Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5355

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
213.2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 10 december 2002 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 213.2002 van:

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

klaagster,

tegen:

1. [ ],

2. [ ],

3. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

beklaagden.

Partijen worden hierna het Bft en de gerechtsdeurwaarders genoemd.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 31 juli 2002 heeft het Bft een klacht ingediend tegen de [ ], gerechtsdeurwaarders te [ ].

Bij brief met bijlage van 12 september 2002 hebben de gerechtsdeurwaarders een reactie gegeven op de klacht.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 5 november 2002.

Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 10 december 2002.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Ingevolge het bepaalde in de artikelen 30 lid 1 en 31 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet heeft het Bft een onderzoek ingesteld bij [ ], gerechtsdeurwaarders te [ ].

b) Bij brief van 31 juli 2002 heeft het Bft de gerechtsdeurwaarders ieder voor zich de bevindingen van het onderzoek en de daaromtrent gemaakte afspraken toegezonden.

c) Een van de bevindingen van het onderzoek betreft de bewaringspositie. In de brief van het Bft aan de gerechtsdeurwaarders staat daaromtrent onder meer het volgende vermeld: "De jaarrekening 2001 vermeldt niet de bewaringspositie per 31 december 2001. Omdat het betreffende administratieve systeem geen historisch bestand kent, was de exacte positie niet bekend, maar bij benadering bedraagt deze € 1.200.000 negatief."

d) Bij brief van 26 augustus 2002 hebben de gerechtsdeurwaarder op de brief van 31 juli 2002 van het Bft gereageerd. In deze brief staat onder meer vermeld: " Met een onzer opdrachtgevers bestond een overeenkomst, die behelsde dat op dossierniveau van die opdrachtgever, tussentijds werd afgedragen, hetgeen wij altijd hebben gedaan. Op deze wijze ontving die opdrachtgever de door ons ontvangen gelden uit dossiers waarin ontvangsten waren. Echter waren er ook dossiers waarin wel sprake was van onderhanden werk, maar niet van ontvangsten, In die gevallen telt de waarde van het onderhanden werk niet mee bij de bepaling van de (tussentijdse) afdrachten. Het gevolg hiervan was een bevoorschotting van die opdrachtgever ter hoogte van de geconstateerde negatieve bewaringspositie. Sedert januari 2002 zijn wij gestopt met tussentijds afdragen van gelden aan de betreffende opdrachtgever, (…..)".

2. De klacht

2.1 Het Bft heeft ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders een aantal bevindingen in de vorm van een klacht bij de Kamer ingediend. Ter nadere toelichting en onderbouwing van deze bevindingen verwijst het Bft naar haar van het onderzoek bij de gerechtsdeurwaarders opgemaakte rapportage d.d. 30 juli 2002. Deze bevindingen zijn -samengevat- de volgende:

a) Vanwege de aanzienlijke verliezen die gedurende de afgelopen boekjaren zijn geleden en de forse bevoorschottingen aan enkele cliëntopdrachtgevers, is de financiële positie van het gerechtsdeurwaarderskantoor ernstig verslechterd.

b) De bewaringspositie van het gerechtsdeurwaarderskantoor was gedurende de afgelopen jaren aanzienlijk negatief.

c) De continuïteit van het gerechtsdeurwaarderskantoor werd als gevolg van het vorenvermelde op onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht.

Naar de mening van het Bft is dit klachtwaardig te achten. Wel heeft het Bft kennis genomen van de diverse maatregelen die door het gerechtsdeurwaarderskantoor inmiddels genomen zijn om de financiële positie van het kantoor te verbeteren en om het bewaringstekort aan te zuiveren. Het Bft acht in dit verband echter verdergaande maatregelen noodzakelijk. Met name het onverwijld verder aanzuiveren van het bewaringstekort is hierbij van groot belang. Naar het oordeel van het Bft leveren voormelde bevindingen grond op tot het opleggen van een tuchtmaatregel.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klachten gemotiveerd bestreden. Voor zover van belang wordt dit verweer hierna besproken.

4. Beoordeling van de klacht.

4.1 Uitgangspunt bij de beoordeling van deze klacht is dat een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet verplicht is één of meer kwaliteitsrekeningen aan te houden die uitsluitend bestemd zijn voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt. Indien deze gelden abusievelijk op een andere rekening van de gerechtsdeurwaarder zijn gestort is de gerechtsdeurwaarder verplicht deze onverwijld op de juiste rekening te storten. Dit artikel strekt ertoe derden, voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich neemt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen. Teneinde de bewaringspositie te bewaken dient de gerechtsdeurwaarder ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de administratieverordening en de toelichting daarop intern een tussentijds overzicht op te stellen waaruit onder meer de bewaringspositie blijkt.

4.2 Aanleiding voor het Bft om het onderzoek in te stellen waren de verliezen door de gerechtsdeurwaarders geleden. Door de gerechtsdeurwaarders is erkend dat de afgelopen boekjaren verliesgevend zijn geweest. Ook het boekjaar 2001 is met verlies afgesloten. Een gerechtsdeurwaarder die een verlies lijdt, handelt daarmee op zich nog niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. Bovendien hebben de gerechtsdeurwaarders middels een door henzelf opgesteld reorganisatieplan er zorg voor gedragen dat de verliesgevende positie vergaand is verbeterd. Uit zowel in de klacht als de daarop ter zitting gegeven toelichting is het de Kamer gebleken dat de klacht zich met name toespitst op de bewaringspositie. De Kamer zal zich daarom bij de beoordeling van de klacht beperken tot een oordeel over de bewaringspositie, ook al omdat die behoort tot één van de belangrijke ambtsplichten van de gerechtsdeurwaarder.

4.3. Uit de overgelegde stukken en de ter terechtzitting daarop gegeven toelichting is de Kamer het volgende gebleken. Zowel in de door de gerechtsdeurwaarders op 26 augustus 2002 aan het Bft verzonden brief als in het verweerschrift staat onder meer vermeld dat de hoogte van de geconstateerde negatieve bewaringspositie het gevolg was van de bevoorschotting van een bepaalde opdrachtgever. Daarnaast hebben de gerechtsdeurwaarders ter zitting erkend het niet onwaarschijnlijk te achten dat de bewaringspositie rond januari 2002 tot een bedrag van bij benadering € 400.000,- negatief was. Bovendien blijkt uit het verweer van de gerechtsdeurwaarders dat het saldo op de kwaliteitsrekening per 1 juli, 1augustus en 1 september 2002 nog negatief was. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders dat op de overige rekeningen voldoende saldo aanwezig was om dit tekort te dekken gaat voorbij aan het feit dat de betreffende saldi door de gerechtsdeurwaarders overeenkomstig de daartoe strekkende wettelijke bepalingen onverwijld op de kwaliteitsrekening hadden moeten worden gestort. Dat er naar de gerechtsdeurwaarders stellen sprake is van de gevolgen van een ongelukkige samenloop van omstandigheden maakt het voorgaande niet anders. Een en ander komt immers voor rekening en risico van de gerechtsdeurwaarders. Hieruit volgt naar het oordeel van de Kamer dat het meer dan aannemelijk is dat de bewaringspositie van de gerechtsdeurwaarders gedurende een lange periode, althans op diverse tijdstippen, aanzienlijk negatief is geweest.

4.4 Dat de bewaringspositie, als door de gerechtsdeurwaarders aangevoerd, bij benadering is berekend maar niet vastgesteld is kunnen worden, doet hieraan niet af. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat de bewaringspositie per 15 juli 2001 niet kon worden vastgesteld. Dat daarbij van opzet geen sprake is, maakt het voorgaande niet anders nu ook zonder opzet sprake kan zijn van eventueel klachtwaardig gedrag.

4.4 Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht met betrekking tot de bewaringspositie gegrond dient te worden verklaard, nu aannemelijk is geworden dat de bewaringspositie vanaf 15 juli 2001, althans op diverse tijdstippen, aanzienlijk negatief is geweest. Beklaagden hebben door te handelen op een wijze als hiervoor aangegeven in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 3 van de Administratieverordening en daardoor de tuchtrechtelijke norm overschreden. Door het niet naleven van deze voorschriften kan het vertrouwen van het publiek dat gelden aan de gerechtsdeurwaarder heeft toevertrouwd, zijn geschonden en zijn risico's gelopen, waardoor na te melden maatregel passend voorkomt.

4.5 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht met betrekking tot de bewaringspositie gegrond;

- legt aan ieder van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op met de aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen worden gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en J. Smit, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2002 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.