Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AI0874

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
13/123025-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2004:AT7349
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Amsterdam veroordeelt verdachte martelingen tot 12 jaar gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte H. e. B. voor ondermeer mishandeling, vrijheidsberoving en poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar.

De verdachte pleegde deze misdrijven samen met drie anderen. De mededaders zijn veroordeeld voor resp. 10, 7 en 4 jaar gevangenisstraf. Aan één van de slachtoffers moet een voorschot van € 12.915 aan schadevergoeding worden betaald.

De verdachte en zijn mededaders hebben twee slachtoffers op gruwelijke wijze gemarteld en bedreigd om informatie te krijgen over een vermiste partij cocaïne. Dat één van de slachtoffers met de bewuste drugsdeal hoogstwaarschijnlijk niets te maken had en toevallig bij de gruwelijke gebeurtenissen betrokken raakte, acht de rechtbank buitengewoon schrijnend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/123025-03

Datum uitspraak: 6 augustus 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 7e meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Amersfoort op 4 februari 1981,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres verdachte],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Havenstraat" te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 7 telastegelegde niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen en dientengevolge partieel nietig is. De telastelegging is naar haar mening te vaag en onvoldoende feitelijk om een deugdelijke grondslag te kunnen vormen voor een eerlijk proces nu verdachte zich niet tegen deze telastelegging kan verweren.

De rechtbank is van oordeel dat de telastelegging voldoende duidelijk en voldoende feitelijk is omschreven en voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de telastelegging stelt. Dat er in deze telastelegging meerdere pleegplaatsen en een ruime pleegperiode zijn opgenomen doet daaraan niet af. De telastelegging maakt duidelijk dat in een bepaalde periode vanuit verschillende plaatsen drugstransporten zouden hebben plaastgevonden. Dit is een duidelijke beschuldiging, waartegen verdachte zich kan verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer.

3. Het bewijs

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 6 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1A.

op tijdstippen op 19 januari 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachto[slachtoffer 1] en [slachtoffe[slachtoffer 2] telkens opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (littekens op de bovenarmen en op de buik en op de rug en op de schouders en in het gezicht en gehoorbeschadiging) heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg meermalen een brandende sigaret tegen het gezicht van die vastgebonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te duwen en meermalen een heet strijkijzer tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te duwen en vervolgens zout in de daardoor ontstane brandwonden te strooien en met een riem meermalen op die brandwonden te slaan en die vastgebonden en vastgehouden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen tegen hun hoofd te slaan;

1B.

op of 19 januari 2003 deels te Amsterdam en deels elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachto[slachtoffer 1] en [slachtoffe[slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders de telefoons van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgenomen en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vervoerd naar een woning in Amsterdam ([adres]) en een beweging gemaakt alsof een wapen werd vastgepakt en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en bij hun armen gepakt en vastgehouden en vervolgens naar die woning meegevoerd en in die woning de handen en de voeten van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] vastgetaped en vastgebonden en hun mond dichtgetaped en belemmerd die woning te verlaten en die [slachtoffer 2] bewaakt met een stofzuigerslang;

2.

op 19 januari 2003 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffe[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededaders die [slachtoffer 2] (die met dichtgetapede mond en met de handen vastgebonden op zijn buik op de grond lag en met zijn hoofd naar achteren werd getrokken) meermalen cola in de neus gespoten

en

op 19 januari 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffe[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een revolver meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gedrukt en de trekker van deze revolver overgehaald;

3.

op tijdstippen op 19 januari 2003 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen (de telkens aan handen en benen vastgebonden) [slachto[slachtoffer 1] en [slachtoffe[slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens met dat opzet naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en zijn mededaders, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen met kracht tegen het gezicht hebben geslagen en met een stofzuigerstang meermalen met kracht tegen de rug en de benen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geslagen en [slachtoffer 2] met kracht op de grond hebben gegooid en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen in hun buikstreek en tegen hun rug hebben geschopt en getrapt en een revolver op de linker knie van [slachtoffer 2] hebben gericht en de trekker van deze revolver hebben overgehaald;

