Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AI1383

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/657 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. In verband met het bereiken van de 65-jarige heeft eiser zowel in Nederland als in België een ouderdomspensioen aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 02/657 AOW

van:

[eiser], wonende in België,

eiser,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door G.J.N. Keuper.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 19 februari 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 januari 2002.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 8 mei 2003.

2. OVERWEGINGEN

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. In verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd op [...] januari 2001 heeft eiser zowel in Nederland als in België een ouderdomspensioen aangevraagd.

Bij besluit in primo van 19 juli 2001 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2001 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Verweerder heeft daarbij aangenomen dat eiser van 10 september 1982 tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet Nederlands verzekerd is geweest en heeft in verband daarmee op eisers AOW-pensioen een korting wegens niet-verzekerde jaren toegepast van 36%. Verweerder heeft in genoemd besluit de mededeling opgenomen het pensioen over de periode van januari tot en met augustus 2001 te zullen uitbetalen aan de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen (RVP).

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen de vaststelling van de hoogte van zijn AOW-pensioen ongegrond verklaard en eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de uitbetaling aan de RVP. Eiser heeft in beroep grieven aangevoerd tegen beide onderdelen van verweerders besluit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de uitbetaling aan de RVP

In een situatie als deze, waarin de aanvrager zowel aanspraak maakt op een Nederlands ouderdomspensioen als op een Belgisch ouderdomspensioen, moet het pensioen worden vastgesteld op de wijze omschreven in artikel 46 van Verordening (EEG) 1408/71. Hiertoe moeten de betrokken organen gegevens uitwisselen en ieder voor zich de voorgeschreven berekeningen maken. Dit kost uiteraard tijd. Om te voorkomen dat de aanvrager in de tussentijd van inkomsten verstoken blijft is in artikel 45, eerste lid, van Verordening (EEG) 574/72 geregeld dat het behandelende orgaan de aanvrager, onder bepaalde voorwaarden, een voorlopige uitkering verstrekt. Op grond van deze bepaling heeft het Belgische Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), als zijnde het behandelende orgaan, besloten eiser in aanmerking te brengen voor een voorlopige uitkering. Het RSVZ heeft hier tegenover verweerder melding van gemaakt onder punt 15 van het door hem, via het Bureau voor Belgische Zaken, naar verweerder gezonden formulier E202 van 20 februari 2001.

In België is het zo geregeld dat het RSVZ weliswaar beslist over de toekenning van een pensioen, maar dit pensioen niet zelf uitbetaalt. De uitbetaling van pensioenen is de taak van de RVP. Eiser heeft zijn voorlopige uitkering dan ook niet van het RSVZ, maar van de RVP ontvangen.

Artikel 111, eerste lid, van Verordening (EEG) 574/72 biedt het behandelende orgaan de mogelijkheid een ander bij de zaak betrokken orgaan te verzoeken eventuele achterstallige pensioengelden niet aan de betrokkene zelf te betalen, maar aan het orgaan dat een voorlopige uitkering heeft verstrekt, zodat dat orgaan deze pensioengelden kan verrekenen met de reeds betaalde voorlopige uitkering. Van deze mogelijkheid heeft het RSVZ gebruik gemaakt door op het formulier E202 bij punt 16.1 aan te kruisen dat achterstallige pensioengelden niet rechtstreeks aan de belanghebbende kunnen worden uitbetaald. Het aankruisen van deze optie betekent dat de pensioengelden door het andere betrokken orgaan aan het behandelende orgaan moeten worden overgemaakt. Het andere betrokken orgaan, in dit geval verweerder, heeft in deze situatie geen eigen beoordelingsruimte en/of beslissingsbevoegdheid. Het andere orgaan heeft geen andere mogelijkheid dan de over de periode waarover een voorlopige uitkering is betaald verschuldigde gelden over te maken aan het behandelend orgaan. Wanneer de aanvrager het met deze gang van zaken niet eens is dient hij zich te wenden tot het behandelend orgaan.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de mededeling van verweerder het pensioen over de periode van januari tot en met augustus 2001 te zullen uitbetalen aan de RVP gericht is op een rechtsgevolg. Voor zover hier al sprake is van een rechtsgevolg is dit ingetreden door het besluit van het RSVZ een beroep te doen op artikel 111 van Verordening (EEG) 574/72 en niet door enigerlei handelen of nalaten van verweerder. Aan de zijde van verweerder is derhalve geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen zijn mededeling over de uitbetaling aan de RVP.

Ten aanzien van de berekening van de korting op eisers AOW-pensioen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat moet worden aangenomen dat eiser vanaf 10 september 1982 niet meer in Nederland, maar in België, woont. De rechtbank deelt dit standpunt. Eiser heeft in zijn brief van 8 juni 1999 aangegeven in 1982 naar Brugge te zijn verhuisd. Ook op het op 9 juli 1997 door hem ingevulde en ondertekende aanvraagformulier heeft hij aangegeven vanaf 1982 in België te wonen. Dit heeft hij herhaald in zijn brief van 23 augustus 1999 en tijdens de hoorzitting van 19 december 2001. Vóór de zitting van 8 mei 2003 heeft eiser nimmer beweerd dat hij ook na 9 september 1982 in Nederland zou zijn blijven wonen. De rechtbank heeft hier in de gedingstukken ook geen enkele indicatie voor aangetroffen. In de gedingstukken worden als adres van eiser achtereenvolgens genoemd […]weg 63 en […]straat 8 te [plaats België]. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank aan de eerst ter zitting overgelegde verklaringen van eisers ex-echtgenote en vriendin niet die waarde hechten die eiser er kennelijk aan gehecht wenst te zien. De rechtbank tekent daarbij aan dat, zoals verweerder ter zitting ook heeft aangegeven, het feit dat iemand regelmatig in Nederland verblijft niet uitsluit dat hij in België woont.

De tijdvakken gedurende welke eiser in voorlopige hechtenis heeft verbleven – volgens opgave van eiser 14 november 1984 tot 4 april 1985, 14 september 1994 tot 26 oktober 1994 en 11 november 1996 tot 27 mei 1997 - kunnen niet worden aangemerkt als tijdvakken van wonen in Nederland. Voor de beantwoording van de vraag waar iemand woont is van doorslaggevend belang waar het middelpunt ligt van zijn persoonlijk en maatschappelijk leven. Hiertoe dienen de juridische, economische en sociale banden die hij heeft met de in aanmerking komende landen in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Wanneer iemand in verband met voorlopige hechtenis noodgedwongen tijdelijk in een bepaald land, in dit geval Nederland, verblijft is dit gegeven op zich onvoldoende om aan te nemen dat het middelpunt van zijn persoonlijk en maatschappelijk leven daarmee ook in dat land is komen te liggen.

Verweerder heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser sedert 10 september 1982 niet als ingezetene op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW verzekerd was.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser sedert 10 september 1982 ook niet als zijnde onder worpen aan de Nederlandse loonbelasting op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW verzekerd was. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat hij tot 26 april 1996 onderworpen is geweest aan de Nederlandse loonbelasting. Hij beroept zich hiertoe op een rapport van de Afdeling Forensische Accountancy van 13 november 1994. Dit rapport is uitgebracht in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek naar aanleiding van een aangifte van vermoedelijk gepleegde oplichting en flessentrekkerij, waarbij eiser betrokken zou zijn geweest. Mede op basis van dit rapport is eiser op 14 maart 1995 door de rechtbank Almelo veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden. Behalve op genoemd rapport beroept eiser zich op een aantal fiscale bepalingen inzake aanmerkelijk belang.

Voor zover eiser meent dat het rapport van Afdeling Forensische Accountancy steun biedt voor zijn standpunt dat hij onderworpen was aan de Nederlandse loonbelasting kan de rechtbank hem daarin niet volgen. In het rapport wordt aangegeven dat eiser in de relevante periode bestuurder was van een aantal Nederlandse besloten vennootschappen. Dit wordt bevestigd door de zich onder de gedingstukken bevindende uittreksels uit het Handelsregister. Volgens deze uittreksels heeft eiser sedert 1982 in het Handelsregister ingeschreven gestaan als bestuurder van de volgende in Nederland gevestigde besloten vennootschappen:

· [BV 1] B.V. (tot 21 september 1982);

· [BV 2] B.V. (van 1 maart 1983 tot 1 februari 1984);

· [BV 3] B.V. (van 23 september 1983 tot 1 januari 1987);

· [BV 4] B.V. ( van 30 juli 1985 tot 17 januari 1989);

· [BV 5] B.V. (van 8 juni 1988 tot 23 oktober 1989) en

· [BV 6] B.V (van 20 november 1989 tot 26 april 1996).

