Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF9587

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
WSFBSF 02/642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met een formulier “Wijzigingen student”, gedateerd 10 augustus 2000, heeft eiseres aan verweerster meegedeeld dat zij haar studie Verloskundige per 31 augustus 2000 zal beëindigen en dat zij per 1 september 2000 een studie X zal gaan volgen aan de Universiteit van Amsterdam en vanaf die datum studiefinanciering wenst te ontvangen.

Met een formulier “Verzoek toepassing uitzonderingsregel prestatiebeurs”, gedateerd 21 juni 2001, heeft eiseres verweerster verzocht haar in aanmerking te brengen voor nieuwe studiefinancieringsrechten daar zij de studie Verloskundige vanwege een medische functiestoornis (handicap) heeft gestaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WSFBSF 02/642

Inzake: A, wonende te B, eiseres,

tegen: de hoofddirectie van de informatie Beheer Groep, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerster van 26 april 2002.

2. Zitting

Datum: 28 maart 2003.

Eiseres is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. E.J. de Groot, advocaat te Amsterdam.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde mr. G.J.M. Naber, juridisch medewerker bij de Informatie Beheer Groep te Groningen.

3. Ontstaan en loop van het geding

Met een formulier “Wijzigingen student”, gedateerd 10 augustus 2000, heeft eiseres aan verweerster meegedeeld dat zij haar studie Verloskundige per 31 augustus 2000 zal beëindigen en dat zij per 1 september 2000 een studie X zal gaan volgen aan de Universiteit van Amsterdam en vanaf die datum studiefinanciering wenst te ontvangen.

Met een formulier “Verzoek toepassing uitzonderingsregel prestatiebeurs”, gedateerd 21 juni 2001, heeft eiseres verweerster verzocht haar in aanmerking te brengen voor nieuwe studiefinancieringsrechten daar zij de studie Verloskundige vanwege een medische functiestoornis (handicap) heeft gestaakt.

Bij besluit van 25 september 2001 heeft verweerster eiseresses verzoek afgewezen.

Bij brief van 1 november 2001, nader gemotiveerd bij brief van 7 februari 2002, heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 april 2002 heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 juni 2002, bij de rechtbank ontvangen op 6 juni 2002 en nader gemotiveerd bij brief van 3 juli 2002, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 26 juli 2002 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. Motivering

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, waarin verweerster haar standpunt heeft gehandhaafd dat eiseres geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering dient te ontvangen, in rechte stand kan houden. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

Ingevolge artikel 5.16, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) ontvangt de student, indien hij als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat deze bepaling, gezien de inwerkingtreding van de Wsf 2000 op 1 september 2000, eiseres geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering geeft. Verweerster heeft daartoe gesteld dat eiseres haar studie Verloskundige reeds op 31 augustus 2000 heeft beëindigd, terwijl het schadetoebrengende feit zich niet heeft voorgedaan op of na 1 september 2000. Verweerster is van mening dat onder deze omstandigheden geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000.

Eiseres meent wel voor toepassing van genoemde bepaling in aanmerking te komen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in artikel 5.16 vierde lid niet de voorwaarde wordt gesteld dat de verergering van de handicap manifest moet zijn geworden op of na 1 september 2000, of dat de reeds begonnen studie waarvoor men door deze verergerde handicap ongeschikt is geworden, beëindigd moet zijn op of na 1 september 2000. Verder heeft zij aangevoerd dat zij haar passender studie is begonnen op 1 september 2000, dat de beëindiging van haar studie per 31 augustus 2000 een logisch gevolg is van het feit dat zij per 1 september 2000 een nieuwe studie wilde beginnen en dat het schadetoebrengende feit ook op en na 1 september 2000 nog voortduurt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geding, en de rechtbank neemt dit dan ook als vaststaand aan, dat eiseres als direct gevolg van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt was de opleiding verloskunde te beëindigen. Eiseres heeft aangegeven dat zij tengevolge van een ongeval in 1998 toenemende medische klachten ondervond die haar verhinderden haar bij de opleiding behorende praktijkstages te volbrengen.

Evenmin is in geding dat eiseres na overleg met de huisarts alsmede met de decaan en de studieadviseur van de Universiteit van Amsterdam met de studie X een voor haar gezondheidstoestand passender studie heeft gekozen. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank de bijzondere omstandigheden waarvoor artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 een voorziening beoogt te geven.

Artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 is een bepaling die in de Wet op de Studiefinanciering niet voorkwam. De toelichting bij het amendement als gevolg waarvan deze bepaling in de Wsf 2000 is opgenomen luidt als volgt:

“Om in deze zeer bijzondere omstandigheid te voorkomen dat studenten ook nog eens door een financiële handicap worden belemmerd om een studie te volgen die past bij de eigen talenten en ambities, is een aanvullende vangnetregeling gewenst. Door deze toevoeging kan de betrokken student een nieuwe start maken met een studie die wel verenigbaar is met de ontstane handicap”.

In de letterlijke tekst van artikel 5.16, vierde lid, noch in de hier aangehaalde toelichting, noch in de overgangsbepalingen van de Wsf 2000 valt naar het oordeel van de rechtbank steun te vinden voor het standpunt van verweerster dat deze vangnetregeling niet zou zijn bedoeld voor studenten, zoals eiseres, die een passender opleiding zijn aangevangen na 1 september 2000 maar die vóór deze datum hun reeds aangevangen opleiding hebben moeten staken wegens een verergerende handicap of een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte. De uitleg die verweerster aan deze bepaling geeft is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een te beperkte.

Ter zitting heeft verweerster ter nadere motivering van haar standpunt aangevoerd dat voor een student als eiseres een beroep op het zogeheten Afstudeerfonds openstond. De rechtbank is echter van oordeel dat, nog daargelaten de vraag of dit fonds een aan artikel 5.16, vierde lid gelijkwaardige vangnetregeling bood, ook dit betoog geen doel kan treffen nu uit de wettekst en wetshistorie niet blijkt dat een beroep op artikel 5.16, vierde lid, uitgesloten is voor studenten die zich op een Afstudeerfonds kunnen beroepen. Hetzelfde oordeel heeft de rechtbank over de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 17a, zevende lid, van de WSF (5.6, zesde lid Wsf 2000). Uit wettekst noch wetshistorie komt naar voren dat de in deze bepaling genoemde verlengingsmogelijkheid voor de prestatiebeurs als voorliggende voorziening ten opzichte van artikel 5.16, vierde lid moet worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande luidt de conclusie van de rechtbank dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat, onder herroeping van het besluit van 25 september 2001, eiseres een nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt voor de voor haar passender opleiding X.

Proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 1,00 (punt voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld).De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier. In verband met de omstandigheid dat de administratieve behandeling van de onderhavige zaak bij de rechtbank te Alkmaar plaatsvindt, dienen de kosten terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden voldaan door betaling aan de griffier van de rechtbank te Alkmaar.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 25 september 2001;

- bepaalt dat eiseres een nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt voor de opleiding X;bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 29,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,00;

- wijst de Informatie Beheer Groep aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 322,00 dient te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank te Alkmaar.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbey, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 28 maart 2003

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: