Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AL4354

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
01-10-2003
Zaaknummer
13/021079-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis inzake bom gooien in coffeeshop te Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/021079-03

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, zevende meervoudige kamer A., in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres, [woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring [huis van bewaring]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

--------------

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde:

op 9 juni 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een andere aanwezige in Coffeeshop genaamd [naam] gevestigd [adres] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een auto in de omgeving van voornoemde coffeeshop is gaan staan en

- vervolgens naar voornoemde coffeeshop is gegaan en

- vervolgens een pin uit een (scherfhand)granaat gevuld met stalen kogeltjes heeft getrokken en

- vervolgens voornoemde (scherfhand)granaat gevuld met stalen kogeltjes in voornoemde coffeeshop en in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en een andere aanwezige in voornoemde coffeeshop heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht.

ten aanzien van het onder 2. telastegelegde:

op 9 juni 2003 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een coffeeshop genaamd [naam] gevestigd [adres], immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk,

- een pin uit een (scherfhand)granaat gevuld met stalen kogeltjes getrokken en

- vervolgens voornoemde (scherfhand)granaat gevuld met stalen kogeltjes in voornoemde coffeeshop en in de richting van de in voornoemde coffeeshop aanwezige personen te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gegooid en tot ontploffing hebben gebracht,

ten gevolge waarvan voorwerpen onder meer papieren in voornoemde coffeeshop geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde coffeeshop aanwezige goederen en levensgevaar voor de in voornoemde coffeeshop aanwezige personen te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te duchten was.

ten aanzien van het onder 3. telastegelegde:

op 9 juni 2003 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen merk Welt Waffen Germany, cal. 7,65 mm en munitie van categorie III, te weten patronen voorhanden heeft gehad

en

op 9 juni 2003 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, onder 7, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte -ten aanzien van alle telastegelegde feiten- niet strafbaar is, nu verdachte onder zodanige psychische druk stond, dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. De raadsman voert hiertoe het volgende aan.

Verdachte werd met de dood bedreigd door een man, [betrokkene], vanwege een in een eerdere zaak door verdachte afgelegde, voor [betrokkene] belastende verklaring bij de politie. De opdrachtgever van de aanslag heeft aan verdachte bescherming aangeboden tegen deze bedreiger, in ruil voor het plegen van de aanslag en een beloning van een bedrag van € 20.000. Verdachte stond, aldus de raadsman, door voornoemde bedreiging onder zodanige psychische druk dat hij hiertegen geen weerstand kon bieden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Van psychische overmacht kan worden gesproken indien de verdachte heeft gehandeld onder invloed van een psychische druk door externe omstandigheden, die zodanig was dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en behoren te bieden. De uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet een beroep op psychische overmacht. Verdachte, die bedreigingen had ontvangen van een gedetineerde, [betrokkene], heeft de hem door een derde aangeboden 'bescherming' geaccepteerd, in ruil waarvoor verdachte de aanslag op de coffeeshop zou plegen. Niet is aannemelijk geworden dat verdachte geen andere weg openstond. Verdachte heeft niets verklaard over pogingen zijnerzijds om te trachten op andere, gepaste wijze de door hem gestelde dreiging af te wenden, noch is op andere wijze hiervan gebleken. Verdachte heeft kennelijk gewoonweg de hem aangeboden bescherming geaccepteerd in ruil voor de onderhavige actie. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij zijn actie niet heeft uitgevoerd uitsluitend om bescherming te verkrijgen, maar ook vanwege de geldelijke beloning die hem in het vooruitzicht was gesteld. Voorts is het zo dat verdachte zich bij de aanslag heeft bediend van een handgranaat, waarvan algemeen bekend is dat het een in potentie dodelijk wapen is, en hij heeft dit ingezet tegen toevallige buitenstaanders. Daarmee heeft hij zich bediend van een middel dat niet-proportioneel is. Dit alles maakt dat van verdachte redelijkerwijs gevergd kon en mocht worden dat hij zich van het gooien van een handgranaat in een coffeeshop zou onthouden.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft met zijn medeverdachte in opdracht van een derde een aanslag gepleegd op een coffeeshop, door een handgranaat naar binnen te gooien. De opdrachtgever heeft aan verdachte in ruil voor het plegen van de aanslag bescherming en een geldbedrag van

€ 20.000,-- in het vooruitzicht gesteld. Voorafgaand aan de aanslag hebben verdachte en zijn medeverdachte daartoe een verkenning uitgevoerd. Het mag een wonder heten dat er bij deze aanslag geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Immers door het gooien van een handgranaat waarvan de veiligheidspin is verwijderd, detoneren de springstof en de ontsteker, waarna een grote hoeveelheid stalen kogeltjes zich met kracht in de omgeving verspreiden. De rechtbank merkt hierbij op dat de veiligheidszone van het door verdachten gebruikte type handgranaat is vastgesteld op 150 meter. Het feit dat de handgranaat achter de bar terechtkwam heeft het aantal slachtoffers waarschijnlijk beperkt. Voorts is het niet aan de verdachte en zijn medeverdachte, doch aan een in de coffeeshop aanwezige persoon, te danken dat de ontstane brand kon worden geblust. Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich aldus op kille en nietsontziende, berekenende wijze schuldig gemaakt aan zeer ernstige delicten waarbij zij zich niet hebben bekommerd om het leven van de in de coffeeshop aanwezige medemensen. Dit maakt het een feit met een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter, mede gelet op het feit dat de coffeeshop -een publieke gelegenheid- in een drukke buurt is gelegen. Voorts was verdachte niet alleen in het bezit van de handgranaat, doch had hij ook een vuurwapen bij zich. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij voorwerpen met een gevaarzettend karakter voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland, opgemaakt d.d. 11 september 2003 door R. Engelen, reclasseringswerker.

Hoewel de rechtbank rekening houdt met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten met een langdurige vrijheidsstraf gereageerd dient te worden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 157, 289 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde:

Medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvoor levensgevaar voor een ander te duchten is.

ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,

mrs. C.P.E. Meewisse en A. Philips, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. van der Linde, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2003.