Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AN9896

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
13/123022-02 (ontnemingsvordering)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering. Vastgesteld bedrag ter ontneming hoger dan gevorderd. Termijnbetaling niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/123022-02 (ontnemingsvordering)

Datum uitspraak: 19 november 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 7de meervoudige kamer A, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/123022-02, tegen:

[betrokkene], hierna te noemen: 'betrokkene',

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Zuyder Bos" te Heerhugowaard.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 05 november 2003.

1. De vordering.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan betrokkene opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van EUR 3.375,-.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft feit 1. waarvoor betrokkene in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

2. Voorvragen.

...

3. Grondslag van de vordering.

Betrokkene is bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam d.d. 20 maart 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, terzake van onder meer het navolgende strafbare feit:

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde, dat hij:

op 31 augustus 2002 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, perceel [adres slachtoffer], heeft weggenomen tien horloges, merk Cartier, totale waarde EUR 106.440,-, toebehorende aan [slachtoffer] Juweliers, waarbij verdachte en zijn mededader die horloges onder hun bereik hebben gebracht door middel van het inslaan van een etalageruit van voornoemd bedrijfspand en welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht,

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat er van de tien gestolen horloges, zeven zijn teruggevonden. Dit betekent dat er nog drie horloges ontbreken, te weten:

- een Cartier Tank Française, met een dagwaarde van €EUR 3.460,-

- een Cartier Pasha, met een dagwaarde van € EUR 5.750,-

- een Cartier Roadster, met een dagwaarde van € EUR 4.290,-

Met betrekking tot het horloge Cartier Roadster heeft de betrokkene ter terechtzitting verklaard, dat alleen hij daarvan voordeel heeft genoten en dat hij dit voordeel niet op enigerlei wijze met de medeveroordeelde heeft gedeeld. De rechtbank acht aannemelijk dat betrokkene, van dit horloge het volle voordeel heeft genoten.

Hiernaast acht de rechtbank aannemelijk dat betrokkene ook van de twee andere horloges - maar dan tezamen met de medeveroordeelde - voordeel heeft genoten, te weten van het horloge Cartier Tank Française en het horloge Cartier Pasha.

Op grond van de zich in het dossier bevindende afgeluisterde telefoongesprekken en hetgeen betrokkene ter terechtzitting heeft verklaard, acht de rechtbank voorts aannemelijk dat betrokkene deze horloges tegen 40 % van de dagwaarde aan anderen heeft aangeboden. Voor de berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank daarom dat percentage hanteren.

Het totale door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel schat de rechtbank derhalve op een bedrag van:

€EUR 3.460,- horloge Cartier Tank Française

EUR 5.750,- horloge Cartier Pasha

€EUR 4.290,- + horloge Cartier Roadster

€EUR 13.500,- totale dagwaarde alle horloges

60 % -

€EUR 5.400,- 40 % van de totale dagwaarde voor beide veroordeelden

EUR 1.842,- - 50 % van de horloges Cartier Tank Française en Cartier Pasha

EUR 3.558,- 40 % van de totale dagwaarde voor betrokkene

De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De verplichting tot betaling.

5.1. Termijnbetaling.

De raadsman van betrokkene heeft ter terechtzitting het verzoek gedaan tot betaling in termijnen van het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij Wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153 (Iwtr. 01 mei 1983) had de wetgever voorzien in een mogelijkheid tot termijnbetaling door in het vierde lid van artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat artikel 24a van diezelfde wet van overeenkomstige toepassing is. Deze mogelijkheid is echter vervallen bij Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11 (Iwtr. 01 maart 1993). Ook bij Wet van 08 mei 2003, Stb. 2003, 202 (Iwtr. 01 september 2003) heeft de wetgever deze mogelijkheid niet willen terugbrengen.

Ook overigens is er geen wettelijke bepaling die de rechter de bevoegdheid geeft te bepalen dat betrokkene het bedrag in termijnen mag voldoen.

De rechtbank wijst het verzoek derhalve af.

De rechtbank overweegt ten overvloede, dat een beslissing omtrent het door de raadsman tot de rechtbank gerichte verzoek tot termijnbetaling, op grond van artikel 577b, eerste lid, jº 561, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie is voorbehouden. In de genoemde artikelen is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend tot het verlenen van uitstel van betaling dan wel tot het toestaan van betaling in termijnen.

5.2. Hoger bedrag dan door het Openbaar Ministerie gevorderd.

Nu het door de rechtbank geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel hoger is dan het maximumbedrag dat het openbaar ministerie vordert, overweegt de rechtbank ambtshalve - onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 30 oktober 2001, NJ 2002, 124, nr. 2659.00 P, tevens gepubliceerd onder LJN-nummer AB3200, rechtsoverweging 3.6 - dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de rechter ter zake van de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht een hoger bedrag mag vaststellen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.

5.3. Het te ontnemen bedrag.

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op €EUR 3.558,-.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7. Beslissing.

Wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel toe.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van €EUR 3.558,-.

Legt op aan betrokkene de verplichting tot betaling van €EUR 3.558,- (drieduizendvijfhonderdachtenvijftig euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter,

mrs. C.W.M. Giesen en H.P.E. Has, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R. Hirzalla en K.G. Witteman, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2003.