Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2003:AF3008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
13/129199-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/129199-97

Datum uitspraak: 16 januari 2003

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres],

niet als ingezetene ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23, 26 en 30 september, 2, 4 en 22 oktober, 12, 13, 18 en 19 november en 5, 12 en 13 december 2002 en 10 januari 2003.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

2.1.1. ten aanzien van het onder1 telastegelegde

De aanduiding "onder andere" in de beschrijving van het oogmerk "valsheid in geschrift" en het oogmerk "heling" van de onder 1 telastegelegde organisatie acht de rechtbank onvoldoende duidelijk bepaald. Mede gelet op de omvang van het dossier, is niet duidelijk op welke andere feiten wordt gedoeld. Op deze onderdelen zal de dagvaarding dan ook nietig worden verklaard.

2.1.2. ten aanzien van het onder 2, 3, en 4 telastegelegde

De aanduiding "dan wel buiten Nederland" in het onder 2, 3, en 4 primair en subsidiair telastegelegde acht de rechtbank onvoldoende gespecificeerd. Ook op deze onderdelen zal de dagvaarding derhalve nietig worden verklaard.

2.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.2.1. verwijzing naar uitspraak op preliminaire verweren

De raadsman heeft preliminair aangevoerd dat de officier van justitie in zijn vervolging niet ontvankelijk is. Bij uitspraak van 22 oktober 2002 (www.rechtspraak.nl, LJN-nr. AE9153), die aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht, heeft de rechtbank het preliminaire verweer ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank preliminair een aantal gebreken in het vooronderzoek gesignaleerd, bestaande in:

- tekortkomingen in de inhoud van het rechtshulpverzoek;

- tekortkomingen in de vertaling van het rechtshulpverzoek;

- tekortkomingen ten aanzien van het gebruik van de ambtseed;

- het niet hebben kunnen horen van de getuigen [getuige 1];

- een overschrijding van de redelijke termijn;

- onzorgvuldige uitlatingen van de officier van justitie tijdens de behandeling van de vordering tot onderbewindstelling van Leemhuis & Van Loon, en

- het niet toesturen van een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat deze verzuimen konden worden gecompenseerd door daarmee ten voordele van verdachte rekening te houden bij het vaststellen van de hoogte van de straf, indien en voorzover de rechtbank tot een bewezenverklaring van de telastegelegde feiten en strafoplegging zou komen.

Bij pleidooi heeft de raadsman wederom de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Voorzover de raadsman daarbij letterlijk of qua strekking heeft herhaald wat hij reeds preliminair naar voren had gebracht, heeft dit, of hetgeen overigens tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is gekomen, de rechtbank niet tot andere inzichten gebracht.

In zoverre wordt derhalve volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van 22 oktober 2002. Op de volgende, nog niet eerder beoordeelde ontvankelijkheidsverweren, zal thans worden ingegaan.

2.2.2. door verdachte geleden schade

2.2.2.1. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte - anders dan is overwogen in de uitspraak van 22 oktober 2002 - ten tijde van zijn aanhouding nog wel degelijk professioneel werkzaam was en ten gevolge van de negatieve internationale publiciteit zakelijk aanzienlijke schade heeft geleden. Bovendien heeft verdachte hoge kosten moeten maken, waaronder kosten van rechtsbijstand, aldus de raadsman.

2.2.2.2. Dit verweer gaat niet op. Zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt, ontbreekt een voldoende causaal verband tussen de hiervoor bedoelde gebreken in het voorbereidend onderzoek en de gestelde schade. In de zaak Leemhuis & Van Loon bestond een direct verband tussen onzorgvuldige gedragingen van het Openbaar Ministerie (OM), bijvoorbeeld de stellingnames in de onderbewindstellingsprocedure, en de reputatieschade van de betrokken onderneming. Van iets dergelijks is in de onderhavige zaak niet gebleken; de gestelde schade is hier een gevolg van de strafzaak zelf. Deze schade speelt in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie geen rol, maar kan hooguit na vrijspraak voor vergoeding in aanmerking komen of in geval van een veroordeling in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte meewegen bij de bepaling van de strafmaat.

2.2.3. ontstaan verdenking [betrokkene 1]

2.2.3.1. De raadsman heeft nog aangevoerd dat hetgeen in de beslissing op het preliminair verweer is overwogen omtrent het ontstaan van de verdenking jegens [betrokkene 1] niet kan kloppen, nu de FIOD kennelijk op de hoogte was van het adres van [betrokkene 1] in [woonplaats] en dit niet uit de door de rechtbank genoemde gegevens kon worden afgeleid.

2.2.3.2. Wat daarvan verder ook zij, ook op dit punt concludeert de rechtbank dat daarmee niet aannemelijk is geworden dat de verdenking jegens [betrokkene 1] is ontstaan door het doorgeven van in Zwitserland in beslag genomen informatie voordat deze daartoe was vrijgegeven. Zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt, blijkt uit Ambtshandeling 29 dat het adres van [betrokkene 1] in [woonplaats] reeds op 18 september 1997 bij de FIOD bekend was.

2.2.4. dubbele strafbaarheid

2.2.4.1. Terzake van het onder 1, 5 primair, 6, 7, 8, 9 en 10 telastegelegde dient te worden onderzocht of de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging, voorzover is telastegelegd dat de handelingen zijn gepleegd in Zwitserland.

2.2.4.2. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht van 7 december 1998 (overweging 4 a/b j° punt A), zijn de delicten deelneming aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift en heling ook naar Zwitsers recht strafbare feiten, met dien verstande dat

heling ten aanzien van (de opbrengsten van) niet gefiscaliseerde inkomsten en vermogens niet te is vatten onder het begrip Geldwäscherei in artikel 305 bis van het Zwitserse Strafgesetzbuch (StGB). Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is het Zwitserse equivalent van valsheid in geschrift, Urkundenfälschung, ook een delict naar Zwitsers recht

indien de valsheid uitsluitend fiscale doeleinden dient (zie ook hierna onder overweging 3.1.2.2). Ook dan is dus voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

Dat op onderdelen de Nederlandse telastelegging niet alle bestanddelen van de buitenlandse strafbepalingen bevat doet aan het bovenstaande niet af. Het gaat er immers niet om of de Nederlandse telastelegging in het buitenland tot een veroordeling zou kunnen leiden, maar of de in de telastelegging vervatte gedragingen onder een buitenlandse strafbepaling zijn te vatten.

Concluderend is sprake van dubbele strafbaarheid van alle voornoemde telastegelegde feiten, met uitzondering van het gronddelict "heling" in de telastegelegde deelneming aan een criminele organisatie, voorzover het daarbij gaat om de zaken [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Voorzover dat gronddelict in Zwitserland is gepleegd, is de officier van justitie derhalve niet ontvankelijk in zijn vervolging.

2.2.5. verjaring

Onder 9 is verdachte een misdrijf telastegelegd ten aanzien waarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 70 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het recht tot strafvordering vervalt na twaalf jaar.

Als eerste daad van vervolging die de verjaring stuitte, is aan te merken de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek (GVO) van 21 maart 2000, waarvan bij brief van 23 maart 2000 een kopie aan de raadsman is gezonden. De rechtbank gaat ervan uit dat deze brief op

24 maart 2000 door de raadsman is ontvangen. In zijn standpunt, dat slechts een kennisgeving aan verdachte zelf stuitende werking heeft, kan de raadsman niet worden gevolgd. Door verjaring is derhalve het recht tot strafvordering van het onder 9 telastegelegde vervallen, voorzover het gaat om de periode van 24 november 1987 tot 24 maart 1988. In zoverre dient de officier van justitie in zijn vervolging niet ontvankelijk te worden verklaard.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Algemeen

3.1.1. bewijsuitsluiting als sanctie ex artikel 359a Sv

3.1.1.1. De raadsman heeft betoogd dat, voorzover de geconstateerde onzorgvuldigheden ten aanzien van het rechtshulpverzoek niet mochten leiden tot niet-ontvankelijkheid, de met dat verzoek verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Hoe zwaar de rechtbank ook tilt aan die onzorgvuldigheden, zij volgt de raadsman hierin niet. Zoals hiervoor onder 2.2.1 reeds is overwogen, zal compensatie voor alle geconstateerde gebreken in het voorbereidend onderzoek worden gezocht in vermindering van de mogelijk op te leggen straf.

3.1.1.2. Ook heeft de raadsman nog aangevoerd dat de stukken die zijn ontleend aan het procesdossier in de civiele procedure tussen ESC en VMJC van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat de officier van justitie geen bevoegdheid zou hebben gehad die stukken op te vragen. Dit verweer strandt op het bepaalde in artikel 162 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waaruit die bevoegdheid bij het bestaan van een verdenking van een strafbaar feit zonder meer volgt.

3.1.2. gebruik van Zwitserse stukken

3.1.2.1. In de beslissing van 22 oktober 2002 heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken dat de officier van justitie met het rechtshulpverzoek van 4 oktober 1997 de Zwitserse autoriteiten heeft misleid. Niet-vermelding van de omstandigheid dat een zaak fiscale of fiscaalstrafrechtelijke aspecten kent brengt geen misleiding van de autoriteiten van de aangezochte staat mee. Zwitserse bewijstukken kunnen dan ook in beginsel in deze zaak worden gebruikt, zij het dat rekening moet worden gehouden met enerzijds het Zwitserse specialiteitsvoorbehoud en anderzijds met het verbod van Zwitserland om door rechtshulp verkregen bewijsmateriaal te gebruiken voor de vervolging en berechting van fiscale delicten.

Zoals [politiebeambte] van het Zwitserse Bundesamt für Polizeiwesen bij brief van 13 januari 1999 bevestigde, bepaalt het Zwitserse specialiteitsvoorbehoud onder meer dat gebruik van de stukken toelaatbaar is voor andere feiten dan die waarvoor rechtshulp is gevraagd, voorzover dat feiten zijn waarvoor rechtshulp op zichzelf toelaatbaar zou zijn. Voorzover verdachte derhalve wordt vervolgd voor andere of anders te kwalificeren feiten dan die waarvoor de rechtshulp werd verzocht, is met inachtneming van het specialiteitsvoorbehoud die vervolging toelaatbaar. De vraag of in de onderhavige zaak sprake is van fiscale delicten naar Zwitsers recht, zoals van de zijde van verdachte herhaaldelijk is aangevoerd, heeft de rechtbank in genoemde beslissing als te beantwoorden bij de bewijswaardering aangemerkt. Voorzover een aan verdachte verweten feit een fiscaal delict naar Zwitsers recht oplevert kan daarvoor geen uit Zwitserland verkregen bewijsmateriaal worden gebruikt. Van belang is derhalve vast te stellen wanneer sprake is van een fiscaal delict naar Zwitsers recht.

3.1.2.2. Als een fiscaal delict naar Zwitsers recht moet worden aangemerkt de strafbare handeling die is gericht op het verkleinen van bedragen die aan de belastingdienst moeten worden afgedragen (vgl. artikel 3 lid 3 van het Zwitserse Bundesgesetz über internationale Rechtshilfe in Strafsachen (IRSG): voor fiscale delicten wordt geen rechtshulp verleend). Urkundenfälschung bijvoorbeeld, strafbaar gesteld bij artikel 251 StGB, op zichzelf een commuun delict, wordt als fiscaal delict gezien indien het uitsluitend gericht is op een fiscaal doel. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van het Zwitserse Bundesgericht (sedert 30 maart 1982, BGE 108 IV 27) de subjectieve bedoeling van de pleger als maatstaf: slechts als het diens bedoeling is het valse of vervalste stuk uitsluitend te gebruiken met een fiscaal doel moet de Urkundenfälschung worden aangemerkt als een fiscaal delict en kan de pleger niet voor het commune delict worden vervolgd. Dat betekent dat het dan evenmin mogelijk is Zwitsers bewijsmateriaal voor een in Nederland telastegelegd feit te gebruiken. Wanneer de pleger daarentegen met het valse of vervalste stuk naast het fiscale ook een ander gebruik voor ogen heeft, of op zijn minst met de mogelijkheid daartoe rekening houdt, is de delictsomschrijving van zowel het fiscale als van het commune delict vervuld. Vervolging voor het commune delict alsmede gebruik van Zwitsers bewijsmateriaal daarvoor zijn dan mogelijk. Daarbij komt dat de pleger die het valse of vervalste stuk ter vrije beschikking aan een ander stelt - volgens vaste rechtspraak van het Bundesgericht - het risico neemt dat het stuk door die ander voor andere dan fiscale doeleinden wordt gebruikt, zodat ook dan voor het commune delict vervolgd kan worden.

3.1.2.3. Voor het fiscale delict Abgabebetrug is ingevolge artikel 3 lid 3 IRSG wél rechtshulp mogelijk. Abgabebetrug is strafbaar gesteld in artikel 14 lid 2 van het Zwitserse Bundesgesetz über das Verwaltungsstrafrecht, dat ingevolge artikel 24 lid 1 van de Zwitserse Verordnung über internationale Rechtshilfe in Strafsachen, hier van toepassing is. Voor de betekenis van het begrip Abgabebetrug is volgens vaste rechtspraak van het Zwitserse Bundesgericht de jurisprudentie met betrekking tot het commune delict Betrug (artikel 148 StGB) bepalend. Dat brengt mee dat voor Abgabebetrug handelingen dienen te zijn gepleegd, die kunnen worden gekwalificeerd als bedrog en die bijvoorbeeld een fiscale autoriteit ertoe hebben gebracht ten gunste van de pleger een geringere verschuldigdheid van belastinggeld aan te nemen. De Zwitsers duiden de kern van dergelijke handelingen aan met het begrip Arglist. Eveneens is vaste rechtspraak van het Bundesgericht (zie bijvoorbeeld 27 november 1985, BGE 111 IB 242 en 4 april 1989, BGE 115 IB 68) dat dit Betrug niet alleen kan zijn gelegen in het gebruik van valse of vervalste documenten, maar ook in "besondere Machenschaften, Kniffe oder ein ganzes Lügengebäude". Zelfs kan Betrug zijn gelegen in het enkele verzwijgen van omstandigheden die de fiscale autoriteit ertoe zouden brengen bepaalde zaken nader te onderzoeken, welk onderzoek bijvoorbeeld vanwege een vertrouwensrelatie achterwege blijft. Ook een voor de fiscale autoriteit ondoorzichtige samenwerking met anderen kan onder omstandigheden Betrug van die autoriteit opleveren.

3.1.2.4. Ten slotte is nog van belang dat het Zwitserse Bundesgericht aan Arglist geen strenge eisen stelt wanneer het om Urkunden in de zin van artikel 110 lid 3 StGB gaat (zie 19 april 1999, BGE 125 III 250). Indien een belastingplichtige stukken aan de fiscale autoriteit overlegt die als Urkunden in de zin van dat artikel gelden, terwijl deze onjuist of onvolledig zijn, is reeds sprake van Arglist. Dat houdt verband met de waarde die in het rechtsverkeer aan dergelijke documenten wordt toegekend, waardoor de fiscale autoriteit ze minder snel aan een controle zal onderwerpen. In geval van documenten die geen Urkunden in de zin van de Zwitserse wet zijn wordt Arglist minder snel aangenomen: dan geldt dat weer sprake moet zijn van een handelen of nalaten dat onder het begrip Betrug kan worden gebracht.

3.1.2.5. Uit de voorgaande beschouwing blijkt dat de enkele constatering dat een feit een fiscale kwestie betreft onvoldoende is om aan te nemen dat geen gebruik kan worden gemaakt van met Zwitserse rechtshulp verkregen belastend materiaal. De rechtbank concludeert dat in alle telastegelegde gevallen, gelet op de daarbij toegepaste constructies als subrekeningen en het gebruik van de Treuhandfiguur, waarover hierna meer, sprake is van Arglist als bedoeld in het Zwitserse recht. Er is steeds meer aan de hand dan het enkele niet betalen van de verschuldigde belasting.

De telastegelegde feiten zijn derhalve te kwalificeren ofwel als Urkundenfälschung als commuun delict, ofwel als Abgabebetrug, ofwel als beide, zodat rechtshulp in alle gevallen is toegestaan. De rechtbank acht het daarom toelaatbaar om, op de plaatsen waar zij dat hierna doet, in Zwitserland verkregen materiaal voor het bewijs te gebruiken.

3.1.3. "indirect" gebruik Zwitserse stukken

3.1.3.1. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het OM ook indirect heeft gehandeld in strijd met verklaring om het in Zwitserland in beslag genomen materiaal niet te gebruiken voor fiscale doeleinden, door met dat materiaal in Nederland nader onderzoek te verrichten en daarbij bewijsstukken voor fiscale delicten te vinden. Zo is de FIOD bijvoorbeeld naar aanleiding van Zwitsers materiaal op het idee gekomen een huiszoeking te doen bij Arthur Andersen in Eindhoven, waar bewijs is gevonden in onder meer de zaa[betrokkene 3]okkene 3], aldus de raadsman.

3.1.3.2. Dit verweer gaat niet op. Waar vaststaat dat de met rechtshulp verkregen resultaten slechts zijn aangewend voor nader onderzoek naar delicten waarvoor rechtshulp was toegelaten, kan het het OM niet worden tegengeworpen indien bij zo'n onderzoek ook fiscale delicten naar boven komen. Een uitsluiting van fiscale delicten in de gehele keten van verder onderzoek, als door de raadsman kennelijk bepleit, vindt geen steun in het recht. Hetzelfde geldt voor de stelling van de raadsman, dat in Zwitserland vervaardigde stukken van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten.

3.2. Criminele organisatie (algemeen)

3.2.1. De rechtbank zal bewezen verklaren dat verdachte deel uitmaakte van een organisatie, die onder meer belastingfraude mogelijk maakte door het hanteren van een systeem dat in de telastelegging en ook overigens in het dossier is aangeduid als een systeem van coderekeningen. Verdachte heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van coderekeningen zoals die in de bankwereld bekend zijn maar van subrekeningen. Hij heeft daartoe uiteengezet dat de onderhavige subrekeningen louter waren voorzien van een fantasienaam ter onderscheiding van de overige subrekeningen en de hoofdrekening. Een coderekening daarentegen zou een rekening zijn waarover alleen beschikt kan worden door het hanteren van een bepaalde code.

3.2.2. Het gaat in deze om niet meer dan een terminologische kwestie. Duidelijk is dat waar in de telastelegging en in het dossier de term coderekeningen wordt gebruikt, gedoeld wordt op de subrekeningen van de door aan verdachte gelieerde vennootschappen aangehouden hoofdrekeningen. Die term zal ook de rechtbank hanteren, nu het gebruik van een eenduidige terminologie de voorkeur verdient. Duidelijk is ook dat hoofdrekening en subrekeningen op naam staan van die vennootschappen en voor het beschikken daarover geen code nodig is. Dat neemt echter niet weg dat een subrekening waaraan ter nadere onderscheiding een fantasienaam is toegekend, in het normale spraakgebruik ook als coderekening kan worden aangeduid. Zeker bij een ingewijde in de financiële wereld als verdachte kan er redelijkerwijs geen misverstand bestaan op wat voor soort rekeningen wordt gedoeld. Het hanteren van de aanduiding coderekening staat dan ook niet aan een bewezenverklaring van het telastegelegde in de weg.

3.2.3. Verdachte heeft voorts betoogd dat noch het gebruikmaken van subrekeningen, noch het handelen als Treuhand strafbaar zijn te achten. Op zichzelf is dat juist. De rechtbank overwoog ook al eerder in haar vonnis van 11 april 2001 (www.rechtspraak.nl, LJN-nr. AB 1000) dat een naar Zwitsers of Liechtensteins recht erkende figuur als de Treuhand, waarin deze constructie mogelijk en rechtsgeldig is, op zichzelf naar Nederlands recht geen valse weergave van de - juridische - werkelijkheid kan opleveren. Dit oordeel geldt onverkort.

3.2.4. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt betreft echter niet het aanhouden van subrekeningen, het optreden als Treuhand of het niet voldoen aan de daarvoor geldende formaliteiten. Verdachtes strafbaar handelen ligt daarin dat hij de op zichzelf legale constructies heeft gebruikt als vehikel om vermogen en inkomen van Nederlandse belastingplichtigen buiten het zicht van de fiscus te houden of om cliënten door het vervalsen van documenten anderszins van dienst te zijn, waardoor verdachte geld van legale dan wel illegale herkomst onbezwaard naar zijn cliënten kon doen terugvloeien.

3.2.5. Verdachte ontkent het bestaan van het oogmerk van belastingontduiking of andersoortige illegale verrijking bij hemzelf of bij zijn cliënten. Cliënten zouden voordeel hebben willen behalen op het gebied van de in Zwitserland lagere beursbelasting of het lage tarief dat verdachte in rekening kon brengen voor effectentransacties. Hem zou van andere motieven nooit zijn gebleken en hij hoefde daarnaar zijns inziens ook geen navraag of onderzoek te doen.

3.2.6. De rechtbank acht hetgeen verdachte hier stelt volstrekt onaannemelijk. Een en ander wordt gelogenstraft door een veelheid aan verklaringen van cliënten en van andere deelnemers aan de criminele organisatie, waaruit zonder meer blijkt dat de vooropgezette bedoeling, ook van verdachte, het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten was via de Treuhandfiguur en het systeem van subrekeningen.

3.2.7. Voorzover met de in de telastegelegde criminele organisatie genoemde heling gedoeld wordt op gelden afkomstig van [betrok[betrokkene 4], acht de rechtbank dat onderdeel niet bewezen en zal zij verdachte daarvan vrijspreken. Hoewel er aanwijzingen in het dossier te vinden zijn op grond waarvan aannemelijk zou kunnen worden geacht dat de door [betrokkene 4] verrichte stortingen afkomstig waren van de handel in drugs, acht de rechtbank niet bewezen dat aan verdachte in deze voldoende wetenschap van die herkomst kan worden verweten.

3.3. [betrokkene 5]

Voorzover aan verdachte onder 4 is telastegelegd dat hij als medepleger subsidiair medeplichtige op of omstreeks 20 november 1995 onjuist of onvolledig een bij de belastingwet voorziene aangifte heeft gedaan, spreekt de rechtbank hem daarvan vrij. Uit de ambtsedige verklaring van mr. J.A.M. van Lanen (bijlage 36) blijkt immers dat op 20 november 1995 niet het in de telastelegging genoemde aangiftebiljet over 1992/1993, maar dat over 1993/1994 door de Belastingdienst is terugontvangen.

3.4. [betrokkene 6]

3.4.1. het onder 6 telastegelegde

De rechtbank acht het onder 6 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verdachte is over een geldbedrag komen te beschikken waarover alleen hij vervolgens zeggenschap had en heeft dat toen ter beschikking gesteld aan de in de overeenkomsten vermelde vennootschappen. Daarom kan niet gezegd worden dat de inhoud van de leningovereenkomsten in strijd met de werkelijkheid is. Van wie dat geld afkomstig was en hoe verdachte eraan gekomen is, doet daarbij niet ter zake. Dat de leningconstructie op haar beurt weer een vehikel was om - zoals de rechtbank hierna bewezen zal verklaren - van misdrijf afkomstig geld te helen en deel uitmaakte van een witwastraject, maakt voor dit onderdeel van de telastelegging ook niet uit. Hier wordt immers slechts de juistheid van de inhoud van de overeenkomsten aan de orde gesteld. Of verdachte het geld als Treuhänder of als privé-persoon weer heeft doorgeleend is evenmin relevant. Dit nog afgezien van het feit dat niet is gebleken van enige rechtsregel die voorschrijft dat in documenten moet worden vermeld of iemand al dan niet als Treuhänder handelt.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de rentenota, nu ingevolge de desbetreffende leningovereenkomst inderdaad rente aan verdachte verschuldigd was door de lenende vennootschap. Rentebetaling heeft ook plaatsgevonden aan verdachte. Wat hij vervolgens weer met dat geld heeft gedaan, valt buiten het bestek van de echtheid van de leningovereenkomst of van de rentenota.

3.4.2. het onder 10 telastegelegde

3.4.2.1. Door de officier van justitie is gesteld dat uit de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken voldoende aannemelijk is geworden dat deze bedragen afkomstig zijn uit de handel in drugs, zodat deze als van misdrijf afkomstig zijn aan te merken. De rechtbank deelt deze conclusie niet wat betreft de telastegelegde bedragen van f 2.000.000,=

en f 960.000,=. Meer in het bijzonder acht zij de verklaring van [getuige 2] over het bedrag van f 960.000,= onvoldoende inzichtelijk en betrouwbaar om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen en acht zij onvoldoende duidelijk dat er in het geval van [getuige 3] een drugsconnectie van de gelden aannemelijk is te achten of dat het geld waarover hij verklaart hetzelfde is als het telastgelegde bedrag van f 2.000.000,=.

3.4.2.2. Ten aanzien van de kasstortingen tot een bedrag van circa f 1.980.000,=, die ten goede zijn gekomen van AMA Trading B.V. en/of AMA Holding B.V. en/of Aria Selecta B.V., is dit anders. Daar blijkt afdoende uit de te bezigen bewijsmiddelen dat de gelden die in die vennootschappen werden geïnvesteerd afkomstig waren van [betrokkene 6], die antecedenten had op het gebied van drugshandel en ook overigens als drugshandelaar bekend stond. Voorts is van hem niet gebleken van een overtuigende bron van legale inkomsten, in ieder geval niet van een zodanige dat daaruit bedragen van deze hoogte verklaard kunnen worden. Tevens blijkt uit de te bezigen bewijsmiddelen dat hij niet als de geldschieter van voornoemde vennootschappen bekend wilde worden. Ten slotte neemt de rechtbank hierbij in overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in drugs grote bedragen in contanten worden gegenereerd.

Door, zoals uit de te bezigen bewijsmiddelen blijkt, niet te vragen naar de herkomst van de desbetreffende gelden en mede op basis van de verdachte bekende uitdrukkelijke vooropgezette bedoeling - die door verdachte zelfs is gerealiseerd - om de identiteit van de oorspronkelijke verstrekker van de gelden verborgen te houden, heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat hier sprake was van gelden die van misdrijf afkomstig waren. Aldus heeft hij zich ten aanzien van deze verschillende stortingen tot een bedrag van in totaal rond f 1.980.000,= schuldig gemaakt aan gewoonteheling.

3.5. Bewezenverklaring

3.5.1. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

ten aanzien van het onder 1 als eerste alternatief telastegelegde

verdachte in de periode van 1 januari 1989 tot en met 24 oktober 1997 te Amsterdam en elders in Nederland en te Chur en elders in Zwitserland heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit Leemhuis & Van Loon B.V. en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

[betrokkene 9] en Grancourt Ltd. en [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en Mississippi Finance & Security Inc. (MFS) en Mississippi Trade & Investment Corp. (MTI) en ESC Effectenbank N.V. (ESC) en Euramco Est. en anderen,

welke organisaties tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- belastingfraude (onder andere de zaken [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 5]);

- valsheid in geschrift (de zaken [betrokkene 12], [betrokkene 3] en [betrokkene 13]) en

- opzetheling (de zaak [betrokkene 6]),

welke deelneming bestond uit:

- het al dan niet in zijn functie van vermogensbeheerder/Treuhand oprichten

en overnemen en besturen van rechtspersonen voor wie (sub)rekeningen werden aangehouden (zoals Unimedico Stiftung) en

- het opzetten en voortzetten en uitbreiden van een systeem van subrekeningen via door hem, verdachte, beheerste rechtspersonen, zoals MTI en MFS en ESC en Grancourt en Euramco, en

- het ter beschikking stellen van door hem, verdachte, en door aan hem gelieerde rechtspersonen, in Nederland (bij de Kas-Associatie) en in Zwitserland (Schweizerische Kredit Anstalt) en in Liechtenstein (BIL) aangehouden bankrekeningen aan Nederlandse ingezetenen die bij hem, verdachte, financiële middelen ten beheer hadden ondergebracht en

- het (doen) opmaken van documenten (managed account agreements, tripartiete overeenkomsten, handtekeningenkaarten) en

- het (doen) verrichten van cashtransacties (cash als storting accepteren en cash uitbetalen) ten behoeve van de begunstigden op de door hem, verdachte, beheerde vermogens en

- het (doen) opmaken van effectennota's met betrekking tot nimmer (voor die cliënt) uitgevoerde effectentransacties en

- het kennis dragen van het bestaan van het door middel van een aantal rechtspersonen

aangehouden systeem van subrekeningen en van de strekking van dit systeem en

- het houden van een administratie van de door hem, verdachte, beheerde vermogens en

- het geven van aanwijzingen en inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van die misdrijven en

- het verstrekken van bedrijfskundige en financiële adviezen;

ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde

verdachte onderscheidenlijk in de periode van 26 februari 1991 tot en met 3 augustus 1993 en op 11 mei 1993 en in de periode van 25 februari 1993 tot en met 28 mei 1993 en op 28 maart 1995 en 29 augustus 1995 en 21 augustus 1996 te Utrecht, telkens tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de inkomstenbelasting / premie

volksverzekeringen en vermogensbelasting onvolledig heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader toen en daar telkens opzettelijk onvolledig opgegeven, door

middel van een telkens door of vanwege hem, verdachte, of zijn mededader ingevuld, ondertekenden bij de Inspecteur der Directe Belastingen ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over respectievelijk 1990/1991 en 1991/1992 en 1992/1993 en 1993/1994 en 1994/1995 en 1995/1996 (zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen), dat het belastbaar inkomen van C.J. [betrokkene 2] (zijnde zijn

mededader) bedroeg respectievelijk:

f 61.918,= (1990/1991) en

f 73.721,= + f 2.340,= (1991/1992) en

f 49.953,= (1992/1993) en

f -/- 57.545,= (1993/1994) en

f -/- 101.370,= (1994/1995) en

f -/- 84.132,= (1995/1996),

terwijl dat belastbaar inkomen telkens meer bedroeg dan het aangegeven

bedrag en dat het vermogen van C.J. [betrokkene 2] (zijnde zijn mededader) bedroeg respectievelijk:

f 462.313,= (1990/1991) en

f 1.403.268,= (1991/1992) en

f 1.359.966,= (1992/1993) en

f 1.331.753,= (1993/1994) en

f 1.545.952,= (1994/1995),

terwijl dat vermogen telkens meer bedroeg dan het aangegeven bedrag,

zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van het onder 3 primair telastegelegde

verdachte in de periode van 1 maart 1993 tot en met 26 juli 1993 en in de periode van 2 maart 1994 tot en met 14 april 1994 en in de periode van 1 maart 1995 tot en met 9 maart 1995 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk een bij de belastingwet

voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de inkomstenbelasting onvolledig heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader toen en aldaar telkens opzettelijk onvolledig opgegeven, door middel van een telkens door of vanwege hem, verdachte, of zijn mededader, ingevuld, ondertekend

en bij de Inspecteur der Directe Belastingen te Nijmegen ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over respectievelijk de jaren 1992/1993 en 1993/1994 en 1994/1995 (zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene Wet inzake

Rijksbelastingen), dat het belastbaar inkomen van [betrokkene 1] (zijnde zijn mededader) bedroeg respectievelijk f 225.556,= en f 207.017,= en f 205.308,=, terwijl dat belastbaar inkomen telkens meer bedroeg dan het aangegeven bedrag,

zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van het onder 4 primair telastegelegde

verdachte op 4 juli 1991 te Milsbeek tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, inzake de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en vermogensbelasting onvolledig heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders toen en daar opzettelijk onvolledig opgegeven, door middel van een aangiftebiljet op naam van F.M.J. [betrokkene 5] over 1989/1990 (zijnde een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen), dat het belastbaar inkomen van F.M.J. [betrokkene 5] bedroeg f 126.994,=, terwijl dat belastbaar inkomen in werkelijkheid meer bedroeg en dat het vermogen van die [betrokkene 5] bedroeg f 321.405,=, terwijl dat vermogen in werkelijkheid meer bedroeg dan het aangegeven bedrag,

zulks terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van het onder 5 primair telastegelegde

verdachte op tijdstippen in de periode van 23 december 1992 tot en met 30 november 1997 in Nederland en in Zwitserland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens een of meer aan- en verkoopoverzichten van aandelen ("statements of account" en/of "statement of settlements") en/of fondsenstaten voor "client [betrokkene 3]" en/of "client [betrokkene 3]"

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens op die overzichten en/of staten de koop en verkoop van aandelen vermeld, terwijl die koop en verkoop niet, althans niet voor de vermelde cliënt hadden plaatsgevonden, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 7 telastegelegde

verdachte op tijdstippen in de periode van 16 augustus 1993 tot en met 13 oktober 1993 in Zwitserland telkens tezamen en in vereniging anderen brieven van hem, verdachte, aan

E.J. [betrokkene 13], te weten bijlage D/09 en D/10 en D/11, telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens in strijd met de waarheid in die geschriften opgenomen en/of

aangegeven

- dat hij, verdachte, met die [betrokkene 13] overeengekomen was te bemiddelen bij de

verkoop van aandelen van de Houtgroep en voor deze bemiddeling onder een

voorwaarde een vergoeding van die [betrokkene 13] te zullen ontvangen en

- de wijze van berekening en het tijdstip en/ de wijze van de betaling van die vergoeding en

- dat hij, verdachte, en die [betrokkene 13] deze overeenkomst bevestigen (bijlage D/09) en

- dat de bemiddeling van hem, verdachte, heeft geleid tot de verkoop van de Houtgroep aan de Rugby-Groep en

- de wijze van de berekening van die vergoeding en

- de vaststelling van die vergoeding op f 1.965.000,= (bijlage D/10) en

- dat op grond van voornoemde overeenkomst op de dag van de overdracht van de

aandelen aan de Rugby-Groep f 1.965.000,= aan hem, verdachte, toekomt en

- de wijze van de betaling van die vergoeding (bijlage D/11) en

genoemde geschriften telkens voorzien van een of meer handtekeningen ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven en telkens die geschriften voorzien van een valse datum,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 8 als tweede alternatief telastegelegde

City Controls A.G. op tijdstippen in de periode van 1 september 1993 tot en met 30 september 1994 te Chur (Zwitserland) op een of meer plaatsen in Zwitserland telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens

- een bemiddelingsovereenkomst tussen Thuisvlijt B.V. en City Controls A.G. (bijlage D/71 en D/72 en D/73 en D/74 en D/96) en

- een schrijven van City Controls A.G. aan Moeskops Beheer Groep B.V. (bijlage D/86 en D/88) en

- twee declaraties van City Controls A.G. aan Moeskops Beheer Groep B.V. (bijlage D/87 en bijlage D/89),

telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft City Controls A.G. telkens in strijd met de waarheid in die geschriften opgenomen dan wel aangegeven

- dat Thuisvlijt B.V. en City Controls A.G. (onder voorwaarden) zijn overeengekomen dat City Controls A.G. zal bemiddelen bij de verkoop van aan Thuisvlijt B.V. in eigendom toebehorende terreinen en

- dat aan City Controls A.G. bij een tot stand komen van een verkoop van genoemde terreinen door Thuisvlijt B.V. een provisie betaald zal worden en

- de wijze van berekening van die provisie (bijlagen D/71 en D/72 en D/73 en D/74 en D/96) en

- dat City Controls A.G. en Moeskops Beheer Groep B.V. zijn overeengekomen dat

Moeskops Beheer Groep B.V. aan City Controls A.G. voor de door City Controls

A.G. verrichte bemiddeling bij de aankoop van voornoemde terreinen een provisie zal betalen en

- de wijze van berekening en het tijdstip en de wijze van de betaling van die provisie

(bijlage D/86 en D/88) en

- de vaststelling van die provisie op f 720.000,= (eerste levering) en f 880.000,- (tweede levering) en

- het tijdstip en de wijze van betaling van die provisie (bijlage D/87 en D/89) en

genoemde geschriften telkens voorzien van een of meer handtekeningen en/of paraaf ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven en die geschriften voorzien van een valse datum,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

ten aanzien van het onder 9 telastegelegde

verdachte op tijdstippen in de periode van 24 maart 1988 tot en met 31 december 1988 in Nederland en Zwitserland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens een of meer aan- en verkoopoverzichten van aandelen ("Statements of settlements") en/of de bij die aan- en verkoop behorende bevestigingen ("purchase confirmations" en "confirmations of sale") voor "cliënt J.G. [betrokkene 12] & [betrokkene 14]" - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders telkens op die overzichten en/of bevestigingen de koop en verkoop van aandelen vermeld, terwijl die koop en verkoop niet, althans niet voor de vermelde cliënt hadden plaatsgevonden, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan;

ten aanzien van het onder 10 primair telastegelegde

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 1989 tot en met 11 april 1995 te Amsterdam en/of te Nijmegen en/of te Igis en/of te Chur (Zwitserland) en/of te Vaduz (Liechtenstein) tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers hebben verdachte en zijn mededaders geldbedragen welke telkens van drugshandel afkomstig waren contant in ontvangst genomen en op

rekening van Mississippi Finance & Security Inc. (rekeningnummer [nummer] bij de KasAss te Amsterdam), althans op enige rekening, gestort en overgeboekt naar andere rekeningen, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van dat voorhanden krijgen en overdragen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof,

zulks ten aanzien van een bedrag van in totaal f 1.980.000,=, bestaande uit 12 kasstortingen, welke bedragen (uiteindelijk) zijn overgeboekt naar rekeningen van AMA Trading B.V. en/of AMA Holding B.V. en/of ARIA Selecta B.V.

3.5.2. Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft bij de bewezenverklaarde feiten, die grotendeels in georganiseerd verband door een wisselend samengestelde groep deelnemers zijn gepleegd, een cruciale rol gespeeld. Hij heeft gedurende een aantal jaren aan veel Nederlandse belastingplichtigen diensten aangeboden die essentieel waren voor het buiten het zicht houden van inkomsten en vermogen voor de fiscus, die voor een aanzienlijk bedrag is benadeeld.

Uit puur geldelijk gewin heeft verdachte zich ingelaten met een ieder die zich met zijn hulp wilde verrijken, waardoor hij ook bewust het risico heeft genomen dat hij te maken zou krijgen met cliënten die hun geld met drugshandel hadden verdiend.

Verder is verdachte er niet voor teruggedeinsd om op geraffineerde wijze zwart inkomen wit te wassen door effectenstaten en andere documenten te vervalsen.

Verdachte heeft er door zijn houding ter terechtzitting blijk van gegeven het verwerpelijke van de hem verweten feiten niet in te zien. Hij is zijn optreden blijven verdedigen en bagatelliseren en heeft daarmee getoond geen verantwoordelijkheid te nemen voor de gepleegde feiten die hij kennelijk rekende tot zijn normale bedrijfsactiviteiten.

Het vorenstaande rechtvaardigt het opleggen van een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.

Daartegenover staan als strafverminderende omstandigheden:

- dat de bewezenverklaarde feiten alle meer dan vijf jaar geleden hebben

plaatsgevonden, alsmede;

- de leeftijd van verdachte, diens niet-optimale gezondheidstoestand en het feit dat hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Op grond van dit voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van

25 maanden in beginsel gepast.

De gebreken in het voorbereidend onderzoek, zoals hiervoor onder 2.2.1 opgesomd, zijn voor

de rechtbank echter aanleiding die straf te verlagen met 10 maanden.

Daarnaast acht de rechtbank een geldboete van aanzienlijke hoogte op zijn plaats.

Uit het dossier blijkt dat verdachte met de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld grote bedragen heeft verdiend door in rekening gebrachte kosten en provisie.

Dat zijn draagkracht zo beperkt zou zijn dat betaling van de op te leggen boete nu en in de toekomst onmogelijk zou zijn of van hem niet gevergd zou kunnen worden, heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 51, 57, 140, 225 en 417 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 68 (oud) van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van de volgende passages:

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde

de woorden "onder andere" in de beschrijving van het oogmerk "valsheid in geschrift" en het oogmerk "heling";

ten aanzien van het onder 2, 3, en 4 telastegelegde

telkens de woorden "dan wel buiten Nederland".

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte terzake van:

- het onder 1 telastegelegde, voorzover het gaat om de zaken [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij het gronddelict heling, met als pleegplaats Chur en/of elders in Zwitserland;

- het onder 9 telastegelegde, voorzover het gaat om de periode van 24 november 1987 tot 24 maart 1988.

Verklaart het onder 6 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.5.1 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 als eerste alternatief telastegelegde

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van het onder 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde

medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 5 primair, 7 en 9 telastegelegde

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 8 als tweede alternatief telastegelegde

valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 10 primair telastegelegde

van het plegen van opzetheling een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 200.000,= (tweehonderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs. P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Es, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 januari 2003.