Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF9078

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
14-07-2003
Zaaknummer
AWB 01/4068 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een wegonttrekking dient verweerder de belangen af te wegen van eventuele gebruikers van de te onttrekken wegen. In het primaire besluit heeft verweerder op dit punt gesteld de uitkomst van de civiele procedure met vertrouwen tegemoet te zien. In het bestreden besluit heeft verweerder geen overweging gewijd aan de civiele procedure. De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van de civiele procedure van doorslaggevend belang is voor een juiste belangenafweging terzake van de wegonttrekking.

Hoger beroep: AN7266

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

PROCES-VERBAAL VAN MONDELINGE UITSPRAAK

in het verzoek met reg.nr. AWB 01/4068 BESLU

van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Westerlengte Beheer B.V.

(destijds geheten Amsterdams Stedelijk Vastgoed B.V.), gevestigd te Amsterdam, eiseres,

vertegenwoordigd door mr. B. Meijer.

Tevens was namens eiseres aanwezig H.J. Meulenbroek.

tegen:

de Raad van het stadsdeel Amsterdam-Noord, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Wagenmakers.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

Cortona Ontwikkelingen V.O.F., vertegenwoordigd door mr. C.H. Blanksma, niet aanwezig ter zitting.

1. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft op 16 november 2001 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2001 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van donderdag 17 april 2003.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de bezwaren gericht tegen het primaire besluit van 11 april 2001 ongegrond verklaard. In het primaire besluit wordt bepaald dat het parkeerterrein aan de Aambeeldstraat, het Gedempte Hamerkanaal en de Mokerstraat aan het openbaar verkeer wordt onttrokken conform het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Wegenwet. Het beroep richt zich uitsluitend tegen de onttrekking van het gedeelte van het parkeerterrein, waarover eiseres stelt een (tweede) in- en uitrit te bezitten van haar bedrijfsterrein naar de Mokerstraat. Door de wegonttrekking wordt het verkeer door een van deze twee in/uitritten onmogelijk gemaakt.

Op 10 juli 2000 heeft eiseres de gemeente Amsterdam gedagvaard in een civiele procedure waarin eiseres van de gemeente heeft gevorderd: “primair de Gemeente te verbieden haar medewerking te verlenen aan het oprichten van enig bouwwerk op het terrein aan de oostzijde van het aan Stedelijk Vastgoed in erfpacht uitgegeven terrein, dat het gebruik van de uitgang aan deze zijde belemmert”. In deze procedure was ten tijde van het sluiten van het onderzoek in deze zaak een tussenvonnis gewezen met een bewijsopdracht, maar nog geen einduitspraak gedaan.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Bij een wegonttrekking dient verweerder de belangen af te wegen van eventuele gebruikers van de te onttrekken wegen. In het primaire besluit heeft verweerder op dit punt gesteld de uitkomst van de civiele procedure met vertrouwen tegemoet te zien. In het bestreden besluit heeft verweerder geen overweging gewijd aan de civiele procedure. De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van de civiele procedure van doorslaggevend belang is voor een juiste belangenafweging terzake van de wegonttrekking. Gelet op de omstandigheid dat de civiele kamer van de rechtbank nog geen eindvonnis in de civiele procedure met rolnummer H00.1873 heeft gewezen, heeft verweerder mitsdien geen juiste en zorgvuldige belangenafweging kunnen verrichten. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel zowel artikel 3:2 als artikel 3:4 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

Aangezien verweerder naar het oordeel van de rechtbank alleen een juiste belangenafweging kan verrichten indien en zodra verweerder beschikt over een eindvonnis van de civiele kamer van de rechtbank met een inhoudelijk oordeel van de civiele rechter over de aanspraken van eiseres op de litigieuze uitrit, zal verweerder geen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres kunnen nemen zolang verweerder niet beschikt over dat eindvonnis.

Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de nieuwe eigenaar van het terrein reeds beschikt over een bouwvergunning en voornemens is binnenkort te gaan bouwen, onder meer op de litigieuze uitrit. De rechter is van oordeel dat dient te worden voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat doordat het onttrokken weggedeelte wordt bebouwd met als gevolg dat zowel de onderhavige procedure als de procedure voor de civiele kamer van de rechtbank worden doorkruist. De rechtbank ziet mitsdien aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 vierde lid van de Awb te bepalen dat verweerder ervoor zorgdraagt dat de litigieuze uitrit intact blijft tot zes weken na de beslissing van bezwaar, die eerst genomen kan worden indien het eindvonnis van de civiele kamer van deze rechtbank is gewezen.

Verweerder dient er mitsdien voor zorg te dragen dat de litigieuze uitrit in de tussentijd niet door een derde wordt bebouwd. Dit kan in redelijkheid van verweerder worden gevergd, aangezien uit het dossier blijkt dat Cortona Ontwikkeling B.V., die als derde-belanghebbende aan dit geding heeft deelgenomen, op de hoogte was van de bezwaren en van het beroep van eiseres tegen de onderhavige wegonttrekking, zodat geen sprake is van een situatie waarin bij deze derde de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat zij zonder meer kon beschikken over de litigieuze uitrit.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair zijn vastgesteld op € 644,00 (2 punten – voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting - x factor 1 x € 322,00) als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen door verweerders rechtspersoon.

Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het door eiseres in deze procedure betaalde griffierecht door de gemeente Amsterdam te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

2. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 10 oktober 2001;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiseres neemt met inachtneming van het voorgaande;

bepaalt dat verweerder de litigieuze uitrit, met een breedte van vijf meter gemeten en gelegen langs de erfafscheiding van eiseres tussen de twee uitgangen vanaf het bedrijfsterrein van eiseres naar de Mokerstraat, intact laat tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op het bezwaarschrift van eiseres;

veroordeelt de gemeente Amsterdam in de hierboven omschreven proceskosten, begroot op € 644,00 (zegge zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiseres;

bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht ad. € 204,00 (zegge tweehonderd en vier euro) aan haar vergoedt.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2003 door mr. Y.A.A.G. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. van den Puttelaar, griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll:

D: B