Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF5254

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
13/129026-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/129026-01

Datum uitspraak: 27 februari 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer EXTRA, in de strafzaak tegen:

STIDA,

gevestigd te [woonplaats], [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11, 12 en 13 februari 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft bij pleidooi haar preliminaire verweren die tot nietigheid van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden, herhaald. Ter terechtzitting van 11 februari 2003 heeft de rechtbank reeds haar beslissingen op deze verweren uitgesproken. Voor de inhoud van deze beslissingen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal ter terechtzitting. Met betrekking tot één verweer had de rechtbank nog geen definitieve uitspraak gedaan.

Het gaat om het navolgende verweer:

Ter terechtzitting heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1. telastegelegde aangevoerd dat de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 per 1 januari 2002 is komen te vervallen en het telastegelegde, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht geen strafbaar feit meer kan opleveren. De officier van justitie had derhalve niet meer tot vervolging over mogen gaan hetgeen, aldus de raadsman, ten aanzien van het onder 1. telastegelegde zal dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank overweegt het volgende:

Op het moment dat de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 op 1 januari 2002 is komen te vervallen, is op dezelfde datum de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Artikel 58 van deze wet regelt de meldingen door de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar met het oude artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. Artikel 3 van het onderliggende Besluit melding sociale verzekeringen dat de meldingsplicht binnen een termijn van één maand regelt,

is op 23 februari 2002 in werking getreden en is vergelijkbaar met de oude wetgeving die op 9 mei 1997 in werking trad. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Voorts heeft de verdediging het verweer gevoerd dat de start van het onderzoek dat uiteindelijk tot onderhavige telastelegging heeft geleid niet geheel volgens de regels is gelopen en dat de feitelijke gang van zaken in het proces-verbaal relaas onjuist is weergegeven. Een en ander zou volgens de verdediging hebben geleid tot misbruik van bevoegdheden en derhalve zou de officier van justitie niet ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De rechtbank gaat uit van hetgeen is neergelegd door verbalisanten in de op ambtseed opgemaakt processen-verbaal d.d. 8 februari 2001 en 12 december 2001 en herhaalt hetgeen de rechtbank op 12 november 2002 op de regiezitting heeft uitgesproken:

Vaststaat dat naar aanleiding van het zogeheten Cupido onderzoek vraagtekens waren gerezen omtrent de melding van dienstverbanden van medewerkers die verbonden waren aan STIDA. Er volgde nader onderzoek en er is onder andere gerapporteerd aan twee wethouders. Een en ander is vervolgens ook nog aan de orde geweest in het driehoeksoverleg. Op 22 mei 2000 is door de officier van justitie besloten tot een strafrechtelijk onderzoek. Voorts is besloten dat dit onderzoek op 13 november 2000 zou worden overgedragen aan de Dienst Centrale Recherche van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland onder leiding van de Amsterdamse officier van justitie. Van enige onregelmatigheid zoals door de raadsman gesteld is de rechtbank niet gebleken. Het verweer wordt verworpen.

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 3. is telastegelegd.

Voorts acht de rechtbank het onder 4. telastegelegde ten aanzien van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet wettig en overtuigen bewezen omdat zij het aannemelijk acht dat ten aanzien van de controle van de referte-eis voor een Melkertverklaring uitsluitend de Sociale Dienst bevoegd was. Stida had geen mogelijkheden om de referte-eis te controleren.

Verdachte dient van voornoemde feiten te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat,

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde,

zij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 1997 tot en met 30 april 2001 te Amsterdam als werkgever, telkens, meermalen, niet binnen een maand na het ontstaan van een nieuwe arbeidsverhouding en/of na wijziging van de bestaande arbeidsverhouding en/of na beëindiging van de arbeidsverhouding ten aanzien van verzekerden te weten;

[betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 3] en [betrokkene 9] en [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en [betrokkene 1] en [betrokkene 12] mededeling heeft gedaan van de aanvang en/of beëindiging van de arbeidsverhouding van die verzekerden aan de uitvoeringsinstelling te weten GAK Nederland BV, die ten aanzien van de werkgever te weten Stida de in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden verrichten;

ten aanzien van het onder 2. telastegelegde,

zij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 1997 tot en met 30 april 2001 te Amsterdam, als werkgever, telkens opzettelijk, meermalen niet volledig de verplichtingen krachtens het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering is nagekomen, om aan het Landelijk Instituut Sociale verzekeringen opgave te doen van het door een of meer werknemers genoten loon, te weten:

het loon over het jaar 1998 van [betrokkene 13] en

het loon over het jaar 1999 van [betrokkene 1] en [betrokkene 9] en

het loon over het jaar 2000 van [betrokkene 9];

ten aanzien van het onder 4. telastegelegde,

zij op 29 april 1999 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst bescheid, te weten;

een instroomformulier (formulier 99.1.1, contract 95-771) d.d. 29 april 1999 met sofinummer 212050710 op naam van [betrokkene 14];

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst - bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte dat geschrift heeft overlegd aan NV werk Amsterdam en bestaande die vervalsing hierin dat dat instroomformulier in strijd met de waarheid is opgemaakt als zou [betrokkene 14] daadwerkelijk werkzaam zijn als toezichthouder;

ten aanzien van het onder 5. telastegelegde,

zij op 13 oktober 2000 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een arbeidsovereenkomst ten aanzien van [betrokkene 15] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk hebben opgemaakt, immers hebben verdachte en haar mededader opzettelijk in strijd met de waarheid op genoemd geschrift gemeld dat tussen haar, verdachte met [betrokkene 15] een arbeidsovereenkomst werd aangegaan voor een bepaalde duur en met een bepaalde ingangsdatum en in een bepaalde functie bij haar, verdachte en genoemd geschrift voorzien van handtekeningen ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgave, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 6. telastegelegde,

zij op 29 april 1999 en 13 oktober 1999 en 14 januari 2000 en 14 april 2000 en 12 juli 2000 te Amsterdam, instroomformulieren (nummer 99.1.1) en jaarrapporten Model A met specificaties behorende bij de genoemde jaarrapporten Model A, met betrekking tot de projecten 1-96-217 of 1-95-771 of 1-95-867 of 1-96-581 ten aanzien van [betrokkene 16] en [betrokkene 17] en [betrokkene 18] en [betrokkene 19] en [betrokkene 20] en [betrokkene 21] en [betrokkene 14] en [betrokkene 22] en [betrokkene 23] - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, verdachte opzettelijk valselijk op genoemde geschriften doen vermelden dat [betrokkene 16] en [betrokkene 17] en [betrokkene 18] en [betrokkene 19] en [betrokkene 20] en [betrokkene 21] en [betrokkene 14] en [betrokkene 22] en [betrokkene 23] als toezichthouder of assistent budgetconsulent gedurende de gehele opgegeven periode binnen de projecten 1-96-217 of 1-95-771 of 1-95-867 of 1-96-581 werkzaamheden verrichten en genoemde geschriften voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgave zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

ten aanzien van het onder 7. telastegelegde,

zij op 14 januari 2000 te Amsterdam uitstroomformulieren (nummer 99.1.2) en jaarrapporten model A met specificaties behorende bij de genoemde jaarrapporten Model A met betrekking tot de projecten 1-95-771 of 1-95-867 te aanzien van [betrokkene 24] en [betrokkene 25] - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, verdachte opzettelijk valselijk op genoemde geschriften vermeld dat [betrokkene 24] en [betrokkene 25] op een bepaalde datum, te weten 15 oktober 1999 ([betrokkene 24]) en 1 november 1999 ([betrokkene 25]) zijn/haar werkzaamheden bij haar, verdachte in het kader van de projecten 1-95-771 of 1-95-867 zou hebben beëindigd en genoemde geschriften voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgave, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde overweegt de rechtbank het volgende:

De verdediging heeft zich erop beroepen dat [betrokkene 1] de in het geding zijnde betaling van 5 november 1999 heeft ontvangen voor werkzaamheden voor verdachte die hij als zelfstandige, niet zijnde in dienstbetrekking, bij verdachte heeft verricht. Verdachte zou in dit geval dan ook niet krachtens artikel 10 van de Coördinatiewet sociale verzekering gehouden zijn opgave te doen van de betalingen aan [betrokkene 1].

De rechtbank overweegt het volgende:

Vaststaat dat [betrokkene 1] in november 1999 werk heeft verricht dat voortvloeide uit werkzaamheden die hij eerder verrichte in dienstbetrekking bij verdachte, namelijk in de periode van 1 november 1998 tot en met 31 oktober 1999. Voor het in november 1999 verrichte werk heeft [betrokkene 1] op 5 november 1999 een bedrag van fl 4.700,- ontvangen. Gelet op artikel 4 van de Coördinatiewet sociale verzekering is de rechtbank van oordeel dat deze betaling, die voortvloeide uit zijn al eerder in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden, als loon uit dienstbetrekking aangemerkt dient te worden. Derhalve was verdachte gehouden om van genoemde betaling opgave te doen aan het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen.

De verdediging heeft vervolgens aangevoerd dat de betalingen die door [betrokkene 26] aan [betrokkene 9] zijn gedaan niet kunnen worden aangemerkt als betalingen van verdachte en derhalve ook niet kunnen worden gekwalificeerd als een loonbetaling verricht door verdachte.

De rechtbank overweegt het volgende:

Vaststaat dat [betrokkene 9] voor werkzaamheden die zij voor verdachte verrichtte door zowel verdachte als [betrokkene 26] is betaald. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 4 Coördinatiewet sociale verzekering betalingen die als vergoeding opgevat kunnen worden voor arbeid verricht in dienstbetrekking als loon uit dienstbetrekking beschouwd dienen te worden. Derhalve dient ook het door [betrokkene 26] betaalde deel van het salaris van [betrokkene 9] als loon uit dienstbetrekking te worden aangemerkt.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

In het algemeen is een juiste informatieverstrekking aan de uitvoerende instanties onmisbaar voor het collectieve stelsel van heffingen en prestaties. Belasting- en premieheffing worden immers vastgesteld op de grondslag van gedane aangiften, verstrekte inlichtingen en gegeven inzage. Het niet, onvolledig of onjuist verstrekken van gegevens, die ingevolge de wet dienen tot de vaststelling van een premieschuld of prestatieplicht kan derhalve leiden tot het verminderen of tenietgaan van een premieafdracht of prestatieplicht. Verdachte heeft door het onder 1. en 2. bewezenverklaarde het functioneren van het collectieve stelsel van heffingen en prestatie gefrustreerd.

Voorts heeft verdachte voor diverse doeleinden geschriften, soms samen met een ander, vervalst. Ook heeft verdachte gebruik gemaakt van een vervalst geschrift. Hierdoor is een op geld waardeerbare benadeling ontstaan en heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat de maatschappij in het algemeen hecht aan een door de werkgever opgemaakt of ingevuld geschrift.

Anderzijds heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte het volgende laten meewegen.

Uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat verdachte zich heeft laten leiden door eigen geldelijk gewin.

Tenslotte acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte in haar functioneren is geschaad door de publiciteit die is gevolgd op de aanhouding van haar bestuursleden en de huiszoekingen. Een en ander rechtvaardigt voor iedere overtreding een kleine voorwaardelijke geldboete en voor het overige een geheel voorwaardelijke geldboete.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 57, 62, 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 91 en 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (oud) en de artikelen 10 en 18 van de Coördinatiewet sociale verzekering (oud).

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 3. telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, elfmaal begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 10 van de Coördinatiewet sociale verzekering, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4. bewezenverklaarde:

Opzettelijk gebruik maken van het vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van het onder 5. bewezenverklaarde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van het onder 6. en 7. bewezenverklaarde:

Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, STIDA, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot [betrokkene 4], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot [betrokkene 5], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot [betrokkene 6], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 7], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 8], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 3], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 9], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 10], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 11], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 1], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1. bewezenverklaarde feit, met betrekking tot

[betrokkene 12], tot een geldboete van € 20,- (twintig euro) met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 2., 4., 5., 6. en 7. bewezenverklaarde tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J.L.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en A.C. Loman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.H. Felix, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2003.