4.

op tijdstippen op 19 januari 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

[slachto[slachtoffer 1] en [slachtoffe[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk dreigend [slachto[slachtoffer 1] en [slachtoffe[slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

- "We rijden nou ergens heen, als je nou niet zegt waar het spul is, dan rijden we ergens heen

en daar komen jullie niet meer uit. Het is beter als jullie nu zeggen waar het spul is" en

- "Het spul moet echt boven water komen anders gaat het echt jullie leven kosten" en

- "Luister, jullie hebben nog één kans. Het spul moet boven water komen. Als we zo naar

boven lopen gaan er hele erge dingen gebeuren" en

- "Lopen, lopen anders gaan er nare dingen gebeuren" en

- "Jullie krijgen nog een één kans. Jullie mogen nog één keer bellen. Hiervoor wil ik zelfs

vijftien jaar zitten, maar dan wil ik eerst mijn geld terug" en

- "Jullie pakken ook zijn brood af. Hij gaat jullie flink te pakken nemen als jullie niet praten.

Jullie kunnen beter praten voordat hij hier is" en

- "Jullie gaan eraan" en

- "Ik ga jullie elektrokuteren en vingers eraf snijden" en

- dat voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vandaag dood zouden gaan en dat hier in de buurt

iemand was vermoord, ene Sjors en dat hij dat ook had gedaan en

- "Ik ga even een blaffer pakken",

en hebben hij, verdachte en zijn mededaders tijdens het uiten van enige van bovengenoemde woorden met een mes de kleding van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] losgesneden en met dat mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt en een machinepistool op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gericht en daarmee gezwaaid in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2];

5.

op 18 januari 2003 te Soesterberg, gemeente Soest, opzettelijk heeft verstrekt aan [slachtoffe[slachtoffer 2] ongeveer vier kilo cocaïne;

7.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2002 tot en met 18 januari 2003 te Amersfoort en te Woudenberg en te Venlo en te Weert en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (tussen circa 1 en 3 kilogram per uitvoer) en ongeveer 100.000 XTC pillen, bevattende een op lijst I van de Opiumwet voorkomende stof die kenmerkend is voor XTC-pillen, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) telkens opzettelijk een hoeveelheid cocaïne en die pillen in een vrachtwagen vanuit Nederland naar Engeland vervoerd.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.3 De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3.4 Nadere bewijsoverwegingen.

Door de verdediging van de zijde van verdachte en zijn mededaders is een aantal verweren gevoerd. Deze worden hier onder alle besproken, ook indien deze verweren door de verdachte zelf niet als zodanig naar voren zijn gebracht.

De verdediging heeft betoogd dat de bij de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geconstateerde verwondingen niet als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 november 1998, NJ 1999, 151.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De littekens van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bevinden zich op zichtbare plaatsen. Ook al is volgens de medische stukken in het dossier de eindtoestand nog niet ingetreden, het is reeds duidelijk dat de littekens van zodanige aard en omvang zijn dat deze altijd zichtbaar blijven. Ook staat (nog) niet vast of de beschadiging van het gehoor van het slachtoffer [slachtoffer 1] ooit geheel zal herstellen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, aangezien niet uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten dezelfde handelingen hebben verricht.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Niet is vereist dat elke medepleger alle bestanddelen van het delict vervult. Wel moet er sprake zijn van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Nu is vast komen te staan dat hiervan sprake was verwerpt de rechtbank ook dit verweer.

Daarnaast is de verdediging van mening dat de poging tot moord, zoals telastegelegd onder 2, een ondeugdelijke poging is. Cola is naar zijn aard en samenstelling voor mensen geen dodelijke substantie en daarom niet geschikt om daarmee een mens van het leven te beroven.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Het gaat niet om de samenstelling van de gebruikte vloeistof (cola), maar om de manier waarop verdachte met die vloeistof is omgegaan. Het flink schudden van een blikje cola en het openen ervan onder de neus van iemand wiens mond is dichtgeplakt, is voldoende om dat slachtoffer zodanig de adem te benemen dat verstikking daarvan het gevolg kan zijn. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het intreden van dat gevolg geenszins denkbeeldig was.

