Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AN9320

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
03-12274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia betwist in het incident de bevoegdheid van de kantonrechter en verzoekt de zaak ter behandeling van de civiele sector van de rechtbank Amsterdam te verwijzen. Beslissing in het incident: vordering van Dexia afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 92
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1576
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1576h
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 404
JOR 2004/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : 03-12274

Datum : 20 november 2003

113

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

1. V.,

2. V.,

beiden wonende te B

eisers in de hoofdzaak

gedaagden in het incident

nader te noemen: eisers

gemachtigde: mr. V

t e g e n:

Dexia

gevestigd en zaakdoende te Amsterdam

gedaagde in de hoofdzaak

eiseres in het incident

nader te noemen: Dexia

gemachtigde: mr. de L.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 30 juni 2003 inhoudende de vordering van eisers

- de incidentele vordering van Dexia strekkende tot onbevoegdverklaring van de kantonrechter

- het antwoord van eisers op de incidentele vordering.

Vervolgens is in het incident vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In het incident

1. In deze fase van dit geding wordt uitgegaan van de volgende erkende of onvoldoende weersproken feiten:

1.1. Dexia is sedert 2000 de rechtsopvolger van Bank L.

1.2. Eisers hebben via tussenkomst van Spaar Select Breda B.V. op 20 april 1998 een overeenkomst afgesloten met Bank L., onder de naam Maximaal Rendement Effect. Volgens de overeenkomst zijn partijen een lease-overeenkomst aangegaan met betrekking tot een door Bank L. op 17 april 1998 aangekocht pakket aandelen in vier financiële instellingen, met een aankoopbedrag van f. 207.508,00. De looptijd van de overeenkomst was 180 maanden. Tussentijdse opzegging door eisers was mogelijk na 60 maanden. Eisers waren over de overeengekomen looptijd een totaalbedrag verschuldigd van f. 567.247,00, waarin begrepen de voormelde koopsom, f. 1.800,00 aan administratiekosten en f. 357.939,00 aan rente, gebaseerd op een rentevergoeding van 11,5% per jaar. De dividendbaten werden tweemaal per jaar aan eisers ter beschikking gesteld.

1.3. De voormelde betalingsverplichting van eisers aan Bank L. c.q. Dexia diende volgens de overeenkomst als volgt te worden voldaan:

- de leasetermijn tot en met de 60e maand: bij vooruitbetaling van f. 95.930,40 ineens;

- de leasetermijn van de 61ste tot en met de 180e maand: f. 1.998,55 per maand, op de eerste van iedere maand te voldoen;

- f. 100,00: “op of omstreeks de 179e maand te voldoen”;

- aan het einde van de lease-overeenkomst: f. 207.408,00, volgens de overeenkomst eventueel te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aangekochte effecten.

1.4. Eisers hebben het voormelde bedrag van f. 95.930,40 ter beschikking gesteld aan Bank L.. Zij hebben daartoe, via bemiddeling van Spaar Select Breda B.V., een hypotheekrecht gevestigd op hun woning te Breda, gebruik makend van (een deel van) de overwaarde van die woning. Postbank N.V. heeft terzake een geldlening verstrekt van f. 100.000,00 tegen een rentevergoeding van f. 5.000,00 per jaar. De kosten van de vestiging van het hypotheekrecht bedroegen f. 2.307,30.

1.5. Art. 6 van de overeenkomst luidt als volgt:

Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.

1.6. Art. 2 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease luidt:

Bank L. N.V. (hierna de Bank) blijft eigenaresse van de waarden totdat lessee aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. De Bank draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet van de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.

1.7. Bij brief van 22 maart 2003 heeft eiser sub 1 de overeenkomst opgezegd.

1.8. Bij brief van 6 mei 2003 heeft Dexia een berekening gemaakt, volgens welke eisers

€ 56.076,03 aan haar dienden te voldoen. De brief bevat voorts de volgende frase:

De hoofdsom is het bedrag waarvoor de aandelen voor uw contract zijn aangekocht. In verband met artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek deelt Dexia Bank Nederland deze hoofdsom in tweeën: in een ‘restant hoofdsom’ en een eerste ‘aflossingstermijn’ van € 45,38. Dit zijn geen extra beëindigingskosten zoals wel eens wordt aangenomen. Het gaat hier enkel om een administratieve afhandeling.

