Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AJ6842

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
10-09-2003
Zaaknummer
AWB 00/5147 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de subsidieaanvraag van eisers in het kader van de vierde tranche van de zogenaamde goudpool van de Tripartite Goudcommissie afgewezen. Aan dit besluit ligt een advies van het Adviescollege besteding vierde tranche ten grondslag. In geschil is onder meer of in de onderhavige situatie sprake is van schijn van vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat nu twee leden van het adviescollege nauw betrokken waren bij aanvragen die wel gehonoreerd zijn en waarvan één door eisers als concurrerend is aangemerkt, het niet juist is dat de subsidieaanvraag van eisers door het adviescollege, in deze samenstelling, is beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/302 met annotatie van A.R. Neerhof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 00/5147 BELEI

van:

[eiser1], wonende te Amsterdam,

en

Stichting Yeshive Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. [betrokkene1], advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zetelend te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. B. Bijl.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 20 november 2000 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2000, kenmerk DWJZ-203055/19.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van respectievelijk 19 februari 2002, 20 juni 2002 en 27 februari 2003. Nadat partijen bij brieven van respectievelijk 14 juli 2003 en 17 juli 2003 toestemming hebben gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn grote hoeveelheden monetair goud door de bezetter in beslag genomen. Een groot deel van dit goud is na de oorlog teruggevonden door de westerse geallieerden en ondergebracht in de zogenaamde goudpool van de Tripartite Goudcommissie (TGC). De TGC heeft in september 1997 medegedeeld te willen overgaan tot uitdeling van de vierde, tevens laatste tranche van de goudpool. Voor Nederland was ten tijde van belang een bedrag van 22,5 miljoen gulden beschikbaar. Op 3 april 1998 heeft het kabinet besloten om deze uitdeling te bestemmen voor in Nederland woonachtige slachtoffers die door de nazi's werden vervolgd met het oog op vernietiging. Verweerder is belast met de uitvoering van het kabinetsbesluit.

Voor de besteding van het bedrag van 22,5 miljoen gulden is een bestedingskader vastgesteld. Het bedrag is bedoeld voor de financiering van projecten. De projectvoorstellen dienen een specifieke, in tijd beperkte, activiteit in te houden.

Bij brief van 25 februari 1999 heeft [eiser1] (hierna: [eiser1]) een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de verdeling van de vierde tranche van de goudpool Als naam van de aanvragende organisatie is vermeld "Stichting Yeshive Amsterdam i.o." (hierna de Stichting i.o.) en de aanvraag is gedaan op briefpapier van de Stichting i.o.. Aanvraagster wil de gevraagde subsidie, een bedrag van 3.670.000,- gulden, besteden voor het oprichten van een Talmoed Hogeschool, waar jongeren op universitair niveau kunnen worden opgeleid tot leraar in de joodse vakken. Aanvraagster heeft daarbij naar voren gebracht dat de behoefte aan een Talmoed Hogeschool groot is en dat deze school een belangrijke bijdrage zal kunnen leveren aan het herstel van de geestelijke ontwikkeling.

Verweerder heeft bij besluit van 3 september 1999 de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder het advies van het door hem ingestelde adviescollege besteding vierde tranche (hierna: het adviescollege) van 1 juli 1999 en de motivering daarvan overgenomen en aan het besluit ten grondslag gelegd. In laatstbedoeld advies is ten aanzien van het project van eiseres opgenomen dat het project een taak is voor de kerkgenootschappen. Voorts is in het bestreden besluit overwogen dat het project, in vergelijking met andere projecten, minder beantwoordt aan de doelstelling van het te verdelen bedrag. Daarnaast is overwogen dat het een zeer duur project is en dat het niet met een gedeeltelijke subsidie kan worden uitgevoerd.

Tegen dit besluit heeft [eiser1], namens de Stichting i.o. bij brief van 1 oktober 1999 bezwaar gemaakt. Zij heeft onder meer aangevoerd dat het niet duidelijk is of het adviescollege geheel onafhankelijk is aangezien geen volledige opsomming van de (vroegere) functies van de leden is gegeven. Eventuele belangenverstrengeling kan daarom niet worden uitgesloten. Hoewel zij uit de advisering van het adviescollege afleidt dat er stemmingen zijn gehouden, is er geen vastlegging van deze stemmingen en van de wijze van besluitvorming in de verslagen. Zij heeft daarbij betoogd dat dit bijzonder van betekenis is omdat leden van het adviescollege bestuurder zijn respectievelijk tot voor kort bestuurder waren van instellingen, die ook aanvragen hebben ingediend, die deels liggen op hetzelfde terrein als de onderhavige subsidieaanvraag. Aan deze instellingen zijn aanmerkelijke bedragen toegekend. Voorts is aangevoerd dat verweerder de afwijzingsgronden niet heeft onderbouwd en dat sprake is van een ongelijke behandeling, omdat sommige aanvragers de kans hebben gekregen om het subsidieverzoek aan te passen aan een lager bedrag.

Op 4 april 2000 heeft de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden. Tijdens die zitting is namens de Stichting i.o. naar voren gebracht dat aan het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland te Amsterdam, een organisatie die in haar ogen vergelijkbaar is met de Stichting i.o., wel subsidie was toegekend.

Verweerder heeft daarop opnieuw advies aan het adviescollege gevraagd. Het adviescollege heeft op 1 mei 2000 geadviseerd. Overeenkomstig dat advies heeft verweerder bij brief van 19 mei 2000 aan de bezwaarschriftencommissie bericht de afwijzingsgrond dat met subsidiëring zou worden getreden in de scheiding van kerk en staat, te laten vallen en de overige weigeringsgronden te handhaven.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit de overwegingen en de conclusie van het advies van de bezwaarcommissie van 3 augustus 2000 overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard. De beslissing op bezwaar is gericht aan de Stichting Yeshive Amsterdam, t.a.v. [eiser1]. In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat verweerder in zijn beslissing integraal heeft overgenomen, wordt [eiser1] als "appellante", aangeduid en tevens vermeld dat zij namens de Stichting i.o. een bezwaarschrift heeft ingediend.

In de beslissing op bezwaarschrift is overwogen dat gelet op de samenstelling en de werkwijze van het adviescollege, niet gezegd kan worden dat het advies van dit college op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ook is overwogen dat een aanpassing van de subsidieaanvraag niet aan de orde was omdat het project zich niet laat splitsen in verschillende deelprojecten.

Overwogen wordt als volgt.

Aan de orde is allereerst de - door de rechtbank ambtshalve te toetsen - vraag of het bezwaar van de Stichting i.o. dan wel dat van [eiser1] ontvankelijk was omdat de Stichting i.o. en/of [eiser1] belanghebbende was bij het primaire besluit van 3 september 1999.

Blijkens de door eisers overgelegde oprichtingsakte is de Stichting Yeshive Amsterdam (hierna: de Stichting) eerst op 9 juli 2002 opgericht. Ter zitting van 20 juni 2002 heeft de gemachtigde van eisers zich op het standpunt gesteld dat [eiser1] - handelende namens de Stichting omdat deze in oprichting was - bezwaar en beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat de Stichting i.o. ten tijde van het instellen van het bezwaar -anders dan in het kader van de onderhavige subsidieaanvraag - reeds als kenbare entiteit aan het rechtsverkeer deelnam, zodat de Stichting i.o. op dat tijdstip nog niet als belanghebbende kon worden aangemerkt. Zulks houdt tevens in dat [eiser1], die handelde ten behoeve van de op te richten Stichting, als belanghebbende bij het primaire besluit is aan te merken. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak ABRS 1 juni 1999, AB 1999/313. Ook verweerder is hier kennelijk van uitgegaan bij de beslissing op bezwaar aangezien hij [eiser1] als "appellante" heeft aangemerkt en haar aldus ontvankelijk heeft geacht, hetgeen in de visie van de rechtbank juist moet worden geacht.

Uit het voorgaande volgt dat ook ten tijde van het instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaarschrift [eiser1] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb moest worden aangemerkt. De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of [eiser1] haar procesbelang heeft verloren nadat op 9 juli 2002 de Stichting, ten behoeve waarvan de onderhavige subsidieaanvraag strekt, is opgericht. Die vraag wordt ontkennend beantwoord.

Eisers hebben desgevraagd aan de rechtbank een schriftelijke verklaring doen toekomen dat de rechtshandelingen die door [eiser1] zijn verricht ten behoeve van de Stichting i.o. in de bestuursvergadering van de Stichting van 13 mei 2003 zijn bekrachtigd, met dien verstande dat betalingen die gedaan zijn door of namens de Stichting i.o. voor haar rekening blijven, tenzij positief wordt beslist over de aanvraag in het kader van de vierde tranche goudpool.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze verklaring voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser1] nog procesbelang heeft bij het onderhavige beroep, daar niet is uit te sluiten dat zij ten behoeve van de aanvrage of het bezwaar en beroep kosten heeft moeten maken. Voorts ziet de rechtbank - gelet op het feit dat de onderhavige aanvraag de Stichting betreft - aanleiding om de Stichting als procespartij aan te merken omdat zij (primair) belanghebbende bij het bestreden besluit is.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat bij het adviescollege sprake is van (schijn van) belangenverstrengeling en dat het dan ook niet onafhankelijk is. Voorts is gesteld dat sprake is van (schijn van) partijdigheid aangezien onevenredig hoge bedragen zijn toegekend aan instellingen waarmee de leden van het adviescollege binding hebben of hadden. Ook is aangevoerd dat [eiser1] ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld de projectaanvraag te splitsen. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

Bij besluit van 28 augustus 1998 heeft verweerder het Adviescollege besteding vierde tranche ingesteld. (Stcrt. 1998, nr. 164/pag 11) Ingevolge artikel 3 van het Instellingsbesluit heeft het adviescollege - onder meer - tot taak de ingediende projectvoorstellen te toetsen en verweerder te adviseren. Ingevolge artikel 4 van het Instellingsbesluit bestaat het adviescollege uit een voorzitter en vier leden, benoemd door verweerder. Aan het adviescollege zijn door verweerder een secretaris en een plaatsvervangend secretaris toegevoegd.

In artikel 5 van het Instellingsbesluit is bepaald dat tot voorzitter van het adviescollege wordt benoemd de heer dr. D. D. te Den Haag.

In artikel 6 van het Instellingsbesluit is bepaald dat tot lid van het adviescollege worden benoemd: de heer prof. dr. C.L. D. te Amsterdam, de heer mr. F. E. te Amsterdam, de heer drs. E. van T. te Amsterdam en mw. G.H. W. te Maarsbergen.

Blijkens hun functies, vermeld in het advies van het adviescollege van 1 juli 1999, die deze personen bekleden dan wel bekleed hebben, moet ervan worden uitgegaan dat zij door verweerder op persoonlijke titel en op grond van hun maatschappelijke betrokkenheid als lid van het adviescollege zijn benoemd.

Voorop wordt gesteld dat uit het Instellingsbesluit niet blijkt dat het adviescollege op enigerlei wijze een afspiegeling diende te zijn van de diverse zuilen, waaruit de joodse gemeenschap naar de mening van eiseres thans is opgebouwd. Voor zover is gesteld dat de onpartijdigheid van het adviescollege in twijfel moet worden getrokken omdat de orthodoxe gemeenschap niet in het adviescollege is vertegenwoordigd, wordt in navolging van de rechtbank in de uitspraak van 10 januari 2002 (reg.nr. AWB 00/2432 BELEI) overwogen dat in het Instellingsbesluit geen voorwaarde inzake evenredige vertegenwoordiging van diverse gemeenschappen is opgenomen. Deze grief van eisers treft dan ook geen doel.

Met betrekking tot de vraag of in de onderhavige situatie sprake is van schijn van partijdigheid wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid van dit artikel waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Het tweede lid van artikel 2:4 van de Awb strekt er toe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegde bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat, ten gevolge van vermenging van persoonlijke en bestuurlijke belangen bij de betrokken personen, de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm.

Met de uitdrukking persoonlijk is blijkens de Memorie van Toelichting gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. Gelet op de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet een beperkte uitleg van het begrip persoonlijk voor ogen gehad.

Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling dat in de onderhavige situatie sprake is van een situatie van vooringenomenheid gesteld dat professor dr. C.L. D. in het bestuur zit van het NIB, die wel subsidie heeft ontvangen. Ook is hij oud-bestuurslid van het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland, welk verbond ook subsidie heeft verkregen. Daarnaast hebben eisers gesteld dat mr. F. E. in het bestuur zit van een concurrerende aanvrager.

Verweerder heeft deze door eisers gestelde lidmaatschappen van besturen van beide leden van het adviescollege niet betwist en evenmin niet betwist dat de door eisers genoemde organisaties wel een bijdrage uit de vierde tranche hebben gekregen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) heeft in de uitspraak 7 augustus 2002, zaaknummer 200200897/1, overwogen dat in artikel 2:4 van de Awb een waarborg is neergelegd voor de burger en dat ingevolge het tweede lid ook de schijn belangenverstrengeling dient te worden vermeden.

Met betrekking tot de vraag in welke situatie sprake van schijn van belangenverstrengeling kan zijn heeft de ABRS in de uitspraak van 16 april 1998, zaaknummer R01.93.3051,

AB 1998/75, het volgende overwogen:

"De Afdeling is van oordeel dat het aanvaardbaar is dat verweerster bij haar oordeelsvorming in dezen in beginsel af gaat op de, als een advies in de zin van art. 9 van de regeling te beschouwen, beoordeling en rangschikking door het college, mits het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Afdeling is echter tevens van oordeel dat het onjuist is dat het project door het college is beoordeeld en ten opzichte van de overige ingediende aanvragen is gerangschikt, terwijl bij drie van die overige aanvragen enkele leden van het college nauw betrokken waren. Zo kon ten aanzien van deze leden de schijn van verstrengeling van zakelijke en privé belangen ontstaan, hetgeen vermeden had moeten worden. Dat deze leden zich hebben verschoond bij de beoordeling en rangschikking van de projecten waar zij zelf bij betrokken waren, maakt dit niet anders, zo min als de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn dat aan de goede trouw van de desbetreffende leden van het college behoeft te worden getwijfeld. Hieruit volgt dat het advies niet op voldoende zorgvuldige wijze is tot stand gekomen zodat het niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd."

In het thans aan de orde zijnde geval heeft het adviescollege de aanvragen getoetst aan de Beleidsregels houdende de subsidiebepalingen die gelden in het kader van de besteding van de opbrengst van de vierde tranche van de goudpool van de Tripartite Goudcommissie, opgesteld door verweerder. (hierna: de Beleidsregels)

Ingevolge artikel 2 van de beleidsregels wordt subsidie slechts verleend indien:

1. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de met subsidiering beoogde doeleinden zullen worden bereikt en

2. de aanvrager:

1. naar het oordeel van de minister de behoefte aan subsidie heeft aangetoond;

2. voor de te subsidiëren activiteiten niet anderszins subsidie of een financiële bijdrage ontvangt en

3. aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.

Ingevolge artikel 9 van de Beleidsregels dienen de projecten op één van de volgende terreinen te liggen:

1. De zorg- of dienstverlening in de ruimste zin van het woord aan de in de Nederland wonende slachtoffers van de nazi-vervolging, alsmede aan nabestaanden.

2. Het nieuw leven inblazen van de kennis- en cultuurtraditie van vervolgenden.

3. Het instandhouden van de herinnering aan degenen die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog.

4. Het instandhouden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog zelf en het uitdragen van de waarschuwing van de ideologie daarachter.

In het advies van het adviescollege van 1 juli 1999 is sprake van een rangschikking van projecten met inachtneming van de Beleidsregels, nu gelet op het aantal aanvragen en de hoogte van de gevraagde subsidie, niet alle projecten voor honorering in aanmerking kwamen.

De rechtbank is van oordeel dat nu eerdergenoemde leden van het adviescollege nauw betrokken waren bij twee andere aanvragen, waarvan één door eiseres als concurrerend is aangemerkt, het niet juist is dat de onderhavige aanvraag door het adviescollege, in deze samenstelling, is beoordeeld. Immers niet valt uit te sluiten dat ten aanzien van bedoelde leden de schijn van belangenverstrengeling kon ontstaan. De omstandigheid dat in geval van beoordeling van een projectvoorstel van een organisatie waar een lid van het college een bestuurlijke band mee heeft gehad, dat lid zich van de deelname aan de discussie en aan de stemming heeft onthouden, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Hier wreekt zich bovendien dat de wijze waarop besluitvorming omtrent de advisering heeft plaatsgevonden niet schriftelijk is vastgelegd. De omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn dat de betreffende leden zich niet onbevangen van hun taak hebben gekweten, leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin acht de rechtbank van belang de visie van verweerder dat de onpartijdigheid van het adviescollege voldoende gewaarborgd is, doordat het uit meerdere leden is samengesteld, een voorzitter heeft die geen enkele band heeft met joodse organisaties die projectvoorstellen hebben ingediend alsmede dat vergaderd is in aanwezigheid van een ambtelijk waarnemer. Het betreft hier immers niet de vraag of het adviescollege in objectieve zin onpartijdig heeft geadviseerd, maar de vraag of naar buiten toe de schijn heeft kunnen ontstaan dat door de inbreng van de twee van de leden van het adviescollege de besluitvorming voor eisers in negatieve zin is beïnvloed.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb en dient te worden vernietigd. Bespreking van de overige grieven kan mitsdien achterwege blijven.

Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en wordt het beroep gegrond verklaard. Verweerder zal worden opgedragen binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het ingediende bezwaarschrift.

Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door [eiser1] betaalde griffierecht dienen te vergoeden

De rechtbank ziet geen grond om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. Daartoe wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De rechtbank stelt vast dat mr. [betrokkene1] advocaat te Amsterdam is en dat de door hem tijdens de zittingen verleende rechtsbijstand beroepsmatig is verleend. De rechtbank is echter van oordeel dat niet aannemelijk is dat mr. [betrokkene1] de rechtsbijstand in de hoedanigheid van een derde heeft verleend. Blijkens de oprichtingsakte van de Stichting is mr. [betrokkene1] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [eiser1]. Gelet op deze band tussen mr. [betrokkene1] en [eiser1] is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat mr. [betrokkene1] als een derde in de zin van het Besluit is aan te merken. Daarnaast blijkt uit de oprichtingsakte van Stichting dat mr. [betrokkene1] zowel secretaris als penningmeester is van deze stichting, zodat evenmin aannemelijk is dat de door mr. [betrokkene1] verleende rechtsbijstand in de hoedanigheid van een derde is verleend.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het door [eiser1] ingediende bezwaarschrift;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) het betaalde griffierecht ad € 204,- aan eisers vergoedt;

Gewezen door mr. M. de Rooij, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nubé, griffier,

en openbaar gemaakt op:

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

DOC: B