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De hiervoor opgenomen bewezenverklaring geeft in detail aan op welke gruwelijke wijze verdachte met drie anderen in de nacht van 19 januari 2003 zijn slachtoffers heeft gemarteld en bedreigd. Om van de slachtoffers informatie over een vermiste partij cocaïne te verkrijgen, hebben verdachte en zijn mededaders hen langdurig van hun vrijheid beroofd gehouden en gemarteld op een manier die deels letterlijk levensbedreigend was en die voor het overige bij de slachtoffers voor de rest van hun leven lichamelijke en geestelijke littekens zal achterlaten. Voorafgaande aan en gedurende de martelingen hebben verdachte en zijn mededaders de beide slachtoffers doodsbang gemaakt.

Dat een van de slachtoffers met de bewuste drugsdeal hoogstwaarschijnlijk niets te maken had en toevallig bij de gruwelijke gebeurtenissen betrokken raakte, is buitengewoon schrijnend. Dat hem in de bewuste nacht onvoorstelbaar en onherstelbaar leed is toegebracht heeft dat slachtoffer in zijn verklaringen en in de toelichting op zijn hierna te bespreken civiele vordering meer dan aannemelijk maakt.

Daarnaast heeft verdachte zich met zijn broer Jacien op grote schaal bezig gehouden met het vervoer van cocaïne en XTC-pillen naar Engeland, waarmee hij uit puur geldelijk gewin

- gemeten aan de grote hoeveelheid vervoerde drugs - de gezondheid van zeer veel personen op het spel heeft gezet.

Door de bewezenverklaarde feiten is de rechtsorde ernstig geschokt en past slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van die duur heeft de rechtbank ook laten wegen dat verdachte over zijn gedrag geen enkele opening van zaken heeft willen geven en ook geen spijt heeft betuigd. Daarnaast staat vast verdachte niet alleen aan de meeste folteringen en vrijheidsbeneming actief heeft deelgenomen, maar ook dat hij daarin een leidinggevende rol heeft gespeeld. De rechtbank neemt uitdrukkelijk afstand van het standpunt van de raadsvrouw inhoudende dat de folteringen met name aan een van de medeverdachten moet wrden toegerekend.

7. De benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachto[slachtoffer 1], van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor voeging in dit strafgeding. Dit geldt voor de gevorderde materiële schade onder 1 (kleding), 2 (reiskosten), 3 (verhuiskosten), 4 (telefoonkosten) en 5 (kosten opvragen medisch dossier), voor een bedrag van in totaal € 915,89, voor welk bedrag verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn. De overige door [slachtoffer 1] gevorderde kosten onder 6 (inkomensderving) en 7 (medische kosten) zijn niet van zo eenvoudige aard dat deze zich lenen voor voeging in de strafzaak, mede omdat nog geen eindtoestand is ingetreden en omdat de vier betrokken verdachten niet allen in gelijke mate bij de folteringen betrokken waren zoals uit de individuele strafmotiveringen blijkt. Het slachtoffer kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op de ernst van de martelingen, de vaststaande ernst van het letstel en de door [slachtoffer 1] aangevoerde noodzaak om over middelen te beschikken om behandelingen te kunnen ondergaan, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding tot het toewijzen van een voorschot tot een bedrag van € 12.915,89 voor welk bedrag verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 282, 285, 289, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 6 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1A, 1B, 2, 3, 4, 5 en 7 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1A bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling met voorbedachten rade, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 1B bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachto[slachtoffer 1], wonende op het adres

[adres slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 12.915,89 (twaalfduizendnegenhonderdvijftien euro en negenentachtig cent).

Veroordeelt verdachte aan [slachto[slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens de drie medeverdachten is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachto[slachtoffer 1], te betalen de som van €12.915,89 (twaalfduizendnegenhonderdvijftien euro en negenentachtig cent), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens de drie medeverdachte is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs. H.C. Hoogeveen en M.J. van Steeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Oomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2003.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.