1.9. Eisers hebben Dexia op 10 juni 2003 opdracht gegeven de voormelde aandelen te verkopen.

2. Eisers hebben in de hoofdzaak, zakelijk weergegeven, veroordeling gevorderd van Dexia tot betaling van € 74.559,42 op uiteenlopende primaire en subsidiaire gronden. Zij hebben de bevoegdheid van de kantonrechter gebaseerd op de stelling dat de lease-overeenkomst als een huurkoopovereenkomst te beschouwen is.

3. Dexia heeft de bevoegdheid van de kantonrechter betwist en heeft verzocht de zaak ter behandeling naar de civiele sector van deze rechtbank te verwijzen. Zij stelt daartoe – samengevat - dat een effectenlease-overeenkomst gekwalificeerd moet worden als een overeenkomst sui generis en niet als koop op afbetaling, waarvan huurkoop een species is. In de eerste plaats ziet de overeenkomst tussen partijen op effecten, die geen stoffelijk object zijn in de zin van art. 3.2 BW, maar als vermogensrechten ex art. 3.6 BW. Het toonderbewijs is niet als een stoffelijk recht te beschouwen. Art. 7A: 1576 lid 5 BW mist toepassing, nu die bepaling geen uitbreiding bevat van de definitie van koop op afbetaling.

4. Dexia stelt voorts dat de overeenkomst evenmin voldoet aan de drie overige voorwaarden als omschreven in art. 7A:1576 lid 1 BW.

Van aflevering is geen sprake, nu het bezit van de effecten niet is verschaft. Volgens de in rov. 1.6 genoemde bepaling bleef Dexia daarvan eigenaar totdat eisers aan al hun verplichtingen zouden hebben voldaan. Eisers hadden niet het gebruiksrecht, maar kregen slechts een recht op voorwaardelijke overdracht van de effecten.

5. Dexia betwist ook dat betaling van de koopprijs van de effecten in termijnen is bedongen. De overeengekomen termijnbetalingen betreffen rentevergoedingen. De splitsing in de betaling van f. 100,00 enerzijds en de restantbetaling anderzijds is evenmin te beschouwen als een betaling in termijnen. Het bedrag van f. 100,00 is van volledig ondergeschikt belang. Bovendien dient betaling plaats te vinden op of omstreeks de laatste maand van de overeenkomst, zoals beschreven in rov. 1.3. Betaling ineens van het gehele restantbedrag is dat ook mogelijk. In de regel wordt wordt het restantbedrag inclusief de termijn van f. 100,00 aan het einde van de overeenkomst verrekend met de verkoopopbrengst van de effecten.

6. Dexia stelt tenslotte dat partijen geen eigendomsoverdracht beoogd hebben. Feitelijk vindt uitlevering van de effecten zelden plaats, omdat de effecten in de regel bij het einde van de overeenkomst worden verkocht en de opbrengst wordt verrekend met de aankoopprijs. Aldus bespaart de lessee zich bewaar- en transactiekosten. Eisers hadden geen verplichting tot afname van de aandelen. Een urgerende optie (een koopoptie met een lage uitoefenprijs) is evenmin bedongen. De overeenkomst voorziet juridisch noch economisch in de feitelijke verkrijging van de effecten.

7. Eisers hebben het betoog van Dexia weersproken, welk verweer in het onderstaande wordt opgenomen en beoordeeld.

8. Geoordeeld wordt als volgt.

Vermogensrechten zijn krachtens het vijfde lid van art. 7A:1576 BW vatbaar voor koop op afbetaling, zoals de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis bij de invoering van die bepaling heeft beoogd. Effecten zijn te beschouwen als vermogensrechten en kunnen onderwerp zijn van koop op afbetaling en van huurkoop. Titel 5A is mitsdien van toepassing; de vraag naar de reikwijdte van art. 1:88 BW is in deze procedure niet aan de orde.

9. Geoordeeld wordt dat de overeenkomst ook aan de voorwaarden van huurkoop voldoet. Dexia miskent dat de aflevering van effecten aan een rechthebbende niet in stoffelijke vorm plaatsvindt, maar middels bijschrijving in de administratie van de betrokken instelling. Dexia heeft erkend dat in haar boekhouding een aantekening is geplaatst op de voet van art. 17 Wet Giraal Effectenverkeer (Wge), waarmee mag worden aangenomen dat zij aan haar leveringsverplichtingen jegens eisers heeft voldaan. De in rov. 1.6 genoemde bepaling is niet anders te beschouwen dan als een eigendomsvoorbehoud als bedoeld in art. 3:92 BW. Dat de eigendom van de effecten pas overgaat als eisers aan hun betalingsverplichtingen zouden voldoen, doet er niet aan af dat de levering heeft plaatsgehad.

10. Dexia betwist voorts ten onrechte dat de overeenkomst mede bestond uit termijnbetalingen. Daargelaten dat de overeenkomst de term “lease-termijnen” niet in rente- en aflossingsvergoedingen kwalificeert, is in het licht van de strekking van art. 7A:1576h BW niet relevant of die termijnen uitsluitend zagen op rente. In hetzelfde licht is van belang dat Bank L. bij de totstandkoming van de lease-overeenkomst en de daarin vervatte termijnen kennelijk ook een huurkoopconstructie voor ogen stond. Een begrijpelijke uitleg waarom eisers in de voorlaatste maand een bedrag van f. 100,00 dienden te voldoen heeft zij niet gegeven. In haar in rov. 1.8 genoemde recente brief kwalificeert zij zelf de overeenkomst ook als zodanig.

11. Dexia betwist tenslotte vruchteloos dat partijen eigendomsoverdracht hebben beoogd. Art. 6 van de overeenkomst en art. 2 van de bijzondere voorwaarden bepalen juist uitdrukkelijk dat eisers de eigendom van de aandelen “automatisch” verwerven zodra zij aan hun verplichtingen hebben voldaan. Volgens laatstgenoemde bepaling berust het risico van koersfluctuaties voorts expliciet bij eisers, hetgeen te beschouwen is als een vorm van economisch eigendom. Eisers betogen bovendien terecht dat het hen niet om de eigendom van de aandelen zelf ging, maar om de waarde bij het einde van de looptijd of op enig moment voordien. Die waarde kunnen zij in beginsel niet verzilveren zonder eigendom van de effecten. Dat op praktische gronden wel wordt gekozen voor verkoop en verrekening bij het einde van de overeenkomst, maakt het bovenstaande niet anders.

12. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat de hoofdzaak door de kantonsector behandeld en beslist moet worden. De vordering in het incident wordt afgewezen.

13. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

14. Dexia dient op 18 december 2003 in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen. De kantonrechter heeft vooralsnog het voornemen om na het nemen van die conclusie een inlichtingen- en schikkingcomparitie te houden. In dat kader dient Dexia in haar conclusie van antwoord opgave te verschaffen van de betalingen van eisers tot aan de opzegging van de overeenkomst, alsmede van hun eventuele baten uit de overeenkomst, zoals dividendopbrengsten. Ook dient Dexia opgave te verschaffen van de opbrengst van de verkoop van het aandelenpakket. Voorts zullen partijen in de conclusie van antwoord resp. ter comparitie kunnen reageren op het rapport d.d. 23 oktober 2003 van de Autoriteit Financiële Markten.

BESLISSING

De kantonrechter:

In het incident

I. wijst de vordering af;

II. houdt de beslissing inzake de kosten van dit incident aan;

In de hoofdzaak

III. verwijst de zaak naar de terechtzitting van de kantonrechter op 18 december 2003 voor het nemen van een conclusie van antwoord.

Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter