Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF6475

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
27-03-2003
Zaaknummer
98.0625
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2003/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

H 98.0625

E 3.0129

19 maart 2003

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n:

1. Arend [eiser 1],

wonende te [adres],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2],

gevestigd te [adres],

3. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WESTLAND INDUSTRIES,

gevestigd te Hoek van Holland,

4. [eiser 4],

wonende te [adres],

e i s e r s bij dagvaarding van 16 januari 1998,

procureur mr. M.H. Aalmoes,

t e g e n:

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

g e d a a g d e,

procureur eerst mr. C.Ch. Mout, thans mr. J.W. van Rijswijk.

Eisers worden hierna afzonderlijk [eiser 1], Serco, WI en [eiser 4] genoemd. Gezamenlijk worden zij [eiser 1] c.s. genoemd. Gedaagde wordt ABN AMRO genoemd.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- incidenteel vonnis van 1 december 1999 met de daarin opgenomen processtukken;

- conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek, met bewijsstukken,

- pleidooi dat gehouden is op 21 januari 2003, het daarvan opgemaakte proces-verbaal, pleitnotities van de raadslieden van [eiser 1] c.s. en ABN AMRO en een bij pleidooi door [eiser 1] c.s. in het geding gebrachte productie;

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. [eiser 1] is houder van aandelen in Serco.

b. De rechtsvoorganger van ABN AMRO (hierna ook: ABN AMRO) heeft aan Serco kre-diet verschaft. Uit hoofde van een overeenkomst van cessie van 23 november 1972 was Serco verplicht al haar vorderingen op derden in eigendom tot zekerheid over te dragen aan ABN AMRO.

c. Serco heeft op 30 januari 1974 een cessielijst aan ABN AMRO gezonden, waarop een vordering vermeld staat van NLG 1.249.000,- op "Grimbergen Poeldijk/Heerlen" (hier-na: de vordering op Grimbergen).

d. Aan Grimbergen Poeldijk B.V. (verder: Grimbergen Poeldijk) is op 21 februari 1974 door de rechtbank te 's-Gravenhage voorlopige surseance van betaling verleend, die op 30 mei 1974 is omgezet in een faillissement. Het faillissement is op 9 september 1976 opgeheven bij gebrek aan baten. Aan de concurrente crediteuren is geen enkele uitke-ring gedaan.

e. Aan Grimbergen Constructies Heerlen B.V. (verder: Grimbergen Heerlen) is op 28 fe-bruari 1974 door de rechtbank te Maastricht voorlopige surseance van betaling verleend, waarna op 9 mei 1974 definitieve surseance is verleend. Aan de concurrente crediteuren is een akkoord aangeboden, inhoudende voldoening van 25% van het netto bedrag van hun vordering. Op 16 januari 1975 hebben die crediteuren het akkoord aanvaard.De door Serco aan ABN AMRO gecedeerde vordering op Grimbergen is niet in het ak-koord meegenomen.

f. Op 6 juni 1974 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage Serco in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. S.V. Langeveld tot curator. Op 13 juni 1974 is mr. E.J. Dommering tot (mede-) curator benoemd. Deze curatoren zijn met ingang van 5 oktober 1990 vervangen door mrs. H.Th. Bouma en J.H. Lemstra.

g. Per faillissementsdatum had ABN AMRO uit hoofde van de kredietovereenkomst meer dan NLG 1.000.000,- te vorderen van Serco.

h. In of omstreeks december 1976 is tussen de toenmalige curatoren in het faillissement van Serco enerzijds en Grimbergen Poeldijk B.V. en Grimbergen Constructies Heerlen B.V. anderzijds een overeenkomst van dading gesloten, inhoudende, voor zover van belang, dat over en weer wordt afgezien van de vorderingen.

i. Op of omstreeks 10 december 1987 is tussen de toenmalige curatoren in het faillisse-ment van Serco en ABN AMRO een overeenkomst van dading gesloten. De dading is als volgt verwoord in een brief van 10 december 1987 van de toenmalige curatoren aan ABN AMRO:

"1. Bij uitkering aan concurrente crediteuren zal met een vordering van de bank van f 700.000,-- worden rekening gehouden.

2. Curatoren en de bank zien af van iedere andere vordering die er over en weer mocht bestaan, boedelvorderingen en -schulden daaronder begrepen.

(…)"

j. [eiser 1], noch WI komen voor op de voorlopige uitdelingslijst die in het faillissement van Serco door curatoren is opgesteld. [eiser 4] is crediteur van Serco en komt als zo-danig voor de op de voorlopige uitdelingslijst voor een bedrag van f 2.740,-.

k. In de loop van de onderhavige procedure is het faillissement van Serco bij beschikking van de Haagse rechtbank van 9 december 1998 opgeheven wegens de toestand van de boedel.

l. Bij brief van 21 januari 1991 bericht ABN AMRO aan de curatoren van Serco, mrs. Bouma en Lemstra, onder meer het navolgende:

"(..) De relatie tussen de boedel en Amro en de wederzijdse rechten en verplich-tingen zijn immers reeds uitvoerig tussen uw voorgangers als curatoren en ons onderwerp van gesprek geweest (…) en dit heeft ten lange leste uiteindelijk in 1987 (..) geresulteerd in het treffen van een regeling van die rechten en verplich-tingen, welke door de Rechter-Commissaris is geaccordeerd. Deze regeling is weergegeven bij brief van uw voorgangers Mrs Langeveld en Dommering van 10 december 1987 (bijlage)

Aan deze regeling (waarin de curatoren uitdrukkelijk afzien van iedere vordering die zij qq Amro hebben) wensen wij de boedel te houden en wij achten haar onge-acht de thans ingetreden wisseling van de wacht in de gelederen van de curatoren bindend. (…)."

2. De vordering

2.1. [eiser 1] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat:

A. de vordering die Serco heeft op Grimbergen Heerlen c.q. op Grimbergen Heerlen en Grimbergen Poeldijk niet is afgedaan middels een dading en derhalve nog in rechte bestaat;

B. de vordering op Grimbergen, indien deze nog bestaat, momenteel nog steeds rechts-geldig is gecedeerd aan de ABN AMRO, waardoor de inningsbevoegdheid uitslui-tend toekomt aan ABN AMRO;

met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van de procedure.

2.2. [eiser 1] c.s. leggen aan hun eis ten grondslag dat Serco een vordering had op Grimber-gen Heerlen ten bedrage van NLG 1.776.436,40, die gecedeerd is aan ABN AMRO. De dading die in 1976 is gesloten is nietig, althans is geen dading, terwijl de in 1987 gesloten dading van onwaarde is, nu deze niet schriftelijk is aangegaan. Voorts sluit de in 1987 gesloten dading niet uit dat ABN AMRO nog steeds inningsbevoegd is ten aanzien van de vordering op Grimbergen Heerlen.

Serco is volgens [eiser 1] c.s. bevoegd tot het instellen van de onderhavige vordering op grond van artikel 24 Faillissementswet (Fw).

3. Het verweer

3.1. ABN AMRO bestrijdt de vordering en voert daartegen allereerst aan dat [eiser 1] c.s. ieder recht en belang ontbreekt bij de gevorderde verklaring voor recht.

Nu het faillissement van Serco is opgeheven is Serco op grond van artikel 2:19 lid 1 aanhef en onder c BW ontbonden en is zij een "spookpartij" geworden.

[eiser 1] was aandeelhouder in Serco en heeft geen rechtstreeks belang bij de vordering. Een aandeelhouder is een post-concurrente crediteur. Zelfs al zou de gevorderde verklaring voor recht worden gegeven, dan heeft dat niet tot gevolg dat de ABN AMRO jegens [eiser 1] gehouden is incassomaatregelen te nemen, danwel schadeplichtig is jegens hem. Een aandeelhouder kan niet uit eigen hoofde een actie tegen een derde instellen die ook de onderliggende vennootschap, in casu Serco, toekomt, aldus ABN AMRO.

Het belang van WI is onduidelijk. WI komt niet voor op de uitdelingslijst van Serco en geldt derhalve niet als crediteur, aldus ABN AMRO.

[eiser 4] komt weliswaar wel voor op de uitdelingslijst, maar voor [eiser 4] geldt hetzelfde als voor [eiser 1]. De gevorderde verklaring brengt geen verplichtingen van ABN AMRO jegens [eiser 4] met zich.

ABN AMRO beroept zich daarom op niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] c.s.

3.2. Voorzover [eiser 1] c.s. wel ontvankelijk zijn, betwist ABN AMRO het bestaan en de cessie van de vordering op Grimbergen Heerlen voor een bedrag van NLG 1.776.436,40. De vordering op Grimbergen die vermeld is op de cessielijst van 30 januari 1974 dient, gegeven de brief van mr. Langeveld van 17 november 1976, aangemerkt te worden als een vordering op Grimbergen Poeldijk. Nu het faillissement van deze vennootschap is opgeheven bij gebrek aan baten, is de waarde van de vordering nul. Indien de vordering op Grimbergen Heerlen al zou bestaan, is deze na homologatie van het akkoord sterk in waarde verminderd. Na verreke-ning met de openstaande tegenvordering van Grimbergen Heerlen, zou slechts een fractie van het gereduceerde bedrag resteren. Een dergelijk klein bedrag achtten de voormalige curatoren destijds reeds niet inbaar.

De dading uit 1987 is wel rechtsgeldig, aldus ABN AMRO, en op grond daarvan hebben cu-ratoren en ABN AMRO over en weer afgezien van iedere vordering.

4. Beoordeling

4.1. [eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat zij recht en belang hebben bij de vordering. ABN AMRO heeft zulks gemotiveerd betwist.

4.2 Serco verkeerde bij aanvang van de procedure in staat van faillissement. Uit dien hoofde waren alleen de curatoren bevoegd namens haar in rechte op te treden. Niet gesteld of geble-ken is dat curatoren toestemming hebben gegeven voor het voeren van een procedure namens Serco. Het door [eiser 1] c.s. in dit verband nog gedane beroep op artikel 24 Fw kan hen niet baten, omdat dit artikel betrekking heeft op verbintenissen ontstaan na de faillietverklaring en in de gegeven situatie niet toepasselijk is.

Het feit dat het faillissement van Serco in de loop van de procedure is opgeheven maakt Serco niet alsnog ontvankelijk. Door het opheffen van het faillissement is Serco ontbonden en heeft zij opgehouden te bestaan. Indien na de ontbinding alsnog van een bate blijkt, kan op grond van het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW door iedere belanghebbende aan de rechtbank ge-vraagd worden de vereffening van de ontbonden vennootschap te heropenen en zonodig een vereffenaar te benoemen. Dit is echter thans niet aan de orde. Serco is dan ook niet ontvanke-lijk in haar vordering.

4.3. Voorts geldt naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van [eiser 1], WI en Zuid-geest dat zij alleen dan belang hebben bij de vordering indien aangenomen moet worden dat toewijzing ervan leidt tot het terugbrengen van vermogensbestanddelen in de failliete boedel en zij kunnen meedelen in de aldus vergrote failliete boedel.

Nu noch [eiser 1], noch WI voorkomen op de uitdelingslijst hebben zij reeds daarom onvol-doende belang. De rechtbank is daarbij van oordeel dat [eiser 1] als post concurrent credi-teur, gegeven de grootte van het bedrag dat aan concurrente crediteuren zou moeten worden uitgekeerd en de grootte van het nagestreefde bedrag dat aan de boedel zou toevloeien, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem een uitkering zou kunnen toekomen.

[eiser 1] heeft tenslotte gesteld dat ook een aandeelhouder, naast een failliete vennootschap, een vordering kan instellen. De regel dat onrechtmatig is een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, heeft betrekking op de zorgvuldigheid die in een bepaalde verhouding tegenover een of meer bepaalde anderen behoort te worden betracht en is dus naar haar aard niet een norm die strekt tot bescherming van de belangen van allen die schade lijden als gevolg van het feit dat de vereiste zorgvuldig-heid tegenover die bepaalde anderen niet in acht is genomen. In de regel is een handelen dat onrechtmatig is jegens een vennootschap niet alleen al daarom ook onrechtmatig jegens de aandeelhouders. [eiser 1] had daarom als eisende partij moeten stellen welke specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem in privé in acht had moeten worden genomen. Nu hij terza-ke niets heeft gesteld gaat de rechtbank aan genoemde stelling voorbij.

4.4. [eiser 4] komt voor op de uitdelingslijst, als concurrent crediteur voor een bedrag van NLG 2.740,-.Alhoewel de hoogte van deze vordering in relatie tot de omvang van de totale vordering van concurrente crediteuren van NLG 2.730.363,91 minimaal is, is het belang van [eiser 4] niet zo minimaal , dat het als onvoldoende processueel belang moet worden ge-kwalificeerd. [eiser 4] is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4.5. Ten aanzien van [eiser 4] zal de vordering derhalve inhoudelijk worden beoordeeld. Daartoe is allereerst de rechtsgeldigheid van de in 1987 tussen ABN AMRO en de curatoren van Serco gesloten dading aan de orde. De rechtbank is met ABN AMRO van oordeel dat de dading rechtsgeldig is. Door vastlegging van de afspraken in de hiervoor onder 1.i. genoemde brief van curatoren aan ABN AMRO is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Een beroep op vernietiging van de dading wegens het ontbreken van de schriftelijkheidseis komt slechts toe aan de bij de dading betrokken partijen en niet aan derden, zoals [eiser 4]. Niet gesteld of gebleken is dat de bij de dading betrokken partijen zich op vernietiging hebben beroepen. Uit de onder 1.l. aangehaalde brief van ABN AMRO aan curatoren mrs. Bouma en Lemstra van 21 januari 1991 blijkt het tegendeel. Nu de geschillen tussen curatoren van Serco en ABN AMRO door die dading zijn beëindigd is de vraag naar het bestaan van een vordering van Serco op Grimbergen en naar de inningsbevoegdheid van ABN AMRO niet relevant. ABN AMRO had na de dading immers geen verplichtingen meer jegens de boedel om de vordering op Grimbergen te innen. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.

4.6. Ten overvloede wordt overwogen dat hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen ten aanzien van [eiser 4] ook geldt ten aanzien van de overige eisers.

4.7. Nu [eiser 1], Serco en WI onvoldoende belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht en de vordering van [eiser 4] niet voor toewijzing in aanmerking komt, zal de vordering worden afgewezen, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser 1] c.s. ieder hoofdelijk in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 1.727,90;

- verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mrs. R.H.C. Jongeneel, K.D. van Ringen en H.C. Hoogeveen, leden van ge-noem-de kamer, en uitgesproken ter openbare te-recht-zitting van 19 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.