Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF9291

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2003
Datum publicatie
30-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/449 AW A AZ
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT4006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op enig moment heeft eiser een wenkbrauwpiercing laten aanbrengen, bestaande uit een goudkleurig staafje van ca. 1 centimeter lang en enkele milimeters dik.

Eiser is medegedeeld dat het hem vanaf de datum van het besluit niet meer is toegestaan een zichtbare piercing te dragen tijdens de dienst, en is hem opdracht gegeven genoemd sieraad binnen 14 dagen te (laten) verwijderen.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd, bezwaar niet-ontvankelijk,; LJN AT4006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 02/449 AW A AZ

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. W. de Klein,

tegen:

De Korpsbeheerder van de Politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Th. Tanja.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 1 februari 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 20 december 2001.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 april 2003.

2. OVERWEGINGEN

Eiser is aangesteld als generalist in opleiding (Gio) bij het Korps van de politieregio Amsterdam-Amstelland. Op enig moment heeft eiser een wenkbrauwpiercing laten aanbrengen, bestaande uit een goudkleurig staafje van ca. 1 centimeter lang en enkele milimeters dik.

Bij besluit van 22 maart 2001 is eiser medegedeeld dat het hem vanaf de datum van het besluit niet meer is toegestaan een zichtbare piercing te dragen tijdens de dienst, en is hem opdracht gegeven genoemd sieraad binnen 14 dagen te (laten) verwijderen.

Eiser heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarna de Hoor- en adviescommissie verweerder heeft geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren en het besluit te herroepen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in weerwil van voormeld advies, het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij is, kort samengevat, overwogen dat een gelaatspiercing afbreuk doet aan de voor een politieambtenaar vereiste autoriteit en representativiteit, en dat tevens het veiligheidsaspect een rol speelt. Voorts is overwogen dat het verbod op het dragen van een gelaatspiering geen strijd oplevert met (inter)nationale regelgeving en/of een ontoelaatbare inbreuk maakt op het recht op zelfexpressie.

In beroep heeft eiser, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder de uitkomst van het overleg in de regionale commissie over het dragen van sieraden ten onrechte niet heeft afgewacht.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn standpunt dat het dragen van een gelaatspiercing tot een verhoogde kans op lichamelijk letsel kan leiden niet heeft onderbouwd, en dat overigens ten aanzien van andere sieraden zoals oorbellen, waaraan ook veiligheidsrisico's zijn verbonden geen beperkingen worden aangelegd, hetgeen in strijd is met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld.

Eiser is van mening dat de door verweerder aangevoerde argumenten met betrekking tot gezag, autoriteit en representativiteit geen hout snijden nu het werkgebied van de politieregio Amsterdam-Amstelland zeer veel culturen en bevolkingsgroepen omvat, op grond waarvan het niet aannemelijk is dat individuele burgers zich zouden storen aan een gelaatspiercing van een omvang zoals door eiser werd gedragen. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat in een eerder opgemaakte personeelsbeoordeling de representativiteit van eiser als goed is beoordeeld terwijl eiser de piercing toen al droeg.

Eiser heeft zich voorts beroepen op de artikelen 17, eerste lid van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten( Ivbpr), 8, eerste lid van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Evrm), alsmede de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Gw). Voornoemde artikelen staan in de weg aan een verbod als aan eiser opgelegd, nu er geen sprake is van materiele wetgeving waar de bevoegdheid om genoemd verbod op te leggen op zou kunnen worden gebaseerd, aldus eiser.

Tenslotte heeft eiser op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht om schadevergoeding verzocht.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de voornoemde bepalingen van (inter)nationaal recht niet in de weg staan aan het bestreden besluit.

Subsidiair heeft verweerder gesteld dat het bestreden besluit geen ontoelaatbare inbreuk maakt op de belangen die genoemde bepalingen beogen te beschermen, nu het in het algemeen is aanvaard dat het zijn van ambtenaar op het gebied van onder andere representativiteit bepaalde beperkingen aan de ambtenaar oplegt, waarbij dit met name geldt voor ambtenaren die belast zijn met publieke taken als veiligheid en openbare orde.

Verweerder is verder van mening dat zijn bevoegdheid om eisen te stellen zoals neergelegd in het bestreden besluit voortvloeit uit zijn algemene beheerstaak, en het gestelde de artikelen 57 en 76 van het Besluit Algemene Rechtspositie politie (Barp).

