Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AG3046

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
13/118029-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/118029-02

Datum uitspraak: 18 juni 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank in het arrondissement Amsterdam, zevende meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [woonplaats] en aldaar feitelijk verblijvende.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 juni 2003.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

-----

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij te Amsterdam op 27 februari 2002 omstreeks 14.47 uur, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een gelede autobus van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam,

daarmee rijdende op de Amstelveenseweg, en wel op de aan de binnenzijde van de in de rijbaan van die weg gesitueerde cirkelvormige verbreding (ook wel genaamd het Haarlemmermeercircuit) gelegen busbaan, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en waardoor [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, immers heeft die [slachtoffer 2] onder meer een breuk van het spaakbeen bij de linker elleboog bekomen,

bestaande dat zeer onvoorzichtige rijgedrag hieruit:

dat hij, verdachte, daar en toen, als bestuurder van die gelede autobus, daarmee aanvankelijk rijdende op vorenomschreven busbaan, welke was gelegen langs of naast de oostelijke rijbaan of rijstrook van de Amstelveenseweg, komende uit de richting van het Stadionplein en gaande in de richting van de Zeilstraat, met een snelheid, welke, gelet op de weginrichting, te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, vanaf die busbaan, naar rechts afslaande teneinde zijn weg te vervolgen over de busbaan in de richting van de Zeilstraat, waartoe hij de rechts naast hem gelegen rijbaan of rijstrook, welke deel uitmaakte van het zogenaamde Haarlemmermeercircuit, alsmede de door vierkante witte blokken gemarkeerde fietsstrook, moest oversteken, genoemde [slachtoffer 2], die toen als fietsster met de achterop haar fiets zittende [slachtoffer 1] doende was die rechts naast hem, verdachte, gelegen rijbaan of rijstrook via die fietsstrook over te steken in de richting van de Havenstraat en zich daartoe vlak naast die door hem, verdachte, bestuurde autobus bevond, niet voor heeft laten gaan en zich niet heeft vergewist van de aanwezigheid van die fietsster (met de achterop haar fiets zittende [slachtoffer 1]) rechts naast die door hem, verdachte, bestuurde autobus en die autobus niet heeft afgeremd en niet is uitgeweken voor die fietsster (met de achterop haar fiets zittende [slachtoffer 1]), doch zover is doorgereden en blijven doorrijden dat die fietsster een aanrijding met zijn, verdachtes, autobus niet heeft kunnen voorkomen en waardoor of waarbij die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] zijn gevallen en laatstgenoemde door die bus is overreden, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en waardoor [slachtoffer 2] vorenomschreven lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

Verdachte bevond zich als bestuurder van een gelede autobus op de Amstelveenseweg in Amsterdam. Verdachte bereed de busbaan van het zogeheten Haarlemmermeercircuit. Rechts naast die busbaan ligt een rijbaan met fietsstrook, bestemd voor het verkeer richting de Havenstraat. Bij het verlaten van het Haarlemmermeercircuit sloeg verdachte rechtsaf en stak daarbij de naastgelegen rijbaan met fietsstrook over om de Amstelveenseweg te vervolgen. Het betrof een gelijkwaardige kruising. Verdachte is een beroepschauffeur en kent de situatie ter plekke.

Er waren naar het oordeel van de rechtbank tenminste twee momenten waarop verdachte zich moest vergewissen van de aanwezigheid van zich op die rijstrook mogelijk bevindend (fiets)verkeer, te weten het moment waarop hij het circuit opreed en vervolgens het moment voordat hij de fietsstrook overstak. Verdachte had tenminste op één van deze momenten de fietsster moeten en kunnen zien.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij mogelijk als gevolg van de door hem gereden snelheid het slachtoffer niet heeft opgemerkt. Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de bus nogal fors reed, gezien de snelheid. Genoemde getuige zag dat verdachte zonder af te remmen in een vloeiende beweging naar rechts stuurde en daarbij niet naar rechts heeft gekeken maar recht vooruit. De getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], die zich allen als passagier in de bus bevonden, hebben verklaard dat zij de fietsster met het kindje rechts van de bus hebben zien fietsen, voordat het ongeluk plaatsvond.

Verdachte verleende zodoende geen vrije doorgang aan de fietsster, waardoor laatstgenoemde niet meer tijdig kon stoppen en tegen de zijkant van de bus opreed. De fietsster viel naar rechts; haar dochtertje kwam onder de autobus terecht en is vervolgens overreden. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte, rijdend met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, niet heeft gekeken en zich niet heeft vergewist van de aanwezigheid van verkeer op de rechts naast hem gelegen fietsstrook.

Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wat het verkeersgedrag van de fietsster was en er aanwijzingen zijn dat zij zonder (nogmaals) naar links te kijken is doorgereden, is onvoldoende komen vast te staan dat het verkeersgedrag van het slachtoffer zodanig onvoorspelbaar was dat een beroepschauffeur op een dergelijke wegsituatie in een stad als Amsterdam daarmee geen rekening had behoren te houden. Verdachte had het slachtoffer voorrang moeten verlenen.

Het voorgaande overziende is de rechtbank van oordeel dat verdachte, rijdend met een te hoge snelheid voor de wegsituatie, onvoldoende voorrang heeft verleend en onvoldoende heeft gekeken. Deswege heeft verdachte zeer onvoorzichtig gehandeld en is het ongeval aan verdachtes grove schuld te wijten.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het is aan verdachte te wijten dat een verkeersongeluk heeft plaatsgevonden waarbij de achtjarige [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en haar moeder gewond is geraakt. Naast de psychische gevolgen heeft [slachtoffer 2] door de fysieke gevolgen van het ongeval langdurig niet kunnen werken. Verdachte is als bestuurder van een gelede autobus, rijdend met een te hoge snelheid rechtsaf geslagen, terwijl hij niet heeft gekeken of zich fietsers naast hem bevonden. Een rechtdoor gaande (en voorrang hebbende) fietsster is hierdoor tegen de autobus aangereden. De fietsster viel naar rechts en haar achterop zittende dochter kwam onder de autobus terecht en is vervolgens overreden.

Verdachte is beroepschauffeur en was bekend met de verkeerssituatie ter plekke. Hij had voldoende zicht op hetgeen zich naast de autobus op de fietsstrook afspeelde. Hij had in ieder geval op één van voornoemde cruciale momenten de fietsster kunnen waarnemen. Verdachte reed alsof hij vrij baan had. Zonder (goed) te kijken is verdachte rechtsaf geslagen, terwijl juist voor hem, als bestuurder van een gelede autobus als de onderhavige, extra voorzichtigheid was geboden. Dit geldt temeer aangezien dit alles plaatsvond op een - binnen de bebouwde kom gelegen - verkeerscircuit in Amsterdam.

De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft voorts bij haar oordeel betrokken dat verdachte door een ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden belemmerd bij de uitoefening van zijn - pas gevonden - werk als buschauffeur. Dit levert echter niet een zo zwaarwegend belang op dat daarvoor het belang van de verkeersveiligheid, dat eist dat in een geval als dit een onvoorwaardelijke ontzegging wordt opgelegd, zou moeten wijken.

Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de fatale gevolgen voor de slachtoffers, is een - gedeeltelijk voorwaardelijke - ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, alsmede een werkstraf van na te noemen duur, passend en geboden. Het opleggen van een geldboete acht de rechtbank niet geïndiceerd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

§ overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd vijftig (150) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijfenzeventig (75) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen (9) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot zes (6) maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. P.K. van Riemsdijk en C.N. Dalebout, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. de Boer, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2003.