Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AI1395

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2003
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/2609 REA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder middels het voorlopige reïntegratieplan verzocht de kosten van de burnouttraining bij de HSK Groep onder toepassing van artikel 15 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (wet REA) te vergoeden. Verweerder heeft dit geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 02/2609 REA

van:

ABN-AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. D. Mandias,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.P. Metman.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 4 juni 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen een tweetal besluiten van verweerder van 10 mei 2002.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 18 maart 2003.

2. OVERWEGINGEN

[medewerker] werkt sinds 1 maart 1988 bij eiseres. Op 15 september 1999 heeft hij zijn werkzaamheden als senior accountmanager medische beroepen gestaakt in verband met vermoeidheidsklachten, slapeloosheid en milde depressiviteit. In oktober 1999 is [medewerker], op instigatie van de arbodienst van eiseres, door de HSK Groep in behandeling genomen. In augustus 2000 is [medewerker] weer 12 uur per week gaan werken en op 9 oktober 2000 heeft hij volledig hervat in een andere functie bij eiseres.

Eiseres heeft verweerder middels het voorlopige reïntegratieplan verzocht de kosten van de burnouttraining bij de HSK Groep onder toepassing van artikel 15 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (wet REA) te vergoeden. Verweerder heeft dit geweigerd.

Voordat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de materiële vraag of verweerder terecht heeft geweigerd eiseres een subsidie op grond van de Wet REA te verstrekken zal de rechtbank aandacht besteden aan enkele meer procedurele aspecten van deze zaak.

Onder de gedingstukken bevonden zich aanvankelijk slechts één besluit in primo en één besluit op bezwaar. Het besluit in primo, gedateerd 28 september 2001 (besluit in primo 1), was gericht aan [medewerker] en behelsde het besluit [medewerker] niet als arbeidsgehandicapte aan te merken. Het besluit op bezwaar, gedateerd 10 mei 2002 (besluit op bezwaar 1), gericht aan eiseres, behelsde de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit in primo 1.

Ter zitting is de rechtbank evenwel gebleken dat verweerder reeds bij besluit in primo van 12 januari 2001 (besluit in primo 2), gericht aan eiseres, had geweigerd eiseres de gevraagde subsidie toe te kennen, omdat [medewerker] niet kon worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte. De rechtbank is voorts gebleken dat eiseres ook tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt en dat eiseres het bezwaar tegen dit besluit bij een afzonderlijk besluit op bezwaar (besluit op bezwaar 2), evenals besluit op bezwaar 1 gedateerd 10 mei 2002, ongegrond heeft verklaard.

Nu verweerder reeds bij besluit in primo 2 had besloten [medewerker] niet als arbeidsgehandicapte aan te merken kan besluit in primo 1 niet anders worden gezien dan als een herhaling van besluit in primo 2 en derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1: 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had het bezwaar tegen besluit in primo 1 derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu verweerder het bezwaar van eiseres bij besluit op bezwaar 1 ongegrond heeft verklaard dient het beroep tegen besluit op bezwaar 1 gegrond te worden verklaard en dient besluit op bezwaar 1 te worden vernietigd. Doende hetgeen verweerder had moeten doen zal de rechtbank in zoverre zelf in de zaak voorzien dat hij het bezwaar van eiseres tegen besluit in primo 1 alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren.

Hoewel eiseres bij het instellen van beroep uitsluitend besluit op bezwaar 1 lijkt te hebben overgelegd - de rechtbank kan dit niet (meer) met zekerheid vaststellen - heeft zij in haar beroepschrift aangegeven beroep aan te tekenen tegen de beslissing op bezwaar inhoudende ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen de afwijzing van een voorziening ex artikel 15 van de Wet REA. Wat hier echter ook van zij, onder de hiervoor geschetste omstandigheden en gezien de door verweerder geschapen verwarring rond de besluitvorming, dient het beroepschrift van eiseres naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als zijnde gericht tegen beide besluiten van 10 mei 2002, derhalve ook tegen besluit op bezwaar 2. De rechtbank zal hierna besluit op bezwaar 2 dan ook aan een inhoudelijke beoordeling onderwerpen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Naar tussen partijen niet in geschil is kan [medewerker] niet op grond van artikel 2, eerste of tweede lid, van de Wet REA van rechtswege als arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt. Volgens artikel 2, derde lid, van de Wet REA kan evenwel ook als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt degene die niet op grond van het eerste of het tweede lid van rechtswege als arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt, doch ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld dat hij belemmeringen heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.

Artikel 2, zesde lid, van de Wet REA bepaalt dat met betrekking tot het derde lid nadere regels kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Onder toepassing van deze bepaling hebben de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de regelgever) het Arbeidsgehandicaptebesluit getroffen. In dit besluit wordt aangegeven op welke wijze dient te worden bepaald of iemand als arbeidsgehandicapte dient te worden aangemerkt. Aan het besluit is een beslisschema toegevoegd waarin de relevante beoordelingspunten stapsgewijs worden weergegeven. Volgens dat beslisschema is de eerste vraag die moet worden beantwoord de vraag of sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard. Over het structurele karakter van de beperkingen wordt in de toelichting bij het besluit opgemerkt dat de aandoening en de beperkingen minstens een jaar voorafgaande aan de beoordeling moeten hebben bestaan. Als dat niet het geval is kan het echter ook voldoende zijn dat de klachten en beperkingen naar alle waarschijnlijkheid tenminste een jaar zullen bestaan. Voor de arbodiensten geldt, zo vervolgt de toelichting, dat als bij het voorlopige reïntegratieplan is aangegeven dat verwacht wordt dat de werknemer binnen het ziektejaar weer zal genezen van een arbeidshandicap geen sprake is. Voorts dienen de ziekte of gebreken op het moment van de keuring nog te bestaan.

Niet kan worden gesteld dat de regelgever door te bepalen dat sprake moet zijn van structurele beperkingen in de hiervoor omschreven zin is getreden buiten de door de wet gestelde grenzen. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om deze keuze van de regelgever aan te tasten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in casu niet kan worden gesproken van structurele beperkingen als bedoeld in het Arbeidsgehandicaptebesluit. De rechtbank acht in dit verband van belang dat op het beoordelingsmoment nog geen sprake was van een langdurige uitval en dat, gezien de gunstige prognose, te verwachten viel dat [medewerker] binnen niet al te lange termijn zou kunnen hervatten in een passendere functie. Dat het de facto iets langer dan een jaar heeft geduurd voordat [medewerker] weer fulltime werkte maakt niet dat de inschatting dat geen sprake was van structurele beperkingen achteraf bezien onjuist moet worden geacht.

Dat [medewerker] wanneer eiseres niet tijdig had ingegrepen mogelijk wel langdurig buiten staat zou zijn geweest te werken kan aan het voorgaande niet afdoen. Het ligt immers nu juist op de weg van de werkgever adequate reïntegratiemaatregelen te treffen. Het gaat dan ook niet aan bij de beantwoording van de vraag of naar verwachting sprake zal zijn van structurele beperkingen te abstraheren van de door de werkgever getroffen maatregelen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht besloten [medewerker] niet als arbeidsgehandicapte aan te merken. Aangezien een subsidie op grond van de Wet REA alleen kan worden verstrekt indien sprake is van arbeidsgehandicapte werknemer heeft verweerder voorts terecht geweigerd eiseres een subsidie te verstrekken. De rechtbank tekent hierbij wel aan dat nu [medewerker] niet heeft hervat in zijn eigen werk, maar in ander werk, indien hij wel als arbeidsgehandicapte had moeten worden aangemerkt en verweerder eiseres een subsidie had moeten verstrekken dit een subsidie op grond van artikel 16 van de Wet REA zou zijn geweest en niet op grond van artikel 15 van de Wet REA.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres tegen besluit op bezwaar 2 ongegrond dient te worden verklaard.

Nu het beroep tegen besluit op bezwaar 1 gegrond zal worden verklaard dient het door eiseres betaalde griffierecht op de voet van artikel 8:74 van de Awb te worden vergoed.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 644,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting x € 322,- x factor 1).

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen besluit op bezwaar 1 gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- verklaart het bezwaar tegen besluit in primo 1 alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het door haar betaalde griffierecht van € 218,- aan eiseres wordt vergoed:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van eiser tot een bedrag van € 644,-, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen;

- verklaart het beroep tegen besluit op bezwaar 2 ongegrond.

Gewezen door mr. M.C. Bruning, voorzitter, en mrs. R.B. Kleiss en

W.M.C. van den Berg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en openbaar gemaakt op: 23 juni 2003

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op: 23 juni 2003

Coll.

DOC: A