Dat eiser bestuurder was van genoemde besloten vennootschappen is niet in geschil. In geschil is slechts of eiser op grond hiervan tot 26 april 1996 AOW-verzekerd was.

De rechtbank wijst erop dat het zijn van bestuurder van een besloten vennootschap op zich niet voldoende is om onderworpen te zijn aan de loonbelasting en dus ook niet om langs die weg verzekerd te zijn ingevolge de AOW. Daartoe is tevens vereist dat de bestuurder werkzaamheden verricht en dat hij voor deze werkzaamheden een beloning ontvangt. Van een bestuurder van een besloten vennootschap die zijn werk zonder beloning verricht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat hij onderworpen is aan de loonbelasting. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1985, gepubliceerd in BNB 1985/304. Is de bestuurder niet tegen een vaste beloning werkzaam, maar ontvangt hij incidenteel - wanneer hij bepaalde werkzaamheden verricht - een beloning, dan dient, om te kunnen vaststellen gedurende welke tijdvakken de bestuurder precies verzekerd is, duidelijk te zijn wanneer de bestuurder precies werkt en welke beloning hij daarvoor ontvangt.

In het rapport van de Afdeling Forensische Accountancy wordt aangegeven dat eiser alleen vanuit de Belgische N.V. [plaats] import en export maatschappij, waarvan hij gedelegeerd bestuurder was, een salaris ontving. Voor het overige ontving hij volgens het rapport slechts onkostenvergoedingen. Het komt de rechtbank voor dat het enkele ontvangen van een onkostenvergoeding onvoldoende is om onderworpenheid aan de loonbelasting als hiervoor omschreven aan te nemen. Zelfs echter indien dit anders zou zijn, dan nog kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat, nu volstrekt onduidelijk is op welke werkzaamheden, voor welke vennootschappen, gedurende welke tijdvakken, deze onkostenvergoedingen betrekking zouden moeten hebben. Deze onduidelijkheid komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser. De rechtbank is met de rechtbank Almelo van oordeel dat op basis van het rapport van Afdeling Forensische Accountancy moet worden aangenomen dat eiser het binnen het conglomeraat van vennootschappen voor het zeggen had. Hij had, in de woorden van de rechtbank Almelo, als een puppet-master de touwtjes in handen. De hiervoor geschetste onduidelijkheid is een rechtstreeks gevolg van de wijze waarop eiser de administratie van de vennootschappen vorm heeft gegeven c.q. vorm heeft doen geven. Het had dan ook op zijn weg gelegen deze onduidelijkheid weg te nemen. Hierin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

Eisers beroep op de fiscale bepalingen inzake het aanmerkelijk belang kan evenmin slagen.

De rechtbank neemt aan dat eiser met zijn beroep op deze bepalingen het oog heeft gehad op de mogelijkheid in die gevallen waarin de aanmerkelijkbelanghouder persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, en waarin hij van deze vennootschap geen loon ontvangt, de verhouding met deze aanmerkelijkbelanghouder aan te merken als een zogenoemde fictieve dienstbetrekking en hem voor de vaststelling van de door hem verschuldigde belasting een fictief loon toe te bedelen. Deze mogelijkheid bestaat echter pas sinds 1 januari 1997 en is derhalve voor het onderhavige geschil niet relevant. De rechtbank kan en zal daarom in het midden laten of kan worden aangenomen dat eiser een aanmerkelijk belang had in genoemde Nederlandse vennootschappen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard. Voor een vergoeding van het griffierecht aan eiseres of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. T. van Peijpe, voorzitter, en mrs. J.F.A. Graafland en H.G. Schoots, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en openbaar gemaakt op: 21 augustus 2003

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op: 21 augustus 2003

Coll.

DOC: B