Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AG0125

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
15-06-2003
Zaaknummer
KG 03/1017 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

P/IW

vonnis 12 juni 2003

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t r o l n u m m e r KG 03/1017 P v a n:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s bij conceptdagvaarding,

procureur mr. F. Kemp,

t e g e n :

de naamloze vennootschap FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V., handelend onder de naam MeesPierson,

gevestigd te Rotterdam,

g e d a a g d e, vrijwillig verschenen,

procureur mr. A. van Hees.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 2 juni 2003 heeft [eiseres], verder te noemen [eiseres], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen MeesPierson, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. In 1990 is op naam van [eiseres] bij de naamloze vennootschap Bank Mees & Hope N.V., welke onderneming later door fusies onder de handelsnaam MeesPierson is opgegaan in Fortis Bank N.V., een bankrekening (rekeningnummer [nummer]) geopend. De bankrekening betreft een rekening-courant met een effectendepot en een deposito-rekening.

b. [Eiseres] heeft in mei/ juni 1990 een handtekeningenkaart ondertekend waarin is vermeld dat mr. [betrokkene 4], de voormalig Thesaurier van Hare Majesteit de Koningin - verder te noemen de Thesaurier -, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij volmacht over de bankrekening mochten beschikken. De laatste twee slechts met elkaar, dan wel met de Thesaurier samen.

c. Bij MeesPierson is een relatiebeheerder aangesteld die de bankrekening van [eiseres] voor haar heeft beheerd. Tussen de relatiebeheerder en [eiseres] hebben in dit kader regelmatig besprekingen plaatsgevonden. Het beheer van het effectendepot werd (krachtens de schriftelijke volmacht) gevoerd door de Thesaurier, die daarover rechtstreeks contact onderhield met de relatiebeheerder.

d. De bevestigingen van transacties met betrekking tot het effectendepot werden door MeesPierson direct naar de Thesaurier verzonden en de rekeningafschriften - in opdracht van [eiseres] - naar het woonhuis van de moeder van [eiseres].

e. Op 16 januari 1998 is door MeesPierson ten laste van het effectendepot van de bankrekening van [eiseres] een bedrag van USD 100.000,= (fl. 205.700,00/ € 93.500,=) naar de bankrekening van haar vader, [betrokkene 3], overgeboekt.

f. In het rekeningafschrift van 14 januari 1998 staat de valutatransactie vermeld. De daarbij behorende bijlage “bevestiging valuta-arbitrage” luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Van u gekocht NLG 205.700,00 per 16 januari 1998

Aan u verkocht USD 100.000,00 per 16 januari 1998

Aanvullende informatie : usd naar acc 21.35.54.356 tnv betrokkene 3”

Beide stukken zijn zowel naar de Thesaurier als naar het woonhuis van de moeder van [eiseres] gestuurd.

g. Eind 2000 heeft [eiseres] met betrekking tot haar vermogen van [naam], de huidige Thesaurier, een door het accountantskantoor KPMG opgesteld rapport ontvangen inzake de controle van de rekening en verantwoording over het jaar 1998. In bijlage 1 bij dit rapport is in de vermogensopstelling per 31 december 1998 de volgende post opgenomen:

“Renteloze lening aan Z.K.H. betrokkene 3 205.700,00

(een schriftelijke overeenkomst is niet aanwezig)”

h. Op 8 oktober 2001 heeft ten kantore van MeesPierson tussen partijen een bespreking plaatsgevonden, waarbij ook de Thesaurier aanwezig was. Tijdens deze bespreking heeft [eiseres] MeesPierson meegedeeld dat zij de relatie met MeesPierson wilde beëindigen en dat zij het saldo op haar rekening bij

MeesPierson wilde onderbrengen op een rekening bij een andere bank.

i. Op 10 september 2001 heeft de vader van [eiseres] aan haar een bedrag van € 55.850,90 overgemaakt.

j. Op 14 maart 2003 heeft [eiseres] MeesPierson middels een brief van haar raadsman, mr. Pen, op grond van onrechtmatige daad en/of wanprestatie aansprakelijk gesteld voor de overboeking van USD 100.000,= aan haar vader en heeft zij MeesPierson gesommeerd het - na aftrek van de door haar vader verrichte betaling - resterende bedrag van USD 50.000,= op de kantoorrekening van haar raadsman over te maken.

1. [Eiseres] vordert - kort gezegd - om MeesPierson te veroordelen om aan haar een bedrag te voldoen van € 73.899,07.

2. Ter ondersteuning van haar vordering stelt [eiseres] dat MeesPierson op 16 januari 1998 bewust een bedrag van USD 100.000,= van haar bankrekening heeft overgeboekt zonder dat daartoe door haar, dan wel door één van de onder 1.b. genoemde gemachtigden een opdracht was verstrekt. [eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat MeesPierson hiermee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Subsidiair stelt zij dat MeesPierson jegens haar tekort is geschoten in de nakoming van de door haar krachtens de overeenkomst in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting. Voorts stelt [eiseres] dat de handelwijze van MeesPierson dermate onzorgvuldig en ernstig is geweest dat zij zich ter afwering van haar aansprakelijkheid niet te goeder trouw kan beroepen op de exoneratie clausule in haar algemene voorwaarden.

3. MeesPierson heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres], welk verweer hierna voor zover van belang aan de orde komt.

Beoordeling van het geschil:

4. Een geldvordering kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen.

5. MeesPierson stelt zich primair op het standpunt dat [eiseres] wel opdracht heeft gegeven tot de overboeking op 16 augustus 1998. MeesPierson heeft daartoe aangevoerd dat de relatiebeheerder die [eiseres] indertijd had zich nog weet te herinneren dat zij zelf opdracht heeft gegeven en dat deze relatiebeheerder bereid is om dit in een bodemprocedure als getuige onder ede te bevestigen. MeesPierson wijst er daarbij op dat sinds de overboeking inmiddels meer dan vijf jaar zijn verstreken en dat [eiseres] tot 17 maart 2003 nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de transactie. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat zij pas na verloop van tijd bekend is geworden met de overboeking, maar in ieder geval staat vast dat zij hiervan vanaf eind 2000 op de hoogte moet zijn geweest. Toen ontving zij immers het door accountantskantoor KPMG opgestelde rapport inzake de controle van de rekening en verantwoording over het jaar 1998, waarin een renteloze lening aan haar vader ten bedrage van fl. 205.700,= wordt genoemd. MeesPierson heeft in dit kader bovendien nog aangevoerd dat [eiseres] regelmatig afspraken had met haar relatiebeheerder bij MeesPierson - onder meer op 18 maart 1998 - om haar financiën te bespreken en dat zij daarbij blijk gaf goed van haar financiële situatie op de hoogte te zijn. Bij geen van die gesprekken heeft zij aangegeven bezwaar te hebben tegen de overboeking. Dit is niet door [eiseres] betwist.

Gelet op deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat het verweer van MeesPierson dat [eiseres] zelf opdracht tot de overboeking heeft gegeven bij voorbaat kansloos is. Een nader onderzoek naar de feiten zal dan ook moeten uitwijzen hoe de opdracht tot overboeking tot stand gekomen is en of [eiseres] hiervoor haar toestemming heeft verleend. Het kort geding leent zich echter niet voor zodanig onderzoek.

6. Uit het voorgaande volgt dat niet aan het onder rechtsoverweging 5. genoemde criterium is voldaan, zodat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd. Bespreking van de overige weren kan achterwege blijven.

7. [Eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van MeesPierson begroot op € 205,= wegens vastrecht en op € 703,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 12 juni 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: