Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AN7280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
13/037734-03 (A) en (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft vonnis gewezen in vijf zogenoemde 'autokrakers'-zaken. Het OM heeft deze zaken voor de meervoudige strafkamer gebracht en niet, zoals gebruikelijk, voor de politierechter. In alle zaken is door het OM 12 maanden celstraf geeist, in verband recidive. De rechtbank heeft straffen opgelegd van 12 maanden (waarvan 3 voorwaardelijk), tien maanden, zes maanden en vier maanden (in twee gevallen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/037734-03 (A) en 13/037487-03 (B)

Datum uitspraak: 4 november 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vijfde meervoudige kamer D, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 oktober 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaardingen, waarvan kopieën als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht. De in die dagvaardingen vermelde telasteleggingen gelden als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De raadman heeft ter terechtzitting bepleit dat de aanhouding van verdachte op 7 september 2003 onrechtmatig is geschied, nu zijns inziens sprake is geweest van een stelselmatige observatie en er geen bevel ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering was afgegeven.

Voorzover de raadsman met dit verweer heeft bedoeld een beroep te doen op de rechtmatigheid van het daarop volgende verkregen bewijs, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken van het dossier en hetgeen de raadsman hieromtrent ter terechtzitting naar voren heeft gebracht is niet aannemelijk geworden dat verdachte stelselmatig is geobserveerd en dat sprake is geweest van een inbreuk op het privé-leven van verdachte. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

3. Waardering van het bewijs

3.1.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak B onder 2. primair, 3. primair en 4. primair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1., 2. en 3. heeft begaan en het in zaak B onder 1., 2. subsidiair, 3. subsidiair en 4. subsidiair heeft begaan, met dien verstande dat verdachte

zaak A

1.

op 07 september 2003 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk Volkswagen, kleur zwart) heeft weggenomen een afstandsbediening en een autoradio en een cd-wisselaar (alles van het merk Sony) toebehorende aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een (deur)slot te forceren en door bedrading los te trekken;

2.

in de periode van 20 augustus 2003 tot en met 7 september 2003 te Amsterdam een damesfiets (merk Gazelle) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

op 07 september 2003 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 37 tabletten van een materiaal bevattende MDMA;

zaak B

1.

op 03 juni 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (Alfa Romeo, kenteken [nummer]) weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 1], naar die auto is toegegaan en de kofferbak van die auto heeft geopend;

2. subsidiair en 3. subsidiair

op tijdstippen gelegen in de periode van 31 juli 2002 tot en met 10 augustus 2002 te Amsterdam, een Diners Club creditcard ten name van [slachtoffer 2] en een auto

(Audi, kenteken [nummer]) heeft verworven terwijl hij ten tijde van de verwerving wist dat

het door misdrijf verkregen goederen betrof;

4. subsidiair

op 10 augustus 2002 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan het BP benzinestation, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers was hij verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd tot het gebruik van een Diners Club creditcard staande ten name van [slachtoffer 2].

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een autokraak en een poging daartoe. Dergelijke feiten bezorgen de betrokkenen doorgaans veel schade en overlast. Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan heling van onder meer een auto en een creditcard. Met deze creditcard heeft hij bovendien benzine gekocht bij een tankstation. Verdachte draagt op deze wijze bij aan het in stand houden van een afzetmarkt van gestolen goederen.

Tenslotte is bij verdachte een aanzienlijke hoeveelheid zogeheten XTC-pillen aangetroffen. Deze pillen bevatten een stof die zeer schadelijk is voor de volksgezondheid.

Gelet op deze feiten en de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, reeds vele malen ver-oordeeld is wegens vermogensdelicten, mede ten gevolge van zijn langdurige verslaving aan verdovende middelen, acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur gerechtvaardigd.

Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de inhoud van het omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport waarin voorgesteld wordt een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen gekoppeld aan een verplicht contact met de reclassering, waarbij de reclassering denkt aan ee klinische behandeling in het IMC van de Jellinek, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen en wel onder na te noemen bijzondere voorwaarde.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak B onder 2. primair, 3. primair en 4. primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1., 2. en 3. telastegelegde heeft begaan en dat verdachte het in zaak B onder 1., 2. subsidiair, 3. subsidiair en 4. subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1. bewezene:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2. bewezene en het in zaak B onder 2. subsidiair en 3. subsidiair bewezene:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3. bewezene:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1. bewezene:

Poging tot diefstal.

Ten aanzien van het in zaak B onder 4. subsidiair bewezene:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich (onverwijld) stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Reclassering en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als die aanwijzingen inhouden dat verdachte zich laat opnemen in het IMC of een andere afkickkliniek.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.C. van Kamp, voorzitter,

mrs. D.J. Markx en M.E.I. Beudeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Oosterhuis, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2003.