Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AJ0210

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/3112 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat het gebruik van de appartementen […]straat 35 B, C, D, E, en F voor hoteldoeleinden te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 201 met annotatie van L.J.J. Rogier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 03/3112 GEMWT

van:

A en B, beiden wonende te C,

vertegenwoordigd door mr. T.A. Timmermans,

verzoeker,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. H.E. Hartkamp,

verweerder,

Voorts heeft aan het geding deelgenomen:

D, wonende te C, vertegenwoordigd door mr. M.R. de Jongh.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter heeft op 10 juli 2003 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met verzoekers bezwaarschrift van 9 juli 2003 tegen het besluit van verweerder van 7 juli 2003 met kenmerk BWT 30-02-0165 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 13 augustus 2003.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat onverwijld een voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Verzoekers zijn gezamenlijk eigenaar van de appartementen op het adres […]straat 35B, C, D en F te C. Het appartement op het adres […]straat 35E huurt verzoeker van X Vastgoed B.V. A, voornoemd, woont op […]straat] 35A te C.

Nadat het vermoeden is gerezen dat de appartementen op het adres […]straat 35B, C, D, E, en F als hotel worden gebruikt, hebben inspecteurs van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht op 22 april 2003 een controle gehouden in genoemde appartementen. Bij die controle zijn in een aantal appartementen toeristen aangetroffen, die aan de inspecteurs hebben meegedeeld het appartement voor een aantal dagen (variërend van 6 tot 11 dagen) te hebben gehuurd. Geconstateerd is dat per appartement 4 tot 6 personen kunnen overnachten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat het gebruik van de appartementen […]straat 35 B, C, D, E, en F voor hoteldoeleinden te beëindigen. Bepaald is dat wanneer verzoeker daaraan niet tijdig voldoet, hem een dwangsom zal worden opgelegd ter hoogte van € 50,000,- per constatering dat de strijdige situatie voortduurt, waarbij het maximaal te verbeuren bedrag is vastgesteld op € 200.000,-.

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat in het kader van de heroverweging het perceel 35 E zal worden geschrapt in de beschikking jegens verzoekers, zodat de rechter in het navolgende ervan uitgaat dat de last betrekking heeft op de appartementen 35 B tot en met D en F.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat een last onder dwangsom ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Niet in geschil is dat op het perceel [...]straat 35 ingevolge het vigerende bestemmingsplan Uilenburg/Rapenburg de bestemming Woondoeleinden (W1) rust. Evenmin is in geschil dat gelet op die bestemming en artikel 3, eerste lid in samenhang gelezen met artikel 12, eerste lid van de planvoorschriften het gebruik als hotel niet is toegestaan.

Verzoekers hebben allereerst bestreden dat zij de appartementen gebruiken voor hoteldoeleinden. Gesteld is dat er geen balie, geen roomservice, geen minibar en dergelijke zijn. Verzoekers verhuren de appartementen aan voornamelijk ex patriots, die worden uitgezonden voor multinationals, voor de duur van minimaal een maand. De huur wordt aangegaan met het oogmerk er te wonen.

Ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van wonen heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld.

Bij wonen moet het niet alleen gaan om de plaats van het hoofdverblijf, maar om de vaste woon- en verblijfplaats van een persoon. Bij wonen is het gebruik vaak voor langere tijd, door dezelfde personen, volgens een vast patroon en is er vaak een sociale binding met en zorg voor woon- en leefomgeving. Kenmerkend voor wonen is het ter plaatse vestigen, de wijze van inrichting, de aanwezigheid van persoonlijke spullen en een inschrijving in het bevolkingsregister. Voorts kan aansluiting worden gezocht bij de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA). Op grond van artikel 26 van de Wet GBA dient inschrijving in de basisadministratie plaats te vinden wanneer er naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal worden gehouden.

Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder hiermee een juiste uitleg aan het begrip wonen gegeven. Verweerder heeft deze elementen bij zijn beoordeling of sprake was van hotelgebruik in plaats van wonen kunnen betrekken.

Uit het verslag van bevindingen van de inspecteurs van Bouw- en Woningtoezicht betreffende de op 22 april 2003 gehouden controle blijkt dat de aanwezige personen voor een korte termijn - dat wil zeggen voor 6 tot 11 dagen - een appartement hadden gehuurd. Ook uit de Internetadvertenties wordt duidelijk dat verzoekers, die handelen onder de bedrijfsnaam Y, de appartementen voor korte termijn - voor 3, 4, 5, 6, 7 nachten of langer - verhuren. De inrichting van de appartementen wijst er voorts op dat van wonen in vorenbedoelde zin geen sprake is.

Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat sprake is van wonen. Van de personen die bij de controle zijn aangetroffen kan niet worden gezegd dat zij hun woonverblijf hadden in het door hen van verzoekers gehuurde appartement. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechter genoegzaam aangetoond dat sprake is van een hotel. Dat er geen balie, roomservice, minibar en dergelijke aanwezig zijn doet hier niet aan af.

Uit het voorgaande volgt dat het gebruik van de appartementen in strijd is met artikel 3, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 12, eerste lid van het vigerende bestemmingsplan. Verweerder was derhalve bevoegd om handhavend op te treden.

Bij beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt dient onder meer te worden onderzocht of legalisering van het gebruik als hotel in de rede ligt.

In dat kader heeft verweerder overwogen dat vrijstelling niet zal worden verleend, aangezien het verlenen ervan het gevaar oplevert dat er een precedentwerking ontstaat op grond waarvan het in de toekomst moeilijk of wellicht onmogelijk zal zijn soortgelijke overtredingen tegen te gaan.

Gelet hierop dient te worden geoordeeld dat legalisering niet in de rede ligt.

In een geval als het onderhavige, waarin wordt gehandeld in strijd met een voorschrift en waarin niet kan worden gelegaliseerd, is verweerder volgens vaste jurisprudentie niet slechts bevoegd om daartegen handhavend op te treden, maar is hij in beginsel daartoe zelfs gehouden, aangezien de algemene belangen, die worden gediend met de handhaving van de wettelijke voorschriften en met het voorkomen van precedentwerking, dit vorderen. Dit is slechts anders indien bijzondere omstandigheden zich daar tegen verzetten.

Van bijzondere omstandigheden is de rechter in het onderhavige geval niet gebleken.

Gelet op het voorgaande zal verweerder naar verwachting het bezwaar gericht tegen de overtreding van het bestemmingsplan ongegrond verklaren en in ieder geval op dat punt in stand laten.

Verzoekers hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat - zakelijk weergegeven - de begunstigingstermijn te kort is en de dwangsom te hoog. Ook is de last te onnauwkeurig omschreven. Verzoeker is van mening dat daaruit niet is op te maken wanneer hij al dan niet in overtreding is.

De rechter overweegt als volgt.

De begunstigingstermijn is vastgesteld op één week. Nu in het onderhavige geval geen bouwkundige voorzieningen zijn vereist om het gebruik te doen staken kan niet worden gezegd dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is.

De hoogte van de dwangsom heeft verweerder berekend op basis van het financiële voordeel dat de verzoekers kunnen verwachten bij het niet naleven van de regels. Verweerder is uitgegaan van een volledige bezetting van vijf appartementen in een kalenderjaar, hetgeen naar verwachting driehonderdduizend dollars (zestigduizend per appartement) oplevert.

Gelet hierop dient te worden geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom niet in onredelijke verhouding staat tot de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Met betrekking tot de nauwkeurigheid van de opgelegde last overweegt de rechter dat uit het oogpunt van rechtszekerheid een last zodanig moet zijn omschreven dat degene tot wie de last zich richt weet wat hij moet doen of nalaten om te voorkomen dat de dwangsom wordt verbeurd. Vanwege het door verweerder geconstateerde hotelgebruik is de last gegeven de woningen in de toekomst niet voor hoteldoeleinden te gebruiken. Een dergelijke last is naar zijn aard in algemene termen gesteld.

Naar het oordeel van de rechter moet het in het onderhavige geval verzoeker voldoende duidelijk zijn wat hem wel en wat hem niet is toegestaan. Met name wijst de rechter in dit verband op verweerders uitleg van het begrip wonen. Daarmee heeft verweerder voldoende afgegrensd wanneer verzoeker bij het verhuren voor hoteldoeleinden in overtreding zal zijn. Daarbij betrekt de rechter dat volgens vaste rechtspraak van de burgerlijke rechter (onder meer Hoge Raad 18 februari 1966, NJ 1966/2008; Hoge Raad 12 december 1975, NJ 1976/495), de draagwijdte van een dergelijke - in algemene termen gestelde - last beperkt moet worden geacht tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang tegen aantasting waarvan het gebod is gegeven, inbreuken van het verbod opleveren.

Voor zover er onduidelijkheden blijven bestaan, zullen die in de executiefase aan de orde kunnen komen en kunnen deze ingevolge artikel 5:26 en in samenhang met artikel 5:33, tweede lid, van de Awb aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

De grieven met betrekking tot vermeende overtreding van de Bouwverordening en de Huisvestingswet behoeven, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling.

De rechter komt tot de slotsom dat het belang van verweerder bij onverkorte uitvoering van het besluit zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening. De gevraagde voorziening wordt daarom afgewezen.

De rechter ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.F. Kuiken, griffier,

en openbaar gemaakt op: 28 augustus 2003

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Doc: A