Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5348

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
01.11 KvG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 12 maart 2002 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 01.11 KvG van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

verschenen bij [ ], gerechtsdeurwaarder,

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 27 juli 2001 heeft [ ] (hierna: klager) een klacht ingediend tegen [ ] (hierna: de gerechtsdeurwaarder).

Bij brief van 9 augustus 2001 heeft klager een aanvullende klacht ingediend.

Bij brief met bijlagen van 27 augustus 2001 heeft de gerechtsdeurwaarder een reactie op de klacht gegeven.

Bij brief met bijlage van 24 september 2001 heeft klager gereageerd op de reactie van de gerechtsdeurwaarder van 27 augustus 2001.

Bij brief van 4 januari 2002 heeft klager medegedeeld geen gebruik te maken van zijn recht om ter zitting van 29 januari 2002 te worden gehoord.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 29 januari 2002.

Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 12 maart 2002.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 27 april 2002 heeft de kantonrechter te [ ] een door klager tegen [ ] ingestelde vordering toegewezen tot een bedrag van in totaal ƒ 3.343,03.

b) Bij brief van 7 mei 2000 heeft klager de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven voormeld vonnis "ten gelden te maken."

c) Bij exploot van 22 november 2000 is voormeld vonnis door de gerechtsdeurwaarder aan [ ] betekend met bevel aan de inhoud van het vonnis te voldoen.

2. De klacht

2.1. Klager klaagt erover dat het voor hem niet kenbaar is welke werkzaamheden door de gerechtsdeurwaarder zijn ondernomen om zijn vordering te verhalen. Brieven waarin door hem om uitleg is verzocht, zijn niet door de gerechtsdeurwaarder beantwoord. Gelet op het voorgaande vraagt klager zich af of betekening van het vonnis wel heeft plaatsgevonden.

Hij klaagt daarnaast over het feit dat de gerechtsdeurwaarder niettegenstaande zijn herhaald verzoek in gebreke is gebleken met het retourneren van het originele vonnis van de kantonrechter.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klachten gemotiveerd bestreden. Voor zover van toepassing wordt dit verweer hierna besproken.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Het betreft hier gedragingen van (medewerkers van) de gerechtsdeurwaarder welke zich grotendeels hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet van op 15 juli 2001. Deze wet voorziet in (zware) tuchtrechtelijke sancties en is in zoverre qua werking te vergelijken met strafbepalingen. Nu geen enkele gedraging met terugwerkende kracht strafbaar kan worden gesteld, kunnen gedragingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet niet binnen het bereik van het in deze wet geregelde tuchtrecht vallen. In zoverre kan het ter terechtzitting gebleken executeren zonder grosse buiten bespreking blijven en kan klager niet in zijn klachten worden ontvangen.

4.2. Klager is wel ontvankelijk in zijn klachten voor zover deze hun grondslag vinden in feiten en gedragingen die zich ná 15 juli 2001 hebben voorgedaan. Nu klager bij brief van 24 juli 2001 de gerechtsdeurwaarder nogmaals om retournering van de grosse van het vonnis van 27 april 2000 heeft verzocht, komt de klacht over niet voldoening aan dat verzoek dan ook voor inhoudelijke beoordeling in aanmerking.

4.3. In zijn klachtbrief van 27 juli 2001 stelt klager dat hem meermalen telefonisch is toegezegd dat het vonnis aan hem zou worden geretourneerd. Niet bestreden is dat er contacten zijn geweest met medewerkers van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, in welke contacten op klagers verzoeken is gereageerd. Ter terechtzitting heeft de gerechtsdeurwaarder opgemerkt dat de grosse van het vonnis nooit in zijn bezit is geweest. Bij de opdrachtbrief van klager van 7 mei 2000, die hij in kopie heeft ontvangen, was slechts een kopie van het vonnis bijgesloten. Wellicht is de originele grosse door klager verzonden naar de collega-deurwaarder aan wie de genoemde brief van klager in eerste instantie was gericht. Ten aanzien van de in het exploot van betekening (22 november 2000) van het vonnis vermelde zinsnede dat de eerste grosse "ter executie aan mij, deurwaarder" is overhandigd, geldt dat het hier een standaardtekst betreft, die in dit geval onterecht in het betekeningsexploot is opgenomen, aldus de gerechtsdeurwaarder.

4.4. Uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht is dat de gerechtsdeurwaarder, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken, niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor mededelingen gedaan door één van de medewerkers van zijn kantoor, aangezien de aard van het tuchtrecht zich daartegen verzet.

Hieruit volgt dat de klacht van klager op het punt van de teruggave van de grosse -ook voor zover die betrekking heeft op de periode ná 15 juli 2001- ongegrond dient te worden verklaard.

4.5. Ten overvloede merkt de Kamer het volgende op.

Ter terechtzitting is gebleken dat van met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder gevoerde telefoongesprekken geen aantekening wordt gehouden. De gerechtsdeurwaarder kon deze althans ter zitting niet aan de Kamer tonen. Gelet op het aantal zaken dat op een gerechtsdeurwaarderskantoor in behandeling is, zal bij de organisatie van de kantoorpraktijk de afhandeling van het telefoonverkeer professionele aandacht moeten krijgen. Naar het oordeel van de Kamer brengt de zorg voor een goede kantoororganisatie mee dat van elk telefoongesprek zodanig aantekening wordt gehouden dat de inhoud van hetgeen er aan telefonisch contact is geweest in ieder dossier door de deurwaarder kan worden aangetoond.

Het niet voldoen aan deze verplichting zal, op den duur, mogelijk tuchtrechtelijke consequenties kunnen hebben.

4.6. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

1. verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klachten voor zover deze betrekking hebben op feiten en gedragingen die zich vóór 15 juli 2001 hebben voorgedaan.

2. Verklaart de klachten voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend voorzitter, mr. A.H. Schotman,

mr. W.A.H. Melissen en D. Rijswijk en J.P.J.J. Timmermans, (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2002 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

w.g. F.C.H. Krieger w.g. J.W.S. Holtrop

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Hoger beroep ingesteld

beslissing Gerechtshof te Amsterdam d.d. 7 november 2002 (rekestnummer 382/2002 GDW)

overwegingen Hof

klacht gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor

Ingevolge het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn slechts gerechtsdeurwaarders (waaronder waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Wel mag de Kamer, die moet onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht zich richt, het bij klachten tegen een samenwerkingsverband er voor houden dat tegen een samenwerkingsverband gerichte klachten die niet betrekking hebben op gedragingen van een specifieke gerechtsdeurwaarder zijn gericht tegen de van het samenwerkingsverband deel uitmakende gerechtsdeurwaarder die zich namens het samenwerkingsverband tegen de klacht verweert, zoals in dit geval gerechtsdeurwaarder [ ].

ontvankelijkheid (zie ro 4.1 Kamer)

Naar het oordeel van het Hof brengt het overgangsrecht met zich dat handelen van vóór 15 juli 2001 is onderworpen aan de normen van de voorzien geldende regelgeving, tenzij de norm van artikel 34 lid 1 Gdw voor de gerechtsdeurwaarder gunstiger is. De klacht moet wel zijn ingediend binnen een redelijke termijn als bedoel in artikel 6 EVRM en betrekking hebben op handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder in strijd met de ten tijde van dat handelen of nalaten geldende normen.

klacht gericht tegen medewerker kantoor (zie ro 4.3 Kamer)

Ingevolge het daartoe bepaalde in de Gerechtsdeurwaarderswet kunnen slechts klachten worden ingediend tegen gerechtsdeurwaarders (waaronder mede worden begrepen waarnemend- en kandidaat-gerechtsdeurwaarders). Klachten tegen medewerkers dienen daarbij te worden geacht te zijn gericht tegen gerechtsdeurwaarders, die voor de medewerkers verantwoordelijk zijn. Slechts indien sprake is van handelen dat niet onder de verantwoordelijkheid van een gerechtsdeurwaarder valt, is tuchtrechtelijke verantwoording terzake van dat handelen niet mogelijk.

Beslissing Kamer vernietigd met terugverwijzing naar Kamer ook voor beslissing op voor het eerst in hoger beroep gestelde punten.