Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AM2872

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
13/077059-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in zijn auto, die op de openbare weg geparkeerd stond, wapens en munitie voorhanden gehad.

Voorts heeft verdachte meerdere kilo's softdrugs in zijn auto aanwezig gehad. Gezien de grote hoeveelheid acht de rechtbank dit een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid softdrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/077059-03

Datum uitspraak: 23 oktober 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam zitting houdende in de Bunker te Osdorp, achtste meervoudige kamer C, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

--------------

3. Waardering van het bewijs

3.1

Namens verdachte heeft de raadsman het verweer gevoerd dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, laat staan van ernstige bezwaren tegen verdachte, zodat de aanhouding onrechtmatig is. De opsporingsbevoegdheden die zijn uitgeoefend na de aanhouding, zoals het onderzoek aan de kleding van verdachte en de doorzoeking van de auto en de woning van verdachte, zijn daarom ook onrechtmatig.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de processtukken blijkt dat op 2 juli 2003 de door de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: RCIE) opnieuw dan wel voor het eerst aan de politie informatie is verstrekt, waarvan de inhoud luidt:

- [betrokkene], [verdachte], [medeverdachte] zijn constant gezamenlijk op pad in verband met hun criminele activiteiten. Hierbij fungeert [medeverdachte] dan als bodyguard van de mannen en is dan altijd gewapend;

- [betrokkene] en zijn bodyguard [medeverdachte] zijn beide in het bezit van een vuurwapen. In de auto's die zij gebruiken, is een geheime bergplaats ingebouwd om hun vuurwapens te verbergen. In één van de auto's is de bergplaats de airbag;

- [betrokkene] maakt o.a. gebruik van de personenauto's [nummer], Volkswagen Passat, zwart en [nummer] groen;

- Tuna maakt vermoedelijk gebruik van[nummer]sonenauto [nummer]

Voorts blijkt dat op 2 juli 2003 omstreeks 11:00 uur in de buurt van [adres1] [betrokkene] wordt gezien alsmede zijn in [adres1] geparkeerde zwarte Volkswagen Passat. Bij verder onderzoek wordt in [adres1] nabij de [adres2] een BMW aangetroffen met het kenteken [nummer]. Bij deze auto staat een man die kennelijk controleert of de kofferbak van de auto afgesloten is. Naar aanleiding van deze waarneming en voornoemde RCIE-informatie is besloten tot aanhouding van [betrokkene] en de onbekende man die kennelijk kon beschikken over de BMW kenteken [nummer].

Vervolgens wordt gezien dat [betrokkene] aan komt lopen vergezeld van een onbekende man en dat zij beiden lopen in de richting van eerder genoemde auto's. Daarop worden beide personen aangehouden en op straat aan de kleding onderzocht.

Naar het oordeel van de rechtbank was er op grond van voornoemde RCIE-informatie en de waarnemingen van de politie zoals hierboven beschreven op dat moment ten aanzien van beide personen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten het voorhanden hebben van vuurwapens. Tevens was er voldoende aanleiding voor een onderzoek aan de BMW kenteken [nummer]. Wat betreft de onbekende persoon is deze verdenking gebaseerd op de relatie die deze persoon kennelijk had met voornoemde BMW. Het mogelijk bewapend zijn van beide personen leverde naar het oordeel van de rechtbank tevens ernstige bezwaren op ten aanzien van deze personen.

Daarom is de rechtbank, anders dan de raadsman van verdachte, van oordeel dat de aanhouding en het onderzoek aan de kleding van verdachte niet onrechtmatig zijn geweest.

De als gevolg van voornoemde opsporingshandelingen aangetroffen goederen, nl. de vuurwapens en de verdovende middelen, kunnen dientengevolge bijdragen tot het bewijs van het aan verdachte telastegelegde.

3.2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan zoals is aangegeven op de aan dit vonnis als bijlage 2 gehechte - gestreepte - kopie van de telastelegging. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in zijn auto, die op de openbare weg geparkeerd stond, wapens en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van - zelfs twee - wapens met bijbehorende munitie vooronderstelt ook het mogelijke gebruik van deze wapens. Dit kan tot zeer gevaarzettende situaties leiden en een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Voorts heeft verdachte meerdere kilo's softdrugs in zijn auto aanwezig gehad. Gezien de grote hoeveelheid acht de rechtbank dit een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid softdrugs. Handel in softdrugs is verboden en dus bezwaarlijk, omdat internationaal geoordeeld wordt dat het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid.

Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder terzake van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet is veroordeeld, maar wel terzake van (ernstige) agressiedelicten.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen genummerd 2 tot en met 6 en de 9 tot en met 12 vermeld op de als bijlage 3 aangehechte beslaglijst, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

De voorwerpen genummerd 2 tot en met 6 en 9 tot en met 12 vermeld op als bijlage 3 aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

De voorwerpen genummerd 13 tot en met 22 vermeld op de als bijlage 3 aangehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.B. Leeser-Gassan, voorzitter,

mrs. A.C. Loman en I.H.J. Konings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2003.