Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF8326

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
H. 01.1133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RvH

H. 01.1133

219499

7 mei 2003

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

procureur mr. G.J. Kemper,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

g e d a a g d e,

procureur mr.R.J.A.M. Sträter

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaar-ding van 18 april 2001,

- conclusie van eis, met bewijsstukken,

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek, met bewijsstukken,

- ter griffie gedeponeerde bewijsstukken,

- pleidooi dat gehouden is op 7 maart 2003, het daarvan opgemaakte proces-verbaal, pleitnotities van de raadslieden van partijen en een bij pleidooi door [eiser] genomen akte met bewijsstukken;

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. [eiser] en [gedaagde] hebben deel uitgemaakt van een groep Nederlanders die in 1984 een expe-ditie hebben gevormd ter beklimming van de Mount Everest. De organisatie van de expe-ditie lag in handen van de Stichting Nederlandse Mount Everest Expeditie 1984.

b. Tijdens die expeditie hebben [eiser], [gedaagde] en de sherpa [getuige] op 8 oktober 1984 vanuit kamp 4, dat gelegen is op de flanken van de Mount Everest op 7.980 meter hoogte, een poging ondernomen de hoofdtop (8.848 meter) te bereiken. [gedaagde] heeft haar toppoging gestaakt op 8.700 meter hoogte en is dus als eerste teruggekeerd naar kamp 4. [eiser] en Ga-nesh zijn verder geklommen. [getuige] is vanaf de Zuidtop (8.780 meter) van de Mount Everest teruggekeerd naar kamp 4 en arriveerde daar na [gedaagde]. [eiser] is als laatste van de drie teruggekeerd in kamp 4. [eiser] is uitgeput in een tent gaan liggen en heeft in de loop van een kort gesprek met [gedaagde] en expeditiegenoot [betrokkene 1] gezegd dat hij de hoofdtop van de Mount Everest heeft bereikt.

c. Aan de beklimming en het succes van de expeditie is door de media veel aandacht be-steed. [eiser] zelf heeft in een boek, getiteld "Himalaya Dagboek", dat in 1988 is versche-nen, verslag gedaan van zijn ervaringen.

d. [eiser] heeft in 1996 een expeditie ondernomen naar de Dhaulagiri, een eveneens in Nepal gelegen berg. [eiser] claimt dat hij de top van de Dhaulagiri (8.167 meter) heeft bereikt, solo klimmend via de Oostwand. Over deze beklimming en zijn eerdere, mislukte pogingen om de Dhaulagiri reeds in 1994 en 1995 te beklimmen, heeft [eiser] een boek geschreven, geti-teld "Hoger dan de Dhaulagiri", dat in 1997 is verschenen.

e. Op 3 maart 2000 is bij Uitgeverij Contact een boek verschenen, geschreven door [gedaagde], getiteld "Eén meter Everest". In het boek doet [gedaagde] verslag van de expeditie naar de Mount Everest in 1984. Het laatste hoofdstuk van het boek, de epiloog, is getiteld "Dhau-lagiri-dagboek".

2. [eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde] te veroordelen om aan hem te betalen fl. 100.000,=;

- [gedaagde] te verbieden om enig exemplaar van het boek "Eén meter Everest" in het

verkeer te brengen of te doen brengen, tenzij in zodanig exemplaar een afschrift van het in deze te wijzen vonnis, althans de tekst van dat vonnis is opgenomen, op straffe van een dwangsom;

- [gedaagde] te verbieden mondeling of schriftelijk zich uit te spreken over [eiser] en diens be-klimming van de toppen van de Mount Everest en de Dhaulagiri, zonder daarbij melding te maken van de uitspraak in dit geding en zonder daarbij de essentie van die uitspraak te vermelden, op straffe van een dwangsom;

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3. [eiser] stelt daartoe het volgende. [gedaagde] schrijft in haar boek dat [eiser] de top van de Mount Everest niet heeft bereikt. In het laatste hoofdstuk van het boek schrijft [gedaagde] bovendien dat [eiser] ook de top van de Dhaulagiri niet heeft beklommen. Die beweringen van [gedaagde] zijn echter feitelijk onjuist. [gedaagde] beschikt niet over afdoende bewijs voor haar bewerin-gen. [gedaagde] heeft met haar boek de naam en reputatie van [eiser] als bergbeklimmer ten on-rechte en lichtvaardig in diskrediet gebracht en zijn integriteit in twijfel getrokken. [gedaagde] heeft [eiser] niet in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de publicatie te reageren op haar beweringen. [gedaagde] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en zij is gehouden de scha-de die [eiser] heeft geleden te vergoeden. Verder heeft [eiser] er recht op en belang bij dat [gedaagde] haar ongefundeerde beschuldigingen niet blijft herhalen, althans niet in de huidige vorm, omdat daarmee een onjuist en schadelijk beeld van [eiser] wordt opgeroepen. Aldus steeds [eiser].

4. [gedaagde] heeft het gevorderde betwist.

5. Partijen hebben uitvoerig en tot in detail gedebatteerd over de vraag of de aantijgingen van [gedaagde] juist zijn. In deze procedure staat evenwel niet centraal of [eiser] al dan niet de toppen van de Mount Everest en Dhaulagiri heeft bereikt, maar of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door in haar boek te schrijven dat dit niet het geval is geweest. Bij de beoordeling of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld dient het algemeen belang van de vrijheid van meningsuiting dat [gedaagde] zich als schrijfster kritisch kan uitlaten en informerend, opiniërend en waarschuwend te werk kan gaan, te worden afgewogen tegen-over het belang van [eiser] om niet lichtvaardig verdacht gemaakt te worden. De juistheid van de aantijging, althans de feitelijke onderbouwing en de inkleding daarvan vormen on-dermeer omstandigheden die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen betrok-ken dienen te worden.

6. De eerste 215 bladzijden van het boek, het laatste hoofdstuk (de epiloog) buiten beschou-wing gelaten zijn gewijd aan [gedaagde]s verslag van de Mount Everest expeditie en haar re-constructie van de gebeurtenissen. Volgens de tekst op de achterzijde van het boek "toont [gedaagde] de wereld die schuilgaat achter het sportieve decor dat het publiek wordt voorge-schoteld". In de loop van haar verslag brengt [gedaagde] enkele malen de vraag tersprake of [eiser] op 8 oktober 1984 de hoofdtop van de Mount Everest heeft bereikt. Die vraag wordt uiteindelijk door [gedaagde] onomwonden en zonder enige slag om de arm ontkennend be-antwoord. In het laatste hoofdstuk van het boek, de epiloog, geeft [gedaagde] onder meer een beschrijving van haar ontmoeting in 1997 met twee Russische klimmers die zich tegelijk met [eiser] in oktober 1996 op de hellingen van de Dhaulagiri bevonden en die [gedaagde] heb-ben verteld dat [eiser] de top van de Dhaulagiri niet heeft bereikt. [gedaagde] maakt die opvat-ting van deze Russische klimmers in het laatste hoofdstuk van het boek onvoorwaardelijk tot de hare.

7. Dat [eiser] in tegenstelling tot zijn beweringen op 8 oktober 1984 niet de hoofdtop van de Mount Everest heeft bereikt en in oktober 1996 evenmin, solo klimmend via de Oost-wand, de top van de Dhaulagiri heeft beklommen, is een ernstige aantijging. De aantijging met betrekking tot de Mount Everest heeft bovendien extra gewicht omdat deze afkomstig is van een direct betrokkene en expeditiegenoot van [eiser]. De aantijgingen van [gedaagde] doen niet alleen afbreuk aan de kwaliteiten van [eiser] als bergbeklimmer, maar brengen ook tot uiting dat [eiser] een persoon is die zich laat voorstaan op prestaties die hij in werkelijk-heid niet heeft geleverd. De publicatie van het boek van [gedaagde] heeft geleid tot aandacht in de landelijke media, waardoor bij een breed publiek openlijk twijfel is geuit over de prestaties van [eiser] en zijn betrouwbaarheid. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat de door het boek van [gedaagde] gegenereerde media-aandacht ook is veroor-zaakt doordat [eiser] zelf uitgebreid in de openbaarheid is getreden met de door hem ge-claimde prestaties, onder meer door publicatie van zijn boeken "Himalaya Dagboek" en "Hoger dan de Dhaulagiri". Dat neemt niet weg dat [gedaagde] haar beschuldigingen, gelet op de ernst en de te verwachten negatieve gevolgen daarvan voor [eiser], niet zou mogen uiten indien deze niet in voldoende mate steun zouden vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal.

8. [gedaagde] baseert haar beschuldiging dat [eiser] de hoofdtop van de Mount Everest niet heeft bereikt - kort gezegd - op het volgende. I) [eiser], [getuige] en [gedaagde] bevonden zich op 8 oktober 1984 op circa 8.700 meter hoogte toen [gedaagde] om circa 14.00 uur als eerste van de drie haar toppoging beëindigde en terugkeerde naar kamp 4. [eiser] is volgens [gedaagde] te-ruggekeerd in kamp 4 vóór de schemering inviel. In de tussentijd kan hij de hoofdtop niet bereikt hebben omdat de tijdsspanne van circa 3,5 a 4 uur tussen 14.00 en het invallen van de schemering daar niet voldoende voor is. II) [eiser] beweert dat hij de tussen de Zuidtop en hoofdtop gelegen Hillarystep beklommen heeft langs een vast touw dat daar nog bevestigd was. Twee andere vaste touwen lieten volgens [eiser] los zodra hij eraan trok. Tsjechoslo-waakse klimmers die op 15 oktober 1984 over de Hillarystep gingen hebben echter ver-klaard dat zij daar geen vaste touwen hebben aangetroffen. Bovendien hebben zij gezien dat de voetstappen in de sneeuw reeds achter de Zuidtop stopten en omkeerden. III) Twee Australische klimmers, die vijf dagen vóór [eiser] vanaf de Tibetaanse kant de Mount Eve-rest beklommen, hadden op de top een mascotte (teddybeertje) achtergelaten. [eiser] heeft daarvan geen beschrijving gegeven. De Tsjechoslowaakse klimmers die dus een week na [eiser] de top bereikten gaven die wel. IV) Volgens [gedaagde] blijkt ook uit de opname van een walkie-talkie gesprek dat tussen [eiser] en kamp 2 plaatsvond dat [eiser] de hoofdtop niet heeft bereikt, maar dat hij tussen de hoofdtop en Zuidtop is omgekeerd. Op die manier zijn de woorden van [eiser] ook begrepen in kamp 2. Het bericht dat de toppoging was mislukt, is dan ook doorgezonden naar de verbindingsofficier in het basiskamp. Aldus steeds [gedaagde].

9. [eiser] heeft de juistheid van deze aanwijzingen gedetailleerd weersproken. I) [eiser] beroept zich op schriftelijke verklaringen van direct betrokkenen zoals expeditiegenoten, die ver-klaren dat [eiser] later dan 18.00 uur in kamp 4 terugkeerde (om circa 19.30 uur, toen het al donker was) en een verklaring van sherpa [getuige] die verklaart dat hij vanaf de Zuidtop heeft gezien dat [eiser] de hoofdtop heeft bereikt. II) Voor de touwen bij de Hillarystep geldt volgens [eiser] dat de bergbeklimmer [betrokkene 2], die een half jaar na [eiser] in 1985 de Mount Everest heeft beklommen, heeft geschreven dat een sherpa, [betrokkene 3], bij de Hilla-ry Step een touw vond dat door een vorige expeditie was achtergelaten terwijl tussen de beklimming van [eiser] en Bennington alleen de Tsjechoslowaakse klimmers dezelfde route klommen en zij geen touwen hebben achtergelaten. Eén van de Tsjechoslowaakse klim-mers heeft zelf als mogelijke verklaring daarvoor gegeven dat er veel sneeuw was waar-door de touwen bij de Hillary Step verborgen konden zijn. De Tsjechoslowaakse klimmers hebben de touwen bij de Hillary Step volgens [eiser] dus over het hoofd gezien. Ten aanzien van de sporen in de sneeuw achter de Zuidtop heeft de betreffende Tsjechoslowaakse klimmer niet verklaard dat die voetafdrukken stopten en in één vloeiende beweging om-keerden, maar dat die sporen in beide richtingen (omhoog en omlaag) gingen zonder dat duidelijk was waar de klimmer was omgekeerd. Dat er sporen waren die omhoog en om-laag gingen is voor de hand liggend omdat degene die de sporen zette in het andere geval wel omhoog zou zijn gegaan maar niet meer zou zijn afgedaald, althans niet langs dezelf-de route. Uit die sporen kan dus niet worden afgeleid dat hij de top niet heeft bereikt, al-dus [eiser]. III) De weersomstandigheden op de top zijn volgens [eiser] van dien aard dat het aanzien van uur tot uur door wind en sneeuw wijzigt zodat zijn voetstappen uitgewist kunnen zijn en op de top achtergelaten voorwerpen, zoals de mascotte van de Australische expeditie afwisselend wél en niet zichtbaar zijn. Een Amerikaanse klimmer, [betrokkene 4], die op 20 oktober 1984 de top bereikte heeft immers evenmin de mascotte gezien. IV) [eiser] voert aan dat [gedaagde] steeds wisselende tijdstippen in haar boek noemt waarop het walkie-talkie gesprek heeft plaatsgevonden: "vóór 16.45 uur", "16.30 uur" en "17.30 uur". Dat laatste tijdstip is het juiste en daaruit volgt dat [eiser] niet, zoals [gedaagde] beweert, reeds op dat tijdstip in kamp 4 is teruggekeerd, maar later toen het al donker was. Het bandje van het walkie-talkiegesprek heeft [eiser] in het geding gebracht.

10. Dat [eiser], in tegenstelling tot hetgeen hij in zijn boek "Hoger dan de Dhaulagiri"schrijft, op 17 oktober 1996 evenmin de top van de Dhaulagiri heeft beklommen, baseert [gedaagde] blij-kens haar boek vooral op hetgeen haar door twee Russische klimmers is verteld. Volgens deze Russen was [eiser] op 17 oktober 1996 in hun gezelschap op de Noordoostgraad en kan hij die dag dus onmogelijk via de Oostwand de top van Dhaulagiri hebben beklommen. [eiser] is niet hoger gekomen dan circa 7.200 meter. Dat [eiser] zich op 17 oktober 1996 bij de Russen bevond blijkt volgens [gedaagde] uit een foto waarop [eiser] en de Russische klimmers zijn te zien, welke foto is voorzien van een electronische datumaanduiding: 17 oktober 1996. Ook de dagen daarna kan [eiser] niet alsnog op de top zijn geweest omdat de Russen op 17 oktober 1996 met [eiser] in kamp 2 hebben overnacht en [eiser] daarna is afgedaald naar het basiskamp waar hij, zoals [eiser] in zijn boek "Hoger dan de Dhaulagiri" beschrijft, op 19 oktober 1996 aankwam. [gedaagde] voert aan dat zulks strookt met de verklaringen van een andere Russische klimmer, [betrokkene 5], en de Oostenrijker [betrokkene 6] te-genover een journaliste van het Algemeen Dagblad. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij [eiser] op 18 oktober 1996 in kamp 1 tegen kwam en [betrokkene 6] verklaart dat hij [eiser] op 19 ok-tober 1996 om ongeveer 16.00 uur is tegengekomen op circa 5.300 meter tussen kamp 1 en het basiskamp. Aldus - steeds - [gedaagde].

11. [eiser] stelt daar tegenover dat hij de Russen inderdaad een paar keer op de Noordoostgraad heeft ontmoet toen hij enkele dagen op die graad klom om te acclimatiseren. Daarna is hij afgedaald en heeft hij via de Oostwand de top bereikt. Na te zijn teruggekeerd in het ba-siskamp, bereikte hij na een uiterst moeizame terugtocht op 28 oktober 1996 de bewoonde wereld, het dorpje Marpha. [eiser] heeft toen teruggerekend op welke dag hij de top had be-reikt en hij heeft vastgesteld dat dat op 17 oktober 1996 moest zijn geweest, welke datum hij dan ook in zijn boek "Hoger dan de Dhaulagiri" heeft genoemd. Naar aanleiding van de bevindingen van [gedaagde] is [eiser] tot de conclusie gekomen dat hij bij het terugrekenen van de dagen naar alle waarschijnlijkheid een fout heeft gemaakt. Op 17 oktober 1996 was hij inderdaad bij de Russische klimmers op de Noordoostgraad. Daarna heeft hij op 20 oktober 1996 de top bereikt. Aldus [eiser].

12. De aantijging van [gedaagde] met betrekking tot de beklimming van de Mount Everest, zoals in de eerste 215 bladzijden van het boek beschreven, is allereerst gebaseerd op eigen waarnemingen van [gedaagde]. Daarnaast baseert [gedaagde] zich bij de reconstructie van de toppoging van 8 oktober 1984 ook op andere bronnen, zoals de Tsjechoslowaakse klim-mers, de Australische expeditie en de opname van een walkie-talkie gesprek. De inhoud van het walkie-talkie gesprek steunt het standpunt van [eiser] niet. Het bandje is ter terecht-zitting afgespeeld en daarop is, voorzover hier van belang, naar het oordeel van de recht-bank te horen:

[eiser]: "Herman, ik hoor of versta je [kuchen] alleen als ik de squelchknop indruk. Daarom zal ik kort zeg-gen wat we gedaan hebben. We hebben de Zuidtop van de Everest bereikt en het zadel tussen de hoofdtop en de zuidtop. [hijgen] Eh … toen we op dat zadel waren, stortte het gedeeltelijk in. Eh…. toen zijn we gauw teruggegaan, omdat de tijd eh… over was… […].

Het in het laatste hoofdstuk van het boek neergelegde standpunt van [gedaagde] dat [eiser] de top van de Dhaulagiri niet heeft beklommen steunt eveneens op meerdere pijlers en bron-nen: verklaringen van andere klimmers en fotomateriaal. [eiser] heeft de juistheid van [gedaagde]s reconstructie uitvoerig en gedocumenteerd betwist. In onderhavig geding kan - zoals overwogen -in het midden blijven of de versie van [gedaagde] dan wel die van [eiser] het meeste geloof verdient en derhalve of de aantijgingen van [gedaagde] over de beklimmingen van de Mount Everest en Dhaulagiri door [eiser] nu juist zijn of niet. Gelet op hetgeen [gedaagde] ter ondersteuning van haar reconstructie heeft aangedragen kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet worden gezegd dat de beschuldigingen van [gedaagde] geen of onvoldoende steun vinden in beschikbaar feitenmateriaal, dat de beschuldigingen daarom lichtvaardig zijn geuit of dat die beschuldigingen tegenover de ontkenning van [eiser] on-voldoende onderbouwd zijn gebleven en dat [gedaagde] om die reden niet haar reconstructie van de gebeurtenissen mag geven. Het andersluidende standpunt van [eiser] kan niet worden gevolgd.

13. [eiser] voert aan dat [gedaagde] hem, voorafgaand aan de publicatie van het boek, ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op haar bevindingen ten aanzien van de beklimming van de Dhaulagiri. Omdat de onjuistheid van één datum het cruciale punt is in het betoog van [gedaagde], had het op haar weg gelegen om haar bevindingen aan [eiser] voor te leggen voordat zij deze publiek maakte. [eiser] had dan de gelegenheid gehad de reconstruc-tie te maken die hij nu pas na publicatie van het boek heeft kunnen maken.[eiser] had dan de datum eerder en voorafgaand aan het verschijnen van het boek kunnen corrigeren.

14. Dat [eiser] niet om commentaar of een weerwoord is gevraagd kan op zich zelf niet leiden tot de gevolgtrekking dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Ten aanzien van de Eve-rest-expeditie waaraan [gedaagde] als deelnemer meedeed, geldt dat zij haar waarnemingen en ervaringen op schrift mocht stellen zonder die aan haar expeditiegenoten voor te leg-gen. Het weerwoord van [eiser] ten aanzien van de Dhaulagiri zou, zoals [gedaagde] heeft aan-gevoerd, niet tot een andere inhoud van het boek hebben geleid. Het standpunt van [eiser] dat hij bij nader inzien niet op 17 oktober 1996 de top van de Dhaulagiri bereikte maar op 20 oktober 1996 is ook thans nog niet te rijmen met de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] dat zij [eiser] daarvóór, op respectievelijk 18 oktober 1996 en 19 oktober 1996, hebben gezien in kamp 1 en tussen kamp 1 en het basiskamp.

15. De conclusie is dat de inhoud van de geuite beschuldiging dat [eiser], in tegenstelling tot zijn beweringen, niet de hoofdtop van de Mount Everest heeft bereikt en evenmin de top van de Dhaulagiri heeft beklommen, geen onrechtmatig handelen jegens hem oplevert.

16. De toonzetting waarin de beschuldiging in de epiloog is geuit, verdient afzonderlijke be-oordeling. De toonzetting in de epiloog, getiteld "Dhaulagiri-dagboek", wijkt namelijk af van die in de voorafgaande hoofdstukken. De rechtbank heeft onder ogen gezien of de wijze waarop [gedaagde] in die epiloog de beschuldigingen inkleedt daarmee zodanig anders wordt dat haar uitlatingen om die reden als onrechtmatig moeten worden aangemerkt.

17. [gedaagde] geeft in het laatste hoofdstuk niet alleen een beschrijving van haar ontmoeting met de twee Russchische klimmers die haar vertellen dat [eiser] de top van de Dhaulagiri niet heeft beklommen. Zij grijpt in het laatste hoofdstuk van het boek ook terloops terug op de gebeurtenissen die 13 jaar daarvóór, tijdens de Mount Everest expeditie hadden plaatsge-vonden. Zij brengt de aantijgingen tegen [eiser] over de Mount Everest en Dhaulagiri impli-ciet met elkaar in verband. Verder beschrijft [gedaagde] in het laatste hoofdstuk van het boek "andere" discutabele claims van beklimmingen van de Mount Everest en zelfs een "ander" geval waarin een sherpa aan een klimmer heeft aangeboden om te getuigen dat de top van de Mount Everest was gehaald terwijl de klimmer in werkelijkheid niet verder was geko-men dan de Zuidtop. [gedaagde] zet dat in de sleutel van de vercommercialisering van de bergsport en het afnemend normbesef van klimmers dat daar volgens haar het gevolg van is.

18. [gedaagde] neemt daarmee in het laatste hoofdstuk een verdergaand standpunt in ten aanzien van [eiser] dan in de eerste 215 bladzijden waarin zij verslag doet van de Mount Everest ex-peditie en haar reconstructie geeft van de gebeurtenissen, welke uitmondt in de conclusie dat [eiser] de hoofdtop van de Mount Everest niet heeft bereikt. [gedaagde] trekt in het laatste hoofdstuk niet alleen de conclusie dat [eiser] ook de top van de Dhaulagiri niet heeft be-klommen, maar voorziet de aantijgingen jegens [eiser] ook van een afkeurende toon omdat zij insinueert dat [eiser] exponent is van het afnemend normbesef in de bergsport.

19. Dit punt werkt weliswaar in het nadeel van [gedaagde], maar legt naar het oordeel van de rechtbank uiteindelijk onvoldoende gewicht in de schaal om de hiervoor in r.o. 5 bedoelde belangenafweging alsnog in het voordeel van [eiser] te laten plaatsvinden.

20. De vorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 2.374,54;

- verklaart de bovenstaande betalingsveroordeling uit-voer-baar bij voorraad.

Gewezen door mrs. W. Tonkens-Gerkema, R.H.C. van Harmelen en I.H.J. Konings, leden van ge-noem-de kamer, en uitgesproken ter openbare te-recht-zitting van 7 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.