Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AI1380

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/2284
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft geweigerd eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 02/2284

van:

A, wonende te B,

eiseres,

tegen:

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. J. Hud.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 21 mei 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2002.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 8 mei 2003.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft geweigerd eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is alleenstaand. Van 1 januari 1997 tot en met 28 februari 1998 heeft zij in Ierland gewerkt. Vanaf 1 maart 1998 heeft zij in het Verenigd Koninkrijk gewerkt, laatstelijk van 29 augustus 2000 tot en met 21 december 2001 bij X te Reading. Eiseres had daar een contract voor onbepaalde tijd. Zij is volgens haar opgave ontslagen in verband met een reorganisatie. Voor haar vertrek naar het Verenigd Koninkrijk woonde eiseres zelfstandig, in een huurwoning. In verband met haar vertrek naar het Verenigd Koninkrijk heeft zij de huur opgezegd en zich laten uitschrijven uit het Nederlandse bevolkingsregister. Een deel van haar inboedel heeft zij meegenomen naar het Verenigd Koninkrijk. De rest heeft zij opgeslagen in Nederland. Eiseres heeft tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk geen Nederlandse bank- of girorekening aangehouden. Zij bleef tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk geen maatschappelijke banden met Nederland onderhouden in de vorm van een lidmaatschap van verenigingen of clubs. Contact met familie en vrienden in Nederland onderhield zij via e-mail, telefoon en bezoek.

Eiseres is op 24 december 2002 teruggekeerd in Nederland. Zij heeft haar intrek genomen bij haar ouders en zich, op het adres van haar ouders, weer laten inschrijven in het Nederlandse bevolkingsregister. Op 24 januari 2002 heeft eiseres zich als werkzoekende ingeschreven bij het arbeidsbureau en op 25 januari 2002 heeft zij bij verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) aangevraagd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres tijdens het verrichten van haar werkzaamheden bij Logica op grond van het in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: de Verordening) neergelegde werklandbeginsel onderworpen was aan de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk. Verweerder is van mening dat eiseres na het intreden van haar werkloosheid aangewezen was op een uitkering vanuit het Verenigd Koninkrijk. Op een Nederlandse uitkering zou zij slechts aanspraak kunnen maken indien zij zich zou bevinden in een situatie als omschreven in artikel 71, eerste lid, onder b.ii van de Verordening. Volgens deze bepaling kan de volledig werkloze niet-grensarbeider onder bepaalde omstandigheden aanspraak maken op een uitkering vanuit zijn woonland in plaats van vanuit de bevoegde lidstaat, in dit geval het met behulp van het werklandbeginsel aangewezen Verenigd Koninkrijk. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat artikel 71 van de Verordening niet op eiseres van toepassing is. Artikel 71 is namelijk slechts van toepassing op werklozen die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat wonen. Eiseres woonde tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden - haar werkzaamheden bij X- volgens verweerder echter in de bevoegde lidstaat, zijnde het door artikel 13 aangewezen Verenigd Koninkrijk. Eiseres zou slechts aanspraak kunnen maken op een Nederlandse uitkering wanneer zij tijdens het verrichten van haar werkzaamheden bij X nog in Nederland zou hebben gewoond. Dit nu was volgens verweerder niet het geval.

Het standpunt van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank juist. Verweerder stelt terecht dat eiseres op grond van het werklandbeginsel tijdens het verrichten van haar werkzaamheden bij X onderworpen was aan de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk. Ook stelt verweerder terecht dat eiseres alleen langs de weg van artikel 71 van de Verordening aanspraak zou kunnen maken op een Nederlandse werkloosheidsuitkering wanneer zij tijdens het verrichten van haar werkzaamheden bij X in Nederland zou hebben gewoond. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit laatste niet het geval was en dat eiseres destijds in het Verenigd Koninkrijk woonde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft zich in een reeks van uitspraken uitgelaten over de betekenis van het begrip woonplaats in het algemeen en in relatie tot artikel 71 van de Verordening in het bijzonder. De rechtbank noemt bij wijze van voorbeeld de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, zaak 76/76, Jurisprudentie 1977, blz. 315, Reibold van 13 november 1990, zaak 216/89, Jurisprudentie 1990, blz. 4163 en Knoch van 8 juli 1992, zaak C-102/90, Jurisprudentie 1992, blz. I-4341, tevens gepubliceerd in RSV 1993/57.

Uit de jurisprudentie van het Hof leidt de rechtbank af dat de woonplaats is de plaats waar zich “het gewone centrum van belangen” van de betrokkene bevindt. Het hebben van een woonplaats in land A sluit daarbij niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats heeft in land B. Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkene zijn woonplaats in land A heeft behouden ondanks zijn vertrek naar land B, bijvoorbeeld om daar te gaan werken, moet worden gekeken naar:

· de duur en de bestendigheid van de woonplaats in land A vóór vertrek naar land B;

· de duur en het doel van de afwezigheid;

· de aard van de in land B verrichte werkzaamheden;

· de intentie van betrokkene, zoals die uit alle omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, blijkt.

Deze uitgangspunten toepassend op de situatie van eiseres is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geschetste omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat eiseres toen zij in het Verenigd Koninkrijk ging werken het “gewone centrum van haar belangen” en daarmee haar woonplaats van Nederland heeft overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de redenen waarom zij destijds haar huur heeft opgezegd en waarom zij geen Nederlandse bank- of girorekening heeft aangehouden en hetgeen zij heeft aangevoerd omtrent het deel van haar inboedel dat zij in Nederland heeft opgeslagen kan daaraan niet afdoen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard. Voor een vergoeding van het griffierecht aan eiseres of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

Gewezen door mr. T. van Peijpe, voorzitter, en mrs. J.F.A. Graafland en H.G. Schoots, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en openbaar gemaakt op: 21 augustus 2003

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op: 21 augustus 2003

Coll.

DOC: B