

2.2. Ontvankelijk van de officier van justitie ten aanzien van feit 5.

Verdediging.

De verdediging heeft geconcludeerd dat de officier van justitie ten aanzien van feit 5 niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dat feit inmiddels is verjaard. Daartoe voert de raadsman aan dat ingevolge artikel 70 sub 2 Sr voor een misdrijf als het onderhavige een verjaringstermijn geldt van zes jaar. Indien als laatste betaling (AH/116) zou worden genomen 31 januari 1996, zou - ter stuiting van de verjaring - een daad van vervolging hebben moeten plaatsvinden vóór 31 januari 2002. De nadere vordering GVO, die is aan te merken als een daad van vervolging, is gedateerd 21 februari 2003 en derhalve te laat. Bij dupliek heeft de raadsman nog aangevoerd dat als niet 31 januari 1996 als aanvangsdatum zou mogen worden aangehouden, deze datum in elk geval dient te liggen vóór 21 februari 1997 en dat daarmee evenzeer het feit is verjaard.

De officier van justitie.

De officier van justitie stelt daar tegenover dat de door de raadsman genoemde datum van

31 januari 1996 niet relevant is te achten en dat alleen van belang is de omstandigheid dat verdachte tot 1 januari 1999 in dienst is geweest bij de bank en dat verdachte de door hem gedane betalingen - ondanks diverse interne onderzoeken - al die tijd heeft verzwegen. Zo bezien - zo stelt de officier van justitie - betreft het een omissiedelict dat, in elk geval voor een deel, nog niet is verjaard.

Rechtbank.

Bij de bespreking van dit verweer neemt de rechtbank als uitgangspunt dat in dit geval de termijn van de verjaring aanvangt (ingevolge artikel 71 Sr) op de dag na die waarop het feit is gepleegd, en dat op grond van artikel 70 sub 2 Sr bij artikel 328ter Sr een verjaringstermijn van zes jaar moet worden aangehouden.

Naar opvatting van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte in de telastegelegde periode een bankrekening aanhield bij de bank Credit Européen te Luxemburg waarop gelden stonden in NLG, BEF, LUF, CH en USD en aan welke rekening creditcards verbonden waren tot het gebruik waarvan onder meer verdachte gerechtigd was. Op deze rekening zijn tussen

1 januari 1992 en 1 januari 1999 bedragen gestort waarover verdachte heeft beschikt (zie D/430).

Voorts staat vast dat verdachte in oktober 1996 samen met [getuige 1] (G28/01) een reis heeft gemaakt vanuit Nederland naar Curaçao waarbij hij met genoemde [getuige 1] vanuit Curaçao via Miami naar Nassau (Bahamas) is gevlogen, alwaar zij enkele dagen hebben verbleven alvorens via Curaçao weer terug te vliegen naar Nederland. Dit verblijf op de Bahamas, dat ook voor verdachte een privé-karakter droeg, was op uitnodiging van [medeverdachte 1] in zijn functie van directeur van Oxbridge, en was voor verdachte en [getuige 1] kosteloos zoals blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en zoals ook volgt uit de verklaring van de [getuige 2] (G45/01) en de daarop betrekking hebbende stukken (D/217).

Bij overeenkomst van 4 oktober 1996 (D/208) getekend te Nassau heeft verdachte als verkoper voor de bank of een van haar dochtervennootschappen D & K met "full authority to act for seller" een optieovereenkomst gesloten met Oxbridge vertegenwoordigd door meergenoemde [medeverdachte 1].

Vast staat voorts dat er jaarlijks een overeenkomst tot verkoop van een kasgeldvennootschap is gesloten waarbij de bank partij was van D & K, namelijk 09/12/1992; 27/10/1993; 15/11/1994; 11/12/1995; 01/09/1995 en 11/09/1996, waarbij steeds een betaling aan verdachte volgde kort na het afsluiten van de overeenkomst (AH/105, blz. 1 juncto D/698a, 698d, 698e1,698e2, 698f, 698g en de daarin voorkomende verwijzingen). Er was daarbij sprake van een reeks van betalingen die in direct verband stonden met het afsluiten van de opeenvolgende overeenkomsten.

Vast staat dat door de bank Rentafixe N.V. in het leven is geroepen met de uiteindelijke bedoeling die vennootschap jaarlijks een dochtervennootschap te laten oprichten en te verkopen, de zogenaamde Egg (I) tot en met Egg X transacties. Voor zover die transacties jaarlijks zijn uitgevoerd heeft verdachte daarbij een actieve rol gespeeld (D/208).

Vast staat ook dat verdachte bij het afsluiten van de eerste Egg-transactie geld heeft ontvangen. Hoewel van de Egg II transactie dat niet is vast te stellen, mag uit het succesvol afsluiten van deze transactie worden afgeleid dat verdachte ook daarvoor geld heeft ontvangen, nu uit de stukken op geen enkele wijze is af te leiden dat zulks niet het geval zou zijn geweest.

De rechtbank leidt uit de door verdachte gegeven reactie (D/594 - aangetroffen tijdens doorzoeking bij [medeverdachte 2]) getiteld "reactie op de neerslaglegging d.d. 29/01/1998 van het beoordelingsgesprek 27/01/1998" af dat in dat gesprek nadrukkelijk de Oxbridgecase ter sprake is gekomen. Uit deze bijlage blijkt niet dat verdachte uit zichzelf iets heeft gezegd over de door hem uit de Oxbridge-transacties ontvangen gelden.

In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat verdachte bij brief van 27 juni 1997 (D/577) van de Belastingdienst bij monde van [ambtenaar] onder meer het navolgende is medegedeeld:

"Ik wijs u er slechts op dat uw toekomstige betrokkenheid bij transactie met [medeverdachte 1] - gelet ook op de u thans bijgebrachte wetenschap - ertoe zal leiden dat de bank bij het bestrijden van de mogelijk onwenselijke fiscale gevolgen zeker niet buiten schot zal kunnen blijven".

Nadien is verdachte nadrukkelijk door de bank aangesproken op de Oxbridge-transacties en is er ook nog een nader gesprek geweest met genoemde [ambtenaar].

Naar opvatting van de rechtbank moet het tijdstip waarop de verjaring aanvangt worden geijkt aan de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol dat verdachte, gelet op zijn hoge functie bij de bank en zijn eigen verantwoordelijkheid niet in een dagelijkse ondergeschiktheidsrelatie stond en kan er dus ook niet van worden uitgegaan dat verdachte wekelijks verantwoording voor zijn handelen diende af te leggen bij zijn superieuren.

Dat betekent dat verdachte een redelijke termijn had om zelfstandig melding te maken van betalingen die hem in privé waren gedaan. Het beoordelingsgesprek in januari 1998 was daarvoor een aangewezen moment.

Nu vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan, is de termijn van de verjaring niet aangevangen voor 27 januari 1998. Daarmee valt de vervolging ter zake van 328ter Sr binnen de hiervoor gegeven termijnen en kan de officier van justitie in zijn vordering worden ontvangen en wordt het verweer verworpen.

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 4 is telastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

in de periode vanaf 1 januari 1992 tot en met 11 april 2000 te Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie (dossier HA 9925), zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en American Energy B.V. (voorheen Anterra Beheer B.V.) en Oxbridge Investments Limited en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het doen van onjuiste aangifte Vennootschapsbelasting (artikel 68 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (oud)) en

- omkoping van anderen dan ambtenaren (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht),

welke deelneming bestond uit het verrichten van handelingen en het bijwonen van besprekingen betreffende de aankoop en/of verkoop van kasgeldvennoootschappen en/of het verrichten van (voorbereidende) handelingen betreffende de aankoop en/of verkoop van immateriële activa en/of het overboeken en/of het ontvangen van het kasgeld van voormelde kasgeldvennootschappen naar en/of op buitenlandse bankrekeningen en/of het leggen en/of onderhouden van contacten;

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

op

- 9 november 1994, tweemaal,

(bijlagen) D/B1 en D/B2) en

- 1 november 1996, (bijlage D/B3) en

- 17 oktober 1997, (bijlage D/B4) en

- 4 juli 1998, (bijlage D/B5),

in Hilversum telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen (voor wat betreft de jaren 1992 en 1993 en 1994) en de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen en Vermogensbelasting (voor wat betreft de jaren 1995 en 1996) voor zichzelf onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens opzettelijk onjuist opgegeven, door middel van een telkens door, verdachte, ingevuld (ondertekend) en bij de Inspecteur van de eenheid (grote) ondernemingen te Hilversum ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting over respectievelijk 1992 (bijlage D/B1) en 1993 (Bijlage D/B2) en 1994 (Bijlage D/B3) en 1995

(bijlage D/B4) en 1996 (bijlage D/B5), zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, dat zijn belastbaar inkomen respectievelijk fl.316.889,- over het jaar 1992 (bijlage D/B1) en fl.330.717,- over het jaar 1993 (bijlage D/B2) en fl. 379.277,- over het jaar 1994 (bijlage D/B3) en fl.408.076,- over het jaar

1995 (bijlage D/B4) en fl.432.192,- over het jaar 1996 (bijlage D/B5) bedroeg, terwijl dat belastbaar inkomen in werkelijkheid telkens meer bedroeg dan het aangegeven bedrag, zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

op tijdstippen in de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1999 te Amsterdam, meermalen, anders dan als ambtenaar, immers werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Van Doyer & Kalff B.V. en ABN/AMRO Bank N.V., naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekkingen heeft gedaan dan wel zal doen, te weten het bemiddelen bij de aankoop en/of verkoop van diverse vennootschappen aan Oxbridge Investments Limited en/of het sluiten van overeenkomsten met Oxbridge Investments Limited en/of het overleggen met de belastingdienst, telkens een gift heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw telkens heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

Bespreking bewijsverweren.

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

Namens de verdediging is aangevoerd dat de uit Guernsey afkomstige gegevens niet kunnen worden gebruikt voor een bewezenverklaring van feit 3, zoals door de officier van justitie in zijn requisitoir vermeld. Zulks geldt volgens de verdediging eveneens voor datgene dat daar rechtstreeks uit voortvloeit, waarbij hij doelt op het gebru[ambtenaar van de belastingdienst][controlerend ambtenaar belastingdienst], (gehoord bij de RC op 3 maart 2003) van het cijfermateriaal bij het opstellen van het fiscale rapport [verdachte] (D/677) als ook op de gesignaleerde geldtransacties van Guernsey naar Luxemburg.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat nu geen toestemming is verkregen voor gebruik voor fiscaalstrafrechtelijke doeleinden, de uit de rechthulpverzoeken aan Guernsey ontvangen gegevens niet gebruikt kunnen worden voor feit 3. Naar opvatting van de rechtbank betreft dit alle bescheiden die verkregen zijn in het kader van het rechtshulpverzoek aan Guernsey, dus zowel de stukken en de vruchten daarvan, als de verklaringen van de getuigen die in dat kader in Guernsey zijn gehoord (G 51 t/m 54). Zulks geldt dus evenzeer voor gesignaleerde geldtransacties van Guernsey naar Luxemburg voorzover de onderbouwing daarvan plaatsvindt door middel van uit Guernsey afkomstig bewijsmateriaal.

Ten aanzien van het vermeende gebruik door [ambtenaar van de belastingdienst] van cijfermateriaal ten behoeve van het fiscale rapport [verdachte] overweegt de rechtbank als volgt.

In AH/148 is uiteengezet hoe de gang van zaken is geweest met betrekking tot het bezoek van [ambtenaar van de belastingdienst] aan Guernsey in juni 2001. Uit die ambtshandeling blijkt dat officier van justitie Van der Werff toestemming heeft gegeven voor de aanwezigheid van [ambtenaar van de belastingdienst], doch dat daarvoor vooraf toestemming benodigd was van de autoriteiten op Guernsey. Uit AH/148 maakt de rechtbank op dat de toestemming gevraagd en verkregen is, met dien verstande dat [ambtenaar van de belastingdienst] niet bij getuigenverhoren aanwezig mocht zijn. Uit genoemde AH/148 blijkt dat ook. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat [ambtenaar van de belastingdienst] informatie verkregen uit Guernsey heeft doorgespeeld aan de belastingdienst of dat hij cijfermateriaal gebruikt zou hebben ten behoeve van het fiscaal rapport..

De rechtbank ziet dan ook geen reden om het opgestelde fiscaal rapport [verdachte] om die reden uit te sluiten van bewijs.

ten aanzien van het onder 3 en 5 telastegelegde:

De rechtbank zal in gezamenlijkheid behandelen de vraag voor welke aan verdachte telastegelegde feiten de gegevens die in vervolg op de rechtshulpverzoeken aan Luxemburg zijn verkregen mogen worden gebruikt. De officier van justitie en de verdediging verschillen van inzicht als het gaat om de feiten 3 en 5.

De raadsman meent -samengevat - dat die gegevens voor het bewijs niet mogen worden gebruikt; de officier van justitie komt tot een tegenovergestelde opvatting.

Het onderzoek in Luxemburg heeft een aanvang genomen met een door de bevoegde officier van justitie te Amsterdam op 6 juni 2001 getekend rechtshulpverzoek (D/617), waarbij wordt verwezen naar de artikelen 51, 140 en 225 Sr en de artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. In dat rechtshulpverzoek wordt onder meer op pagina 2 vermeld:

"Deze fiscale oplichting is in het kort gezegd als volgt opgezet en uitgevoerd:

In de vennootschappen is een grote vordering op de aandeelhouder aanwezig. Deze vordering wordt rentedragend gemaakt en er wordt gezorgd voor een financiële instelling, te weten ABN/AMRO Bank (hierna de bank), die voor één dag eigenaar wordt, en die de rentelast kan absorberen. Het geld dat nodig is voor de betaling van de vennootschapsbelasting over de rentewinst bij de vennootschappen wordt door de bank aan deze BV's ter beschikking gesteld vlak voor de verkoop aan Oxbridge. [verdachte] was in 1992 hoofd fiscale zaken bij de bank.

Na de verkoop wordt het geld verdeeld door overboekingen naar bemiddelaars en de vermoedelijke beneficial owners. Ook de personen die de 'beneficial owners' hebben bijgestaan, zoals [verdachte] van de bank, ontvangen vermoedelijk geldbedragen via buitenlandse bankrekeningen."

Op pagina 3 van dat verzoek is onder meer opgenomen :

"(..) Het vermoeden bestaat dat deze Nederlandse personen de beloning welke zij ontvangen voor hun werkzaamheden voor deze criminele organisatie bij banken in Luxemburg hebben ondergebracht met het doel deze inkomsten en tegoeden buiten het bereik van de Nederlandse fiscus te houden"

en

"Ten aanzien van [verdachte]:

Het onderzoek heeft uitgewezen dat [verdachte] een bankrekening in Luxemburg heeft gebruikt voor zijn ontvangen gelden.

Het betreft in casu de Credit Européen te Luxemburg (.). Kort uiteengezet vermoed ik dat de

bankrekening bij de Credit Europeen door [verdachte] gebruikt wordt om gelden vanuit de Oxbridge

organisatie te gebruiken. Vermoedelijk wordt dit geld via buitenlandse banken, zoals vanuit Guernsey,

Liechtenstein en of de Bahamas, op de rekening (..) ten name van [verdachte] gestort."

Bij brief van 28 mei 2002 (D/648) hebben de Luxemburgse autoriteiten laten weten dat de resultaten van het uitgevoerde onderzoek mogen worden gebruikt - samengevat - voor niet andere dan de reeds aangegeven feiten.

Bij aanvullend rechtshulpverzoek van december 2001 (D/654) en in vervolg op onderzoek verricht in Luxemburg tussen 20 en 23 november 2001, wordt om nadere informatie verzocht. Bij brief van 29 november 2002 herhaalt de officier van justitie het verzoek, waarop wordt gereageerd bij brief van 3 december 2002.

Naar opvatting van de rechtbank is onder de omschrijving in het eerste rechtshulpverzoek aan Luxemburg, waarin artikel 140 Sr wordt vermeld ook te omvatten de later geconcretiseerde verdenking ter zake van artikel 328ter Sr. In het verzoek wordt immers al aangegeven dat het vermoeden bestaat dat verdachte, die in dienstbetrekking werkt bij de bank, gelden die hij heeft ontvangen als beloning voor activiteiten in het kader van de criminele organisatie, heeft gedeponeerd op buiten Nederland - waaronder Luxemburg - geopende bankrekeningen. Het aanvullende rechtshulpverzoek en de daarop nog gevolgde correspondentie richten zich duidelijk en onmiskenbaar op een verdere verdieping - mede in vervolg op de verrichte onderzoeken - van de bij het onderzoek betrokken geldstromen en hebben evenzeer betrekking op de periode waarin verdachte in dienstbetrekking zijn functie bij de bank vervulde.

De lezing die de raadsman geeft van de berispelijke brief van 3 december 2002 (als ook overgelegd bij pleidooi) is naar opvatting van de rechtbank onjuist. Niet is daarin te lezen dat er nog afzonderlijke toestemming nodig is om de resultaten van de rechtshulpverzoeken te kunnen gebruiken voor artikel 328ter Sr. De enige voorwaarde die wordt gesteld is dat er sprake moet zijn van dubbele strafbaarheid en een gevangenisstraf van ten minste zes maanden. Naar de rechtbank ambtshalve heeft vastgesteld is aan die voorwaarde voldaan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat naar opvatting van de rechtbank alle - direct en indirect - uit Luxemburg verkregen resultaten voor het bewijs mogen worden gebruikt voor de aan verdachte verweten gedragingen onder 1, 3 en 5.

4.1 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt zoals hierna wordt aangegeven.

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

Criminele organisatie:

Voor de bewezenverklaring dat verdachte met anderen deel uitmaakte van een criminele organisatie dient naar het oordeel van de rechtbank allereerst vast te staan dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Niet vereist is dat er sprake is van een rechtspersoon, noch dat de organisatie steeds uit dezelfde personen bestaat

De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn.

Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

De term deelneming in artikel 140 Sr heeft niet dezelfde betekenis als in artikel 47 Sr. Voor deelneming is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist dat de deelnemer zelf (een van) de door de organisatie beoogde misdrijven heeft gepleegd, noch dat hij aan de verwezenlijking van het misdrijf in concreto heeft deelgenomen. Het gaat niet om de betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit maar om de betrokkenheid bij de organisatie.

De rechtbank is van oordeel dat aan de volgende twee voorwaarden moet zijn voldaan wil van deelneming sprake zijn:

1) De deelnemer moet deel uitmaken van, behoren tot de organisatie; en

2) de deelnemer moet betrokken zijn geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie; daarbij gaat het niet enkel om het leveren van een bijdrage aan het functioneren van de organisatie, maar om het leveren van een bijdrage aan de realisering van de criminele doelstelling.

Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van de rechtbank gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemers in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Bewijsoverweging:

Gelet op de in de aanhef van dit onderdeel geformuleerde uitgangspunten en de bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen opgemerkt zal worden onder de Vpb aspecten (4.2), betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van (ex)kasgeldvennootschappen door middel van het doen van opzettelijke onjuiste aangiften Vpb en - voor zover van toepassing - niet ambtelijke omkoping. Dat gebeurde in de periode 1992 tot en met 1996 volgens een vast patroon.

Voor verdachte geldt dat hij naar het oordeel van de rechtbank tot de organisatie behoorde en betrokken is geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit voorgaande bewijsmiddelen vloeit tot slot voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie.

4.2.0.Opzettelijk onjuiste aangifte vennootschapsbelasting

4.2.1. algemene uitgangspunten

De rechtbank stelt voorop dat de aan- en verkoop van aandelen in kasgeldvennootschappen (verder de aandelentransactie) in de periode waarop de telastelegging betrekking heeft, niet strafbaar was. De rechtbank verstaat in het verband van deze strafzaak onder een kasgeldvennootschap een vennootschap die geen activiteiten ontplooit en

- waarvan ten tijde van de aandelenoverdracht de activa bestaan uit een of meer (zeer grote) vorderingen op haar (middellijke) aandeelhouder(s) en voor het overige uit nagenoeg uitsluitend liquide middelen ter grootte van ongeveer de materiële schuld aan Vpb over de (positieve) winst van het jaar waarin de aandelentransactie plaatsvindt, met dien verstande dat ingeval over deze winst een voorlopige aanslag Vpb is opgelegd en betaald, het bedrag aan liquiditeiten dienovereenkomstig lager is, en

- er - naast de eerdergenoemde materiële Vpb-schuld - geen of nagenoeg geen schulden zijn.

Tevens geldt als uitgangspunt dat op in een kasgeldvennootschap ingebrachte onlichamelijke goederen (verder: vermogensrechten) - ook indien deze direct of indirect verkregen zijn van een niet in Nederland gevestigde moedervennootschap die de vermogensrechten kort daarvoor heeft verworven - mag (zelfs moet) worden afgeschreven, indien die vermogensrechten in de onderneming worden gebruikt en de afschrijving strekt tot goedmaking van het verlies geleden door de vermindering van de bedrijfswaarde van die rechten tengevolge van het gebruik daarvan in de onderneming (verder de afschrijvingskosten; vgl. HR 2 januari 1958, nr. 13 379, BNB 1958/56). Met betrekking tot het gebruik van vermogensrechten in de onderneming wijst de rechtbank erop dat artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 in dit verband inhoudt dat een kasgeldvennootschap met haar gehele vermogen wordt geacht een onderneming te drijven en dat gelet op de jurisprudentie vaststaat dat een dergelijke vennootschap op ingebrachte vermogensrechten, mits niet voor de omzet bestemd, mag afschrijven. Dit geldt ook indien als gevolg van de afschrijvingskosten de (positieve) winst, zoals die ten tijde van de aandelentransactie bestond, omslaat in een verlies en de materiële Vpb-schuld aldus vrijvalt (vgl. HR 29 januari 1997, nr. 31 847, BNB 1997/89).

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor vergoedingen die terzake van de bemiddeling bij de verwerving van activa in rekening zijn gebracht (verder de fees) - ook indien deze diensten door een gelieerde vennootschap of natuurlijke persoon zijn geleverd. Met andere woorden: ook deze kosten zijn in beginsel in zijn geheel aftrekbaar.

De rechtbank neemt tot slot als uitgangspunt dat ingeval vermogensrechten voor een lager bedrag dan de boekwaarde zijn vervreemd, het verschil daartussen als verlies (verder het boekverlies) aftrekbaar is.

Een kasgeldvennootschap waarin vermogensrechten zijn ingebracht, zal de rechtbank in het vervolg met de term ex-kasgeldvennootschap aanduiden.

Het voorgaande houdt in dat het enkele feit dat de winst van het jaar waarin de aandelentransactie plaatsvindt als gevolg van de afschrijvingskosten, de fees, dan wel het boekverlies in een negatief resultaat omslaat, niet inhoudt dat de aangever voor dat jaar een onjuiste aangifte Vpb heeft gedaan.

Het hiervoor overwogene betekent dat bij een ex-kasgeldvennootschap die afschrijvingskosten, fees, dan wel een boekverlies ten laste van haar resultaat brengt eerst sprake is van een onjuiste aangifte voor de Vpb indien en voorzover kort gezegd:

- de vennootschap de vermogensrechten voor een hogere dan de werkelijke waarde van haar (middellijk) aandeelhouder heeft verworven, en/of

- de vennootschap de diensten waarvoor de fees zijn betaald voor een hoger bedrag dan de zakelijke prijs van een gelieerde persoon heeft afgenomen, en/of

- de vennootschap het boekverlies geleden heeft als gevolg van een transactie met een gelieerde persoon en de transactie niet op zakelijke voorwaarden is geschied, en/of

- de vennootschap overigens kosten die voor haar geen ondernemingskosten vormen ten laste van haar resultaat heeft gebracht (zoals bijvoorbeeld kosten die ten laste van het vermogen van de aandeelhouder behoren te komen),

mits de betrokken partijen zich ervan bewust waren of redelijkerwijs ervan bewust hadden moeten zijn dat er niet sprake was van zakelijk handelen, respectievelijk wisten of hadden moeten weten dat de in aftrekgebrachte lasten geen ondernemingskosten vormden.

Een aangifte Vpb die op basis van het hiervoor overwogene onjuist is, is opzettelijk onjuist indien de ex-kasgeldvennootschap,

Situatie A. willens en wetens die onjuiste aangifte heeft gedaan, dan wel

Situatie B. zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangifte voor wat betreft de afschrijvingskosten, de bemiddelingskosten¸ het boekverlies dan wel anderszins onjuist was, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangifte te doen zoals zij die heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen (zie HR 31 januari 2003, BNB 2003/124, nr. 37 511),

Situatie C. zich er van bewust is geweest dat er een aanmerkelijk kans bestond dat het boekverlies dan wel anderszins onjuist was, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangifte te doen zoals zij die heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen (zie HR 31 januari 2003, BNB 2003/124, nr. 37 511),

waarbij de rechtbank kennis en wil (situatie A), respectievelijk bewustheid van de (uiteindelijke) aandeelhouder (situatie B) toerekent aan de ex-kasgeldvennootschap, mits deze aandeelhouder zeggenschap in de vennootschap had.

waarbij de rechtbank kennis en wil (situatie A), respectievelijk bewustheid van de (uiteindelijke) aandeelhouder (situatie B) toerekent aan de ex-kasgeldvennootschap, mits deze aandeelhouder zeggenschap in de vennootschap had.

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde

1. Gelet op het hiervoren onder 4.1. besprokene blijft over dat verdachte -kort samengevat- heeft aangevoerd dat hij de genoemde belastingaangiften naar beste weten heeft ingevuld.

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, jo artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet IB (tekst 1992 tot en met 1996, verder de Wet IB) wordt ten aanzien van een binnenlandse belastingplichtige inkomstenbelasting geheven naar het belastbaar inkomen (zijnde in casu het inkomen over jaren 1992 tot en met 1996) en wordt onder belastbaar inkomen verstaan het in het kalenderjaar genoten inkomen verminderd met de op de voet van Hoofdstuk IV van de wet IB te verrekenen verliezen. Onder inkomen verstaat de Wet IB onder andere de inkomsten uit vermogen, zijnde alle niet als winst uit onderneming of als inkomsten uit arbeid aan te merken voordelen die worden getrokken uit onroerende en roerende zaken en uit rechten die niet op zaken betrekking hebben (art. 24 Wet IB). Niet relevant is waar ook ter wereld dit inkomen is opgekomen (zie artikel 11 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten op 8 mei 1968, zoals gewijzigd 16 oktober 1990, Trb. 1990, 164).

3. Vaststaat dat rente die door een bank over het bij die bank aangehouden tegoed vergoed wordt, voor een natuurlijke persoon inkomsten uit vermogen vormt. Het is inkomen in het jaar waarin de bijboeking van de rente plaatsvindt. Tevens staat vast dat [verdachte] een natuurlijke persoon is die in Nederland als binnenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt.

4. Op 6 juni 2001 is door de [zaaksofficier], een verzoek om rechtshulp aan Luxemburg gedaan. Op 8 november 2001 is toestemming verleend. Op grond van het rechtshulpverzoek zijn door de Luxemburgse autoriteiten bankstukken bij de bank Crédit Européen in beslag genomen. Deze stukken hebben onder andere betrekking op diverse bankrekeningen in verschillende valuta ten name van [verdachte].

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

Verdachte had in de zin van 328ter Sr twee dienstbetrekkingen, een bij de bank waar hij in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam was en de functie van statutair directeur bij D&K, die hij bekleedde in zijn hoedanigheid van Hoofd Fiscale zaken van de bank.

De rechtbank overweegt over het bestanddeel van de telastelegging "in strijd met de goede trouw" als volgt:

De gegeven beloning was van een zodanige omvang, ook gemeten naar inkomen en positie van verdachte, dat hij naar objectieve maatstaven gemeten, dit had moeten melden bij zijn werkgever. Uit document D/594 (Reactie op verslaglegging van beoordelingsgesprek van [verdachte]) blijkt dat de Oxbridge-case destijds ter sprake is gekomen, maar dat verdachte niets gezegd heeft over de door hem ontvangen giften. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat [verdachte] aan de bank melding heeft gemaakt van de door hem ontvangen gelden.

4.3. Nadere bewijsoverwegingen:

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

De rechtbank overweegt dat artikel 328ter Sr met ingang van 27 januari 1995 is gewijzigd, in die zin dat het cumulatie verbod is opgeheven. Daarbij is: "wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen" vervangen door "wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie". Nu verdachte ten aanzien van het onder

5 telastegelegde wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 januari 1992 tot en met 11 april 2000 heeft schuldig gemaakt aan een gedraging zoals omschreven in artikel 328ter Sr, zal de rechtbank de voor verdachte meest gunstige bepaling toepassen.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. De officier van justitie heeft geconcludeerd - onder overlegging van een schriftelijk requisitoir en zijn vordering - dat de onder 1, 2, 3 en 5 aan verdachte verweten gedragingen bewezen zijn en dat verdachte van de onder 4 aan hem verweten gedraging vrijgesproken dient te worden. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de bewezen geachte feiten te veroordelen tot zesendertig maanden gevangenisstraf en een geldboete van

€ 500.000,- (vijfhonderdduizend euro).

Daartoe heeft hij - samengevat - de navolgende argumenten gebruikt.

Voor wat betreft het onder 1 telastegelegde feit blijkt uit het dossier dat verdachte als hoofd fiscaliteit van de ABN/AMRO bank onmisbaar was voor de deals van de Oxbridge organisatie. Zonder betrokkenheid van de bank in de persoon van [verdachte] was het niet mogelijk geweest de American Energy transacties af te sluiten. [verdachte] had weet van het oogmerk van de criminele Oxbridge organisatie en heeft daaraan deel genomen.

Waar het feit 2 aangaat is de officier van justitie van oordeel dat dit feit in zijn primaire vorm bewezen is. Verdachte is daarbij als medepleger aan te wijzen nu de door verdachte(n) gevolgde constructie vanaf het begin een malafide karakter droeg, en het ook voor verdachte kenbaar was dat de koop/verkoop van de vennootschappen en de inbreng van rechten geen ander doel had dan te zorgen dat uiteindelijk geen Vpb werd afgedragen. Dat

(voorwaardelijk) opzet van verdachte(n) blijkt ook uit het feit dat het geld dat gestort werd ten behoeve van een (latente) Vpb-schuld, direct na de closing werd verdeeld en naar buitenlandse rekeningen werd overgeboekt.

Ten aanzien van feit 3 is de officier van justitie de mening toegedaan dat het dossier genoeg bewijsmiddelen bevat voor het verwijt dat verdachte over de jaren 1992 tot en met 1996 onjuiste aangiften inkomsten belasting heeft gedaan, in die zin dat daarin een te laag belastbaar inkomen is opgegeven. De officier van justitie verwijst daarbij in het bijzonder naar tapgesprekken, de bij [betrokkene] aangetroffen stukken betrekking hebbende op een in Luxemburg bestaande rekening - die naar opvatting van de officier van justitie gelet op de daarop betrekking hebbende verklaringen van getuigen aan [verdachte] toebehoort - de inhoud van agenda's van [verdachte] en de gegevens verkregen uit het Rechtshulpverzoek aan Luxemburg. Uit al die stukken blijkt dat [verdachte] via het buitenland kan beschikken over vermogensbestanddelen.

Voor feit 4 heeft de officier van justitie geconcludeerd tot vrijspraak, omdat voor wat betreft het gebruik van de onder dat feit genoemde vervalsing van specifieke documenten dit niet valt te brengen binnen de gezamenlijke (voorwaardelijke) opzet van verdachte.

Feit 5 acht de officier van justitie evenzeer wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] was in dienstbetrekking bij de ABNAMRO bank en hij heeft namens de bank aan de Oxbridge organisatie vennootschappen geleverd die geschikt waren voor het door de organisatie beoogde gebruik. In ruil voor die prestatie heeft verdachte gelden ontvangen die hij in strijd met de goede trouw voor zijn werkgever heeft verzwegen.

7.2. Standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft onder overlegging van pleitnotities het navolgende aangevoerd.

Voor wat feit 1 betreft voert de raadsman primair aan dat de dagvaarding nietig is wegens een te onduidelijke telastelegging en subsidiair stelt de raadsman dat de stukken die voortkomen uit de rechtshulpverzoeken aan Guernsey en Luxemburg niet voor het bewijs voor feit 1 kunnen worden gebruikt.

Daarnaast voert de raadsman met betrekking tot feit 1 aan dat de officier van justitie ten onrechte uit gaat van wetenschap van de deelnemer op het criminele oogmerk van de criminele organisatie in de zin van mogelijkheid/risico op de koop toenemen, nu de Hoge Raad in haar arrest NJ 98/225 heeft bepaald dat van deelneming aan een criminele organisatie pas sprake kan zijn als de deelnemer weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

De stukken die voortkomen uit het rechtshulpverzoek aan Guernsey kunnen niet tot bewijs dienen ten aanzien van feit 3.

Ook zal het fiscale rapport [verdachte], opgesteld door [ambtenaar van de belastingdienst], niet tot bewijs inzake feit 3 kunnen dienen, immers dit rapport is opgebouwd met cijfers die afkomstig zijn uit de rechtshulpverzoeken van Guernsey en Luxemburg.

Ten aanzien van de feiten 2 en 4 stelt de raadsman dat verdachte geen enkele bemoeienis heeft gehad met de in feit 2 bedoelde belastingaangiften en hetzelfde geldt voor de in feit 4 bedoelde documenten. De raadsman verzoekt de rechtbank dan ook verdachte van deze feiten vrij te spreken.

Bij feit 5 stelt de raadsman primair dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is nu dit feit verjaard is. Er is namelijk meer dan zes jaar gelegen tussen de laatste betaling van 31 januari 1996 aan verdachte en de daarop volgende daad van vervolging te weten het alsnog vermelden van artikel 328ter Sr in de nadere vordering GVO, gedateerd 21 februari 2003. De raadsman voert subsidiair aan dat de stukken die voortkomen uit het rechtshulpverzoek aan Luxemburg niet tot bewijs van feit 5 kunnen strekken nu omkoping niet genoemd is in dit rechtshulpverzoek en dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

7.3. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij het vaststellen van de duur daarvan in het bijzonder het navolgende laten meewegen.

Naar opvatting van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de bewezen geachte feiten zodanig ernstig zijn, dat slechts een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Verdachte heeft een belangrijke rol gespeeld in een internationaal opererende criminele organisatie welke gedurende een aantal jaren heeft bestaan en zich bezig hield met het plegen van fiscale delicten waarbij de Nederlandse Staat voor vele tientallen miljoenen guldens is benadeeld. Er was sprake van een buitengewoon professioneel opgezette organisatie waarbij gebruik werd gemaakt van belastingparadijzen, versluiering van geldstromen en het opzetten van een web van bedrijven waarin immateriële activa met een zogenaamde hoge waarde werden ingebracht en door middel van afschrijvingen, te hoge fees en gecreëerde boekverliezen gelden werden onttrokken aan Nederlandse kasgeldvennootschappen. Op deze wijze werden die aangekochte vennootschappen direct na overname leeggehaald.

Verdachte had daarbij een specifieke rol. Hij was door zijn functie van Hoofd Fiscale zaken bij de bank in staat de criminele organisatie bijna jaarlijks van een kasgeldvennootschap te voorzien. Daarenboven creëerde hij door Rentafixe en de daaruit voorkomende dochters nieuwe kasgeldvennootschappen.

Verdachte had als fiscalist bovendien buitengewoon goed op de hoogte moeten zijn van de gevolgde fiscale constructies en wist dat er door de vennootschappen aangiften moesten worden gedaan. Verdachte heeft bovendien gedurende de jaren dat hij zich actief inzette voor de organisatie aanmerkelijk financieel voordeel genoten.

Daarnaast heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan een fiscaal delict door opzettelijk zijn aangiften IB onjuist te doen. De rechtbank rekent dat verdachte in hoge mate aan.

De rechtbank acht het ernstig dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de passieve corruptie als bewezen verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn niet alleen deze factoren bepalend voor de strafmaat, maar dient ook nog het navolgende een rol te spelen. De op te leggen straf dient uitdrukking te geven aan de afkeuring die moet gelden voor omvangrijke frauduleuze handelingen, uitgevoerd door personen als verdachte, die in maatschappelijk aanzien staan en functies bekleden als die van fiscalist.

Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen het vertrouwen dat zijn werkgever in hem mocht stellen beschaamd, hij heeft ook zijn verplichting tot loyaliteit ten opzichte van de werkgever verzaakt. Het valt verdachte aan te rekenen dat hij door zijn gedrag het aanzien van zijn werkgever die nationaal als internationaal belangrijk is te achten, heeft geschaad, uitsluitend met het doel om zichzelf te verrijken.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, zijn baan heeft verloren, hij door zijn werkgever inmiddels civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld en dat hij in grote psychische problemen is gekomen mede in verband met deze strafzaak. De hierna op te leggen straf vloeit daarmee voort uit de aan verdachte verweten gedragingen en worden passend en geboden geacht.

De verdediging geeft namens verdachte betoogd dat de draagkracht van verdachte feitelijk op nihil moet worden geschat.

De rechtbank acht dat niet aannemelijk.

Op grond van de inhoud van de stukken (AH/73 en AH/75 ) en het transactiepatroon op de geldrekeningen aangehouden bij de bank Credit Europeen te Luxemburg, waarvan de rechtbank al heeft vastgesteld dat [verdachte] rechthebbende op deze rekeningen is, kan worden vastgesteld dat ten behoeve van [verdachte] van zijn rekeningen alleen al in het jaar 1999/2000 (D/654 en D/625) een bedrag van Nfl 3.302.240,-- contant is opgenomen. Ook nog na 11 april 2000; het tijdstip waarop voor verdachte kenbaar het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD tegen hem een aanvang nam.

In de periode tussen 1990 en 2001 heeft verdachte zelf aan contanten van dezelfde rekeningen een bedrag opgenomen van Nfl 2.353.359,-- ( D/625 ). Verdachte heeft in de jaren negentig van de vorige eeuw aanmerkelijke bedragen besteed aan de opleiding en studiereizen van zijn zoons (school, pilotenopleiding, verblijf Zuid-Afrika ) en is in die periode evenzeer in staat geweest regelmatig min of meer kostbare aankopen te doen van kunst en meubilair (D/437 ).

Door de verdediging is niet aannemelijk gemaakt dat verdachte ook na zijn echtscheiding geen rechthebbende meer zou zijn op ten minste een gedeelte van de gekochte goederen terwijl voorts met geen woord gerept wordt over de in het buitenland aanwezige en aan [verdachte] toebehorende gelden. Naar opvatting van de rechtbank heeft verdachte dus draagkracht die het opleggen van na te noemen geldboete rechtvaardigt.

Hoewel de officier van justitie niet expliciet heeft aangegeven in zijn vordering in hoeverre de gevorderde geldboete bij gebreke van betaling en verhaal in de plaats dient te worden gesteld door vervangende hechtenis neemt de rechtbank daarvoor de in artikel 24c lid 3 Sr opgenomen maatstaf van maximaal 1 jaar.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de hoogte van de op te leggen geldboete de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, niet te boven gaat en valt binnen het door de rechtbank vastgestelde toegebrachte nadeel als bedoeld in art. 68 (oud) AWR, in acht genomen de fiscale nadeelsberekening.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 140 en 328ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 68 (oud) van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 2 en 4 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het 1, 3 en 5 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan dan wel zal doen, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegen over zijn werkgever, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 300.000,- (driehonderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 jaar hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. P.F. Goes en H.C. Hoogeveen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon en H.M.T. Hovens, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2004.