Het gegeven verbod blijft naar de mening van verweerder binnen de grenzen van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel zodat materieel gezien wel degelijk is gehandeld overeenkomstig de normen van artikel 8 Evrm. In dit verband heeft verweerder wederom gewezen op de representativiteit die vereist is in functies zoals door eiser uitgeoefend, alsmede op de veiligheidsrisico's.

Ten aanzien van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder opgemerkt dat van gelijke gevallen geen sprake is, nu andere vormen van versiering wel algemeen geaccepteerd zijn, en geen afbreuk doen aan de vereiste mate van representativiteit en neutraliteit.

Overwegingen.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het door verweerder opgelegde verbod is aan te merken als een aantasting van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10 Gw, artikel 8 Evrm, en artikel 17 Ivbpr. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat van een aantasting in voorgenoemde zin niet kan worden gesproken. Daarbij is van belang dat, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, een (wenkbrauw)piercing moet worden aangemerkt als een sieraad. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat naar objectieve maatstaven gesproken het niet kunnen dragen van een wenkbrauwpiercing ook maar in enigerlei mate van invloed is op zijn persoonlijke levenssfeer. Met name kan de rechtbank zich niet vinden in eisers betoog dat een wenkbrauwpiercing in enigerlei mate bepalend is voor zijn identiteit. Naar het oordeel van de rechtbank wordt een identiteit gevormd door het samenstel van individuele kenmerken, en een wenkbrauwpiercing is -naar objectieve maatstaven gemeten- in dat kader geen bepalende factor.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het opgelegde verbod op geen enkele wijze de in artikel 11 Gw neergelegde recht op onaantastbaarheid van het lichaam beperkt. Immers genoemde bepaling beoogt ongewilde aantasting van het lichaam te verbieden, en daar is in het onderhavige geval geen sprake van.

Uit de vaststelling dat het gegeven verbod geen inbreuk vormt op de hiervoor omschreven rechten, vloeit voort dat eisers betoog inhoudende dat het hem gegeven verbod dient te berusten op bij of krachtens de wet gestelde beperking geen doel treft.

Naar het oordeel van de rechtbank ontleent verweerder zijn bevoegdheid om aanwijzingen als de onderhavige te geven aan het hem in het kader van de ambtelijke verhouding toekomende werkgeversgezag, en zijn verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken binnen het korps. De gebruikmaking van die bevoegdheid dient door de rechter met een zekere terughoudendheid te worden beoordeeld. De rechtbank is op grond van het navolgende van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder in redelijkheid niet tot het bestreden besluit had kunnen komen.

De door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering acht de rechtbank niet onredelijk. Uit die motivering blijkt dat verweerder er groot belang aan hecht dat het ge├╝niformeerde politiepersoneel gezag uitstraalt, en door het publiek als autoriteit wordt geaccepteerd. Als een van de middelen om deze doelen te bereiken acht verweerder de handhaving van uiterlijke representativiteit en neutraliteit noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat het dragen van een wenkbrauwpiercing door geuniformeerde politiebeambten door burgers kan worden ervaren als een teken van onvoldoende representativiteit en neutraliteit. De rechtbank oordeelt voorts dat verweerder zijn belangen in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven die van eiser.

Aangezien voormelde motivering van verweerder het bestreden besluit kan dragen, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de in het bestreden besluit genoemde veiligheidsrisico's die zouden zijn verbonden aan het dragen van een wenkbrauwpiercing.

Eisers beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Terecht heeft verweerder opgemerkt dat een vergelijking tussen een wenkbrauwpiercing en sieraden als oorbellen die door vrouwen worden gedragen niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, nu laatstgenoemde vorm van versiering wel als algemeen geaccepteerd kan worden aangemerkt en derhalve geen afbreuk doet aan de vereiste mate van representativiteit en neutraliteit.

Ook eisers stelling dat verzuimd is om de resultaten van het georganiseerd overleg af te wachten kan niet tot het door hem beoogde doel leiden, nu het in casu gaat om een incidentele beslissing ten aanzien van een individuele ambtenaar en ten aanzien van een zodanige beslissing rechtens niet is vereist dat vooraf overleg heeft plaatsgevonden over het voeren van een beleid.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan het door eiser gedane verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr.T. van Peijpe, voorzitter, mrs. T.P.J. de Graaf en J . Recourt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Zutphen, griffier,

en openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: A