Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF6348

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
13/037454-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 25 februari 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 5de meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2003.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

3. Waardering van het bewijs.

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 3 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank neemt hierbij in overweging, dat de middelen die verdachte gebruikte bij zijn poging om het Amerikaanse consulaat in brand te steken, te weten 2 lichtkogels en een noodsignaalmiddel, absoluut ondeugdelijk zijn. De rechtbank is van oordeel, dat met gebruikmaking van de hiervoor genoemde middelen, het nimmer tot een brand in het consulaat had kunnen leiden, zelfs niet als het noodsignaalmiddel of een van de lichtkogels tegen het consulaat was aangekomen.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde:

in de periode van 22 juni 2002 tot en met 26 juni 2002 in Nederland een wapen van categorie I, te weten een niet opvouwbaar mes, en wapens van categorie III, te weten een gaspistool (met opschrift Colt) en een noodsignaalmiddel, en munitie van categorie III, te weten 67 knalpatronen (kaliber 9 mm), heeft doen binnenkomen,

ten aanzien van het onder 2. telastegelegde:

in de periode van 22 juni 2002 tot en met 26 juni 2002 te Amsterdam ter voorbereiding van het te plegen misdrijf, te weten het opzettelijk veroorzaken van een brand en/of een ontploffing (artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een gaspistool (met opschrift Colt) met bijbehorende munitie, en een noodsignaalmiddel met bijbehorende munitie, en bescheiden met betrekking tot de constructie en/of vervaardiging van een zeer krachtig explosief voorwerp kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en ingevoerd en voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is naar Nederland gekomen met de bedoeling een aanslag te plegen op het Amerikaans consulaat. Met het oog hierop heeft hij een mes, een gaspistool, een noodsignaalmiddel en 67 knalpatronen meegenomen en daarnaast bescheiden verzameld welke informatie dragen met betrekking tot het vervaardigen van een zeer krachtige bom. Deze feiten zijn buitengewoon ernstig en kunnen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen meebrengen. De rechtbank heeft bovendien rekening gehouden met het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van een wapendelict strafrechtelijk is veroordeeld.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 13, 14 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 2:

Voorbereiden van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.C. van Kamp, voorzitter,

mrs. J. Edgar en J.J. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R. Hirzalla en J.V.M. Mol, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2003.