Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5360

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
56.2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 2 juli 2002 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 56.2002 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief van 26 maart 2002 heeft [ ] (hierna: Klager) een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarder [ ] (hierna: de gerechtsdeurwaarder).

Bij brief van 10 april 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder een reactie gegeven op de klacht.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 21 mei 2002, alwaar klager, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet en de gerechtsdeurwaarder wel is verschenen.

Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 2 juli 2002.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Bij exploot van 13 juli 2000 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van een opdrachtgever klager, woonachtig te [ ], gesommeerd tot betaling van een huurachterstand ad ƒ 2.524,99.

b) Op 21 september 2000 ontvangt de gerechtsdeurwaarder bericht van zijn opdrachtgever dat een briefje is aangetroffen op de voordeur van klager met de tekst: "wegens echtscheiding afwezig naar het buitenland om tot rust te komen en te verwerken". De opdrachtgever heeft de gerechtsdeurwaarder hierna opgave gedaan van het vermoedelijke verblijfadres van klager, op welk adres klager nogmaals door de gerechtsdeurwaarder is aangeschreven.Dit schrijven is retour gekomen met de aantekening dat klager op het aangegeven adres onbekend was.

c) Bij exploot van 11 oktober 2002 is klager door de gerechtsdeurwaarder op het adres [ ] gedagvaard. Op 8 november 2000 is een vonnis tegen klager gewezen, dat bij exploot van 15 november 2000 aan klager is betekend met aanzegging van de ontruiming op 14 december 2000. Deze ontruiming heeft vervolgens plaats gevonden.

d) Op aangeven van zijn opdrachtgever heeft de gerechtsdeurwaarder op 3 januari 2001 klager aangeschreven op het adres [ ], welk schrijven retour is gekomen met de mededeling dat klager daar al maanden niet meer woonde.

e) Uit verkregen informatie van achtereenvolgens de gemeente [ ] en [ ] heeft de gerechtsdeurwaarder vernomen dat klager was vertrokken naar [ ].

f) Bij exploot van 30 maart 2001 heeft de gerechtsdeurwaarder klager op het adres [ ], een onder de Sociale Verzekeringsbank te [ ] ten laste van klager gelegd beslag in persoon betekend.

g) Op 1 mei 2001, op 20 juli 2001 en op 13 maart 2002 is door de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet van klager aangepast op grond van door of namens klager aan de gerechtsdeurwaarder ter hand gestelde stukken.

2. De klacht

2.1. Klagers meest verstrekkende klacht betreft het feit dat de gerechtsdeurwaarder hem stukken heeft verzonden en betekend op een adres waar hij al was uitgeschreven. Daartoe heeft klager het volgende aangevoerd: de gerechtsdeurwaarder heeft toegang tot het bevolkingsregister. Hij had het juiste adres derhalve kunnen achterhalen. Klager heeft begin juni 2000 zijn huurwoning aan het [ ] te [ ] verlaten en de sleutels van de woning aan een kennis gegeven. Deze kennis zou zorgdragen voor de verhuizing van zijn meubels en zou daarna de sleutels van de woning inleveren bij de woningbouwvereniging. Hiervan is niets terechtgekomen aangezien zijn kennis in België is gearresteerd en ingesloten. Naar later is gebleken heeft deze kennis alle waardevolle spullen uit de woning gestolen en de sleutels in de brievenbus gedeponeerd. Klager stelt voorts dat hij zich heeft laten uitschrijven bij de gemeente en dat hij een brief naar de woningbouwvereniging heeft verzonden met de mededeling dat hij de woning had verlaten.

2.2. Daarnaast klaagt klager samengevat over het feit dat de gerechtsdeurwaarder niet bereid was de beslagvrije voet aan te passen.

3. De reactie van de gerechtsdeurwaarder

3.1. De gerechtsdeurwaarder stelt ten aanzien van de betekening van de stukken samengevat dat hij geen aanwijzingen had dat klager niet meer op het adres [ ] te [ ] woonachtig was. Klager heeft de huurovereenkomst niet opgezegd, noch de sleutels ingeleverd. Klager heeft voor het tijdstip van de ontruiming noch aan de gerechtsdeurwaarder, noch aan zijn opdrachtgever, te kennen gegeven niet meer in [ ] te wonen. Onder deze omstandigheden was er geen aanleiding tot het doen van een adresverificatie voorafgaand aan het uitbrengen van het exploot van dagvaarding, aldus de gerechtsdeurwaarder.

3.2. Ten aanzien van het aanpassen van de beslagvrije voet stelt de gerechtsdeurwaarder samengevat dat hij telkens nadat hem nieuwe gegevens ter hand zijn gesteld, zo spoedig mogelijk de beslagvrije voet heeft aangepast aan de gewijzigde situatie.

4. Ontvankelijkheid van de klacht

4.1. Op 15 juli 2001 is inwerking getreden de Gerechtsdeurwaarderswet. Met betrekking tot het bij deze wet geregelde tuchtrecht, kent de wet geen overgangsregeling. Blijkens de memorie van toelichting is de vraag of er al dan niet in een overgangsregeling zou moeten worden voorzien uitvoerig aan de orde geweest tijdens de parlementaire behandeling van deze wet. De wetgever heeft het ontbreken daarvan gemotiveerd door te wijzen op het feit dat met name de zware tuchtrechtelijke sancties die door de tuchtrechter kunnen worden opgelegd op één lijn met strafrechtelijke sancties kunnen worden gesteld. Nu volgens de Grondwet geen enkele gedraging met terugwerkende kracht strafbaar kan worden gesteld, kunnen gedragingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet niet binnen het bereik van het in deze wet geregelde tuchtrecht vallen en zal de nieuwe tuchtrechter niet kunnen oordelen over zaken van vóór de van inwerkingtreding van de wet, aldus de wetgever.

4.2. Voor wat betreft de klacht ten aanzien van de betekening van de gerechtelijke stukken blijkt uit het over en weer gestelde dat het hier betreft gedragingen van de gerechtsdeurwaarder welke zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet op 15 juli 2001. Op grond van het voorgaande kan klager in die klachten niet worden ontvangen.

4.3. Ten overvloede overweegt de Kamer dat, indien daartoe aanleiding bestaat, een gerechtsdeurwaarder bij betekening van gerechtelijke stukken de adresgegevens dient te controleren. Voor justitiabelen vormt de betekening aan het juiste adres immers een belangrijk facet van rechtsbescherming. Als afnemer in de zin van de Wet op de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) met een publieke taak heeft een gerechtsdeurwaarder, voor zover nodig voor de vervulling van een ambtshandeling, bovendien directe toegang tot de GBA.

4.4. In dit geval, klager had de huurovereenkomst niet opgezegd en de sleutels niet ingeleverd, bestond er voor de gerechtsdeurwaarder echter geen aanleiding de adresgegevens te controleren voorafgaande aan de betekening van de dagvaarding. Klager heeft ook geen bewijsstukken overgelegd op welke datum hij zich heeft uit laten beschrijven uit de gemeente [ ].

5. Beoordeling voor het overige

5.1. De klacht ten aanzien van de beslagvrije voet is ongegrond nu de klacht wordt weersproken door het feit dat de gerechtsdeurwaarder telkens nadat hem door klager of derden gewijzigde omstandigheden waren gemeld en hem de relevante gegevens in handen waren gesteld, de beslagvrije voet heeft aangepast aan de gewijzigde situatie. Dit standpunt heeft klager niet weersproken, zodat de juistheid van dit verwijt aan de gerechtsdeurwaarder niet is komen vast te staan.

5.2. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor zover deze betrekking heeft op gedragingen die zich hebben voorgedaan vóór 15 juli 2001;

- wijst de klacht voor het overige als zijnde ongegrond af.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend-voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en D. Rijswijk (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2002 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

Coll.:

w.g. F.C.H. Krieger w.g. J.S.W. Holtrop

geen hoger beroep ingesteld

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.