Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2004:AO4332

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
13/127225-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis inzake explosie Czaar Peterstraat. Zie ook LJN nummer: AO4340

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 9a
Wetboek van Strafrecht 158
Wetboek van Strafrecht 308
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2004/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 24 februari 2004

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, zevende meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2004.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

---

3. Waardering van het bewijs

De raadsman van verdachte heeft met een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verzocht de getuigenverklaringen van [getuige 1], [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 2] afgelegd in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek tegen de woonstichting De Key ten overstaan van de rechter-commissaris, niet voor het bewijs te gebruiken, nu het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte ten tijde van het horen van deze getuigen nog niet was geopend zodat de verdediging buiten spel is gezet bij die verhoren.

De rechtbank verbindt hieraan geen consequenties nu het verdachte ook in zijn gerechtelijk vooronderzoek, dan wel ter terechtzitting, heeft vrijgestaan genoemde getuigen te doen horen, zodat door gebruikmaking van genoemde verklaringen de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen

dat hij omstreeks 15 augustus 2001 te Purmerend aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en/of nagelaten door

- op de telefonische melding, inhoudende dat er een gas/benzinegeur, dan wel een benzine/gasgeur in de algemene gang van woning Czaar Peterstraat nummer 20 te Amsterdam werd waargenomen, van [getuige 1], medewerkster van de boodschappendienst Amsterdam, niet alert te reageren en/of

- deze niet juist te interpreteren en/of

- niet te controleren en/of

- door geen deskundige van de SOS-dienst ter plaatse te sturen en/of

- niet zelf ter plaatse te gaan,

ten gevolge waarvan zich een brandbare gas-luchtverhouding heeft kunnen ophopen in perceel Czaar Peterstraat 20 en 22 waarna er een ontsteking heeft plaatsgevonden,

ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er om ongeveer 02:45 een gasexplosie heeft plaats gevonden en er brand is ontstaan ten gevolge waarvan de percelen Czaar Peterstraat 16, 18, 20 en 22 geheel dan wel gedeeltelijk zijn verwoest en zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] (brandwonden aan handen en gebroken rug) en [slachtoffer 2], (brandwonden aan handen en gezicht) is ontstaan;

en

dat hij omstreeks 15 augustus 2001 te Purmerend aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en/of nagelaten door

- op de telefonische melding inhoudende dat er een gas/benzinegeur, dan wel een benzine/gasgeur in de algemene gang van woning Czaar Peterstraat nummer 20 te Amsterdam werd waargenomen, van [getuige 1], medewerkster van de boodschappendienst Amsterdam, niet alert te reageren en/of

- deze niet juist te interpreteren en/of

- deze niet te controleren en/of

- geen deskundige van de SOS-dienst ter plaatse te sturen en/of

- niet zelf ter plaatse te gaan,

ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is dat er een gasexplosie heeft plaatsgevonden en er brand is ontstaan, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden aan de handen en een snijwond aan de linkerknie en een gebroken rug ([slachtoffer 1]) en brandwonden aan de handen en het gezicht en het lichaam ([slachtoffer 2]), hebben opgelopen.

Voorzover in de - gewijzigde - telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de ernstige gevolgen van de explosie en brand niet kunnen worden aangerekend omdat het slechts zou zijn gegaan om een simpele beoordelingsfout en er meerdere factoren zijn geweest, zoals aanleg en onderhoud van de hoofdgasleiding en verzakking van de grond, waardoor de gasexplosie en haar gevolgen zijn ontstaan. Voorts is het volgens de raadsman maar zeer de vraag geweest of de explosie had kunnen worden voorkomen indien verdachte actie had ondernomen op de melding van de boodschappendienst.

De rechtbank overweegt het volgende.

Weliswaar heeft de raadsman van verdachte terecht erop gewezen dat de ontploffing, de daardoor ontstane brand en het hierdoor veroorzaakte letsel en verwoesting blijkens het rapport van de Raad voor de Transportveiligheid van september 2002 meerdere oorzaken kent, maar naar het oordeel van de rechtbank disculperen deze andere oorzaken verdachte niet. De strafzaak tegen verdachte dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld, los van de vraag of ook een ander of anderen eventueel een strafrechtelijk verwijt valt te maken en of een ander of anderen eventueel civielrechtelijk kunnen worden aangesproken voor de ontstane schade.

Verdachte kreeg als wachtdienstmedewerker via de boodschappendienst een melding die er kort gezegd op neerkwam dat een huurster/bewoonster van Czaar Peterstraat 20 II te Amsterdam aldaar een gas/benzinelucht rook in het trapportaal.

Verdachte kwam tot de conclusie dat het niet de gasstijgleidingen in het trapportaal konden zijn die de gaslucht veroorzaakten omdat deze leidingen haast nooit lekken en concentreerde zich op de benzinelucht. Vervolgens heeft hij tegen de medewerkster van de boodschappendienst gezegd dat het wel een brommertje of scootertje kon zijn die voor de deur stond of in het trapportaal en dat het niet nodig was om iemand te sturen.

Hierna is door een opeenhoping van gas in de panden Czaar Peterstraat 20 en 22 in Amsterdam een explosie ontstaan. Hierop volgde een brand waardoor twee bewoonsters van dat pand zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en vier panden al dan niet geheel zijn verwoest.

Verdachte kende de instructie van zijn werkgeefster dat bij een gaslekkage direct de SOS moest worden ingeschakeld.

In het onderhavige geval ging de melding over een lucht van gas/benzine, beide brandbare stoffen.

Collega's, die net als verdachte wachtdiensten draaien, zijn als getuigen gehoord. Zij hebben aangegeven dat zij in een geval als het onderhavige, de veronderstelling dat er sprake was van een brommertje of scootertje zouden hebben gecheckt via de boodschappendienst of direct bij de meldster.

Verdachte heeft geen enkele check toegepast en heeft besloten dat geen actie nodig was. Tegen de hierboven geschetste achtergrond acht de rechtbank dat aanmerkelijk onvoorzichtig.

Hierdoor heeft het gas dat reeds uit de gebroken gasleiding lekte - naar alle waarschijnlijkheid al vanaf rond 17.00 uur - zich over een tijdspanne van ongeveer vier en een half uur (van ongeveer 22.15 uur tot ongeveer 02.45 uur) verder kunnen ophopen in de panden Czaar Peterstraat 20 en 22.

Had verdachte wel actie ondernomen en bijvoorbeeld de SOS-dienst ingeschakeld, dan was de kans op ontploffing en brand en zeker die op letsel (bijvoorbeeld door middel van evacuatie) zodanig veel kleiner geweest, dat de ontploffing, de daarop volgende brand en het hierdoor veroorzaakte zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de al dan niet gehele verwoesting van de panden Czaar Peterstraat 16 tot en met 22, naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zijn toe te rekenen aan het inadequaat handelen - en daarmee aan de schuld - van verdachte.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De hierboven weergegeven beoordelingsfout van verdachte, hoe klein ook op het eerste gezicht, heeft enorme gevolgen gehad, in het bijzonder voor de zwaargewonde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en ook voor de overige bewoners van de panden Czaar Peterstraat 16 tot en met 22, wier woningen en inboedels, waaronder onvervangbare bezittingen, door brand zijn verwoest. Daarnaast is het veiligheidsgevoel van buurtbewoners geschonden en ook in het algemeen het vertrouwen dat huurders in (medewerkers van) woningeigenaren moeten kunnen stellen.

Geen straf of maatregel

De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week geëist met als bijzondere voorwaarde een donatie aan het Brandwondenziekenhuis te Beverwijk. De rechtbank heeft aanleiding gezien van deze eis ten gunste van verdachte af te wijken.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek naar de feiten lange tijd heeft geduurd en dit onderzoek, alsmede de gevolgen van de explosie en brand ook op verdachte zelf een enorme impact hebben gehad. Hij is hiervoor onder behandeling geweest en ook voor de terechtzitting heeft hij zich weer onder behandeling moeten stellen om opgewassen te zijn tegen de confrontatie met de gevolgen van de explosie en brand in de nacht van 14 op 15 augustus 2001. Voorts heeft verdachte zich op de terechtzitting in het openbaar moeten verantwoorden ten overstaan van veel publieke belangstelling. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de kans op herhaling te verwaarlozen is, zodat een voorwaardelijke straf met de daaraan verbonden proeftijd geen doel treft.

De rechtbank acht verdachte voldoende gestraft en bepaalt dat op grond van genoemde omstandigheden aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 158 en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander ontstaat;

en

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.C. de Wit, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en A.C. Loman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2004.