Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AF1675

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
01.1257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01.1257 H

10 december 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

i n d e z a a k v a n:

HET OPENBAAR MINISTERIE

te Amsterdam

v e r z o e k e r

t e g e n:

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

procureur mr. dr. D. van der Landen

v e r w e e r d e r

De verweerder wordt aangeduid als [verweerder].

Het verzoekschrift strekt ertoe, voorzover thans nog van belang, dat de rechtbank verweerder als bestuurders van de Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam (hierna te noemen: SAK) zal ontslaan dan wel schorsen als bedoeld in artikel 2:298 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ingevolge het in deze zaak op 29 januari 2002 gegeven tussenbeschikking heeft de officier van justitie schriftelijk bewijs in het geding gebracht en heeft hij zeven getuigen doen horen, waarna [verweerder] in tegenverhoor één getuige heeft voorgebracht. Daarvan is proces verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen het resultaat van de bewijsvoering in daartoe strekkende conclusies besproken. De beschikking is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij genoemde tussenbeschikking is overwogen dat indien [verweerder] zijn positie in het SAK-bestuur zou hebben gebruikt om zichzelf of door hem aangewezen (rechts)personen op oneigenlijke gronden één of meer certificaten toe te bedelen, hij zou hebben gehandeld in strijd met de statuten en zijn ontslag als bestuurslid zou rechtvaardigen. Hij zou zich (of door hem aangewezen derden) dan immers hebben bevoordeeld boven andere certificaathouders, terwijl het de statutaire taak van het bestuur is de belangen van alle certificaathouders te behartigen.

Rechtsoverweging 4.17 van genoemde beschikking luidt als volgt.

"4.17 Hetgeen de officier van justitie tot op heden heeft aangevoerd is onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat [verweerder] of [G. van G.] hun positie in het SAK-bestuur hebben gebruikt om zichzelf of door hen aangewezen (rechts)personen één of meer certificaten toe te bedelen.

Weliswaar wordt in het onder 1.g aangehaalde proces verbaal op grond van aangetroffen documenten aangenomen dat in ieder geval [verweerder] zich met de uitgifte van certificaten heeft bezig gehouden, maar daaruit volgt nog niet dat hij ook invloed heeft gehad op de toewijzing aan bepaalde (rechts)personen. Verder wordt in het genoemde proces verbaal gesteld dat zowel [verweerder] als [G. van G.] dan wel hun familie of aan hen of familieleden gelieerde rechtspersonen certificaten hebben verworven. Ter zitting heeft [G. van G.] dit laatste echter desgevraagd uitdrukkelijk ontkend, terwijl [verweerder] ook heeft ontkend dat hij of aan hem gelieerde rechtspersonen certificaten hebben ontvangen, maar wel heeft verklaard dat zijn schoonzoon, die zelf taxi-ondernemer is, een certificaat heeft ontvangen.

De officier van justitie zal daarom worden toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen. Concreet zal hij moeten bewijzen:

- dat [G. van G.] en/of [verweerder] invloed hebben gehad op de beslissing aan wie certificaten werden toegewezen waardoor certificaten op oneigenlijke gronden zijn toegekend aan [verweerder] en/of [G. van G.] zelf of door hen aangewezen personen, rechtstreeks dan wel via een rechtspersoon,

dan wel:

- dat [G. van G.] en/of [verweerder] pogingen hebben gedaan om invloed uit te oefenen op de beslissing aan wie certificaten werden toegewezen teneinde certificaten op oneigenlijke gronden toe te kennen aan [verweerder] en/of [G. van G.] zelf of door hen aangewezen personen, rechtstreeks dan wel via een rechtspersoon.

Gezien hetgeen onder 4.18-4.22 wordt overwogen zal de officier van justitie in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de bewijslevering dan wel te verzoeken zich daarover op een later tijdstip uit te mogen laten."

De officier van justitie heeft zich bij schriftelijke conclusie voorafgaand aan het getuigenverhoor op het standpunt gesteld dat de toewijzingen aan L-tax (nummer 658) en Kenthy Tax (nummer 524) direct dan wel indirect zijn te relateren aan [verweerder] en heeft daartoe onder andere het volgende aangevoerd:

Bij brief van 26 november 1999 doet L-tax een bod van ƒ 132.500 op een certificaat. De brief is uit naam van L-tax, [R.H.E., schoonzoon van verweerder]/[verweerder] en ondertekend door [verweerder]. De ƒ 15.000 aanbetaling wordt contant gestort door L-tax [verweerder]. L-tax is niet bekend bij de Kamer van Koophandel. De garantstelling als bedoeld in de circulaire, is gebeurd door Alzette Limited, een Ierse vennootschap. Uiteindelijk gerechtigde tot Alzette Limited is [verweerder].

Ten aanzien van het bod van Kenthy tax is geen biedingsbrief aangetroffen. Uit de bankgegevens van TCA is niet van een aanbetaling gebleken. Wel heeft Kenthy Tax een betaling van ƒ 50.000,- gedaan op 29 maart 2000. Deze betaling is afkomstig van notariskantoor Faber. Uit de bescheiden die in het pand Rijksstraatweg 70 in beslag werden genomen is gebleken dat die ƒ 50.000,- afkomstig zijn van Alzette Ltd. Uit stukken van de KvK blijkt dat Kenthy Tax valt onder Kenthy Holding met als algemeen directeur/aandeelhouder R.H. [R.H.E., schoonzoon van verweerder], de schoonzoon van [verweerder]. Er is geen bankgarantie gesteld, althans van enig bewijs van een dergelijke garantie is niets gebleken. Zowel het bod van L-Tax als van Kenthy Tax werd toegewezen.

Uit stukken is het bewijs aangetroffen dat de feitelijk eigenaar van Hyman Ltd. [verweerder] is. Gebleken is dat [verweerder] via zijn privé rekening in België en zijn bankrekening van Hyman Ltd. de bankrekening van Alzette Ltd voorziet van grote geldbedragen.

Voorts heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de toewijzingen aan [R.H.E., schoonzoon van verweerder] in strijd zijn met de bepalingen van de circulaires: de certificaten zijn toegewezen zonder (deugdelijke) bankgarantie aan ondernemingen die toen niet bestonden en thans ook nog niet bestaan, zodat de toets van de kwaliteit van de taxionderneming op geen andere wijze kan zijn geschied dan te kijken naar de achterliggende natuurlijke personen, [verweerder] en/of [R.H.E., schoonzoon van verweerder]. Tevens is de toewijzing in stand gebleven ondanks het niet voldoen aan betaling van de biedprijs binnen 14 dagen na toewijzing.

Aldus acht het Openbaar Ministerie bewezen dat de toewijzing op oneigenlijke gronden heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat uit de circulaires inzake de emissie kan blijken dat het bestuur van het SAK de emissie doet en beslist over wel of niet toewijzen. [verweerder] is op de bestuursvergadering van 19 juli 2000 uitgebreid ingegaan op de gang van zaken met betrekking tot de uitgifte van de tien nieuwe certificaten. Tevens heeft hij een rol gespeeld bij de uitvoering van de emissie, zoals terugbetaling van de aanbetaling van ƒ 15.000,-- , het medeondertekenen namens TCA van de overeenkomst inzake uitgifte namens TCA en de verdere afwikkeling van de transactie.

Vervolgens wijst de officier van justitie op de verklaring van bestuurslid [W.F.V.]: "De inschrijvers moesten dat bij het bestuur van de TCA indienen. Dat moest middels een gesloten enveloppe. Waar ik kwaad over was, was dat de enveloppen al open waren, bekeken en er was al beslist dat een aantal al in aanmerking kwamen voor een certificaat"

De over het onder 1 bedoelde onderwerp van bewijslevering gehoorde getuigen hebben, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

[J.den H.], taxiondernemer.

Ik ben zes jaar bestuurslid geweest van de Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam. Mijn bestuurslidmaatschap heeft geduurd tot ongeveer halverwege 2001. In het bestuur is gesproken over het opstarten van een emissie om de kapitaalpositie van TCA BV

te verbeteren. Uiteindelijk is besloten niet meer dan tien certificaten uit te geven. Daarmee zou een kapitaalinbreng moeten worden gerealiseerd van 1,2 miljoen gulden. [verweerder] werd door het bestuur belast met het organiseren van de emissie. In het bestuur is niet besproken wie zou beslissen over de vraag aan wie certificaten zouden worden toegewezen. Wel heeft het bestuur vastgesteld dat er een inleggeld van fl 15.000,- moest worden gestort en dat de ondergrens fl 125.000,- zou zijn. Lagere biedingen zouden niet in aanmerking komen. De toewijzing gebeurde niet door het bestuur. U vraagt mij door wie de toewijzing dan wel gebeurde. Kennelijk door [verweerder]. In het bestuur is daar niet over gesproken. Ook is naast het inleggeld en de ondergrens die ik noemde niet gesproken over de criteria voor toewijzing. Ik neem aan dat hier wel als algemeen criterium gold dat de kandidaat geen schulden aan de TCA mocht hebben.

Na de toedeling is in het bestuur wel besproken dat er in eerste instantie slechts acht biedingen waren, zodat een tweede ronde nodig was om de laatste twee verkocht te krijgen. Daar is het bestuur mee akkoord gegaan. Het bestuur wist echter niet welke personen of bedrijven een bod hadden uitgebracht.

In het bestuur is er over gesproken dat bestuursleden ook mochten meedoen met de emissie. Daarvoor golden geen verdere voorwaarden.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

U vraagt mij of andere bestuursleden er van op de hoogte waren dat [verweerder] de emissie zou regelen. Ja, want dat is in het bestuur besproken. Het was gebruikelijk dat taken van de directie werden toebedeeld aan bestuursleden die daar dan een vergoeding voor kregen. Dat werd dan in het bestuur geaccordeerd. Voordat [verweerder] met zijn werkzaamheden voor de emissie begon, is hierover in het bestuur gesproken. Of dit ook in de notulen staat, weet ik niet.

Ik heb de circulaire die voor de emissie is verspreid onder ogen gehad. U zegt mij dat daarin staat dat naast de hoogte van het bod ook zou worden gelet op de kwaliteit van de taxionderneming die een bod deed. U vraagt mij of de laatste voorwaarde ook in het bestuur is besproken. Ik herinner mij dat niet specifiek en ik weet ook niet of daarover iets in de notulen staat. Er was een commissie van selectie en toewijzing. Die zou zich buigen over de toelaatbaarheid van degene die een bod zou uitbrengen. Of die commissie ook de toewijzing zou doen, weet ik niet. De commissie van selectie en toewijzing bestond al een aantal jaren. In deze commissie zaten de heren [verweerder], [H.J.G.] en [E.B.]. U vraagt mij of het juist is dat deze commissie betrokken was bij het verloten van tijdelijke contracten. Ja, dat klopt. Dat waren de BTA contracten. Of er over gesproken is dat deze commissie betrokken zou zijn bij de emissie van de tien nieuwe certificaten weet ik niet. Het zou wel voor de hand liggen dat deze commissie daarbij betrokken zou zijn.

Of [verweerder] zelf aan de emissie deelnam, wist ik toen niet. Bij de behandeling van deze zaak ter terechtzitting in een eerder stadium heb ik begrepen dat zijn schoonzoon aan de emissie heeft deelgenomen. In het bestuur is alleen gezegd dat er geen reden was bestuursleden van de emissie uit te sluiten.

U zegt mij dat uit de notulen van de bestuursvergadering van 7 december 1999 blijkt dat [H.J.G.] met de interne bestuursleden zou overleggen over de bodemprijs. Die interne bestuursleden waren toen: [verweerder], [G. van G.], [J.] en ik. [H.J.G.] heeft ook inderdaad bij mij geïnformeerd. Ik vond fl 125.000,- een juist bedrag.

U zegt mij dat in dezelfde notulen door de heer [W.F.V.] is gewezen op het gevaar van belangenverstrengeling. Ik kan mij niet herinneren dat wij het daar verder over gehad hebben.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

U vraagt mij naar de rol van [H.J.G.] bij de emissie. Deze emissie zou door [verweerder] geregisseerd worden. U vraagt mij of daaruit afgeleid kan worden dat de rol van [H.J.G.] nul was. Dat zou je kunnen zeggen voor wat betreft zijn verantwoordelijkheid. Uit wat ik al verteld heb over de gang van zaken met betrekking tot mijn eigen inschrijving blijkt dat hij er feitelijk wel bij betrokken was.

U vraagt mij waar precies besloten is dat [verweerder] de emissie zou regelen.

Ik weet dat niet meer uit mij hoofd. Ik zou dat in de notulen moeten nalezen. De directeur deelde soms ook taken aan de bestuursleden toe. Dat gebeurde ook wel eens buiten vergaderingen om. Of er een expliciet besluit in het bestuur is genomen dat [verweerder] de emissie zou regelen durf ik niet met zekerheid te zeggen. In ieder geval is hier in het bestuur over gesproken en had dit de instemming van het bestuur.

[R.H.E.], schoonzoon van [verweerder].

Ik ben directeur van Kenthy Holding BV. Kenthy Holding heeft belangen in Stertax Bizzy I BV. Van mijn bedrijven houdt alleen Stertax Bizzy I BV zich met taxi's bezig.

Er is ook nog het bedrijf Stertax Bizzy. Dit is een bedrijf van mijn collega [F.S.].

U vraagt mij wat ik te maken heb gehad met de uitgifte van certificaten van TCA eind 1999. In het begin niets, want ons bedrijf was nog niet opgericht. Mijn vrouw en ik besloten op de emissie in te schrijven en hebben toen als naam bedacht El Tax. Mijn vrouw heet namelijk Ellen. We hebben twee biedingen gedaan. Na de toewijzing heeft de notaris ons verzocht een andere naam te kiezen, omdat de naam El Tax al veelvuldig voorkwam. We hebben toen de naam Kenthy Tax gekozen. Later hebben wij het handiger gevonden de naam Stertax Bizzy te gaan gebruiken. We hebben toen de naam van de BV gewijzigd. Dit was in 2001. U vraagt mij of ik het met [verweerder] over de emissie heb gehad. Dat denk ik wel. Hij woont bij mij in. U vraagt mij of hij mij geadviseerd heeft. Nee, dat niet. Het enige is dat hij mij heeft geholpen met de biedingsbrief. De eerste biedingsbrief is ook door hem ondertekend. Dit is gedaan onder de naam L Tax / [R.H.E., schoonzoon van verweerder] / [verweerder]. Later is een bieding gedaan die door mij is ondertekend onder de naam El Tax. Het lijkt verwarrend, maar voor ons was het één pot nat. Het ging om inschrijvingen voor verschillende certificaten. Ik heb niet op meer certificaten ingeschreven dan twee.

Ik heb van [verweerder] geen informatie gekregen over de gang van zaken bij de uitgifte van certificaten. Ik wist niet wie besliste over de toekenning van certificaten. Ik heb twee certificaten verworven, die thans beide op naam staan van Stertax Bizzy I BV. Bij de toekenning was die BV er nog niet.

In de eerste ronde heb ik fl 132.500,- geboden. Dat bedrag was gebaseerd op de prijzen die in de markt gangbaar waren en die lagen tussen fl 100.000,- en fl 150.000,-. In de tweede ronde heb ik fl 125.000,- geboden. Wij wisten toen dat er in de eerste ronde certificaten voor dat bedrag waren uitgegeven, zowel aan [F.S.] als aan [J2].

U vraagt mij of ik de genoemde bedragen ook betaald heb. Ik ben wel voor die bedragen verplichtingen aangegaan. Ik denk dat ik inmiddels zo'n 65 % betaald heb. Bij de bieding moest per certificaat fl 15.000,- worden betaald. Na de toewijzing moest 50 % worden betaald. Ik weet niet meer wanneer dat was. Voor het resterende bedrag heb ik een financiering van TCA gekregen met een looptijd van 24 maanden. Ik heb nu gedurende zo'n tien of elf maanden afbetalingen verricht.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

Ik ben enig aandeelhouder van Kenthy Holding BV.

De eerste bieding (productie 6 bij nadere conclusie) is geschreven door [verweerder]. Ik weet niet meer waarom. Waarschijnlijk was ik niet in de gelegenheid dit zelf te doen, bijvoorbeeld omdat ik in het buitenland was en was er een deadline.

Het kan zijn dat ik de circulaire destijds gezien heb en dat geldt ook voor de tweede circulaire. Ze zijn niet aan mij toegestuurd omdat ik toen nog geen belang had in een taxionderneming.

U vraagt mij of mij bekend was dat iedere bieder slechts op één certificaat kon bieden. Ja, dat klopt en dat hebben we ook gedaan en in de tweede ronde hebben we nog een keer meegedaan. Ook toen hebben we op één certificaat geboden. De biedingsbrief in de tweede ronde (productie 16 bij nadere conclusie) is van mij en door mij ondertekend.

[verweerder] heeft de fl 15.000,- voor de eerste bieding contant gestort. Kenthy Tax heeft voor de eerste bieding fl 50.000,- gefinancierd. Dit is per bank betaald. Stertax Beheer heeft fl 15.000,- gefinancierd voor de tweede bieding. Dit is per bank betaald. Stertax heeft vervolgens nog fl 50.000,- met betrekking tot de tweede bieding gefinancierd. Ook dit bedrag is per bank betaald. De fl 15.000,- die door [verweerder] is betaald is omgezet in een lening.

U vraagt mij of ik wist dat een van de voorwaarden voor inschrijving was een garantie van een bank of een andere financiële instelling. Ik wist dat niet. U vraagt mij of dit bij mijn bieding is gebeurd. Ja. Alzette heeft voor de eerste bieding garant gestaan. Bij de tweede bieding was het niet opportuun omdat 50 % direct betaald werd. Ik was via [verweerder] in contact gekomen met Alzette. Ik heb twee of drie keer contact gehad met de heer [O'B.]. Ik had geen informatie over Alzette van [verweerder] gekregen. Alzette was bekend met de taxiwereld in Amsterdam en wilde daar wel in investeren. Of geld van [verweerder] via Alzette werd geïnvesteerd weet ik niet. Ik heb dat nooit aan [verweerder] of [O'B.] gevraagd.

U vraagt mij of [verweerder] actief bij Alzette betrokken was. Voor zover ik weet niet. U doelt kennelijk op het briefje van de notaris waaruit bleek dat [verweerder] had gevraagd iets in de akte te wijzigen. Daaruit bleek een actievere rol van [verweerder] dan mij bekend was.

Het eerste contact met [O'B.] vond plaats in Luxemburg. Daar zijn ik en [F.S.] toen geweest. Ik weet niet meer wanneer dat is geweest. [O'B.] is ook een keer in Amsterdam geweest. Daar was [F.S.] ook bij.

Mijn vrouw was niet betrokken bij de inschrijving op de certificaten. Ze gaf alleen

"moral support"

U wijst mij erop dat op de eerste biedingsbrief de aanduiding [verweerder] / [R.H.E., schoonzoon van verweerder] voorkomt. U vraagt mij wie daar met [verweerder] wordt bedoeld, mijn vrouw of mijn schoonvader. Mijn vrouw denk ik.

In Stertax Bizzy I BV doe ik alles wat er te doen is, van het toilet schoonmaken tot beslissingen op directieniveau. U vraagt mij of het bedrijf taxi's exploiteert. Er zijn geen mensen in loondienst. De mensen die op de taxi's rijden hebben het gebruiksrecht op een samenwerkingsovereenkomst met TCA en betalen daarvoor een vergoeding.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

De eerste biedingsbrief is geschreven door [verweerder], omdat ik niet in de gelegenheid was die zelf te schrijven. Ik heb hem dat waarschijnlijk verzocht. Ik heb niet speciaal gevraagd, naast de aanduiding L Tax, de namen [R.H.E., schoonzoon van verweerder] en [verweerder] te vermelden. Hij ging er waarschijnlijk vanuit dat het een gezamenlijke actie was van mij en mijn vrouw. De officier van justitie vraagt mij of dit een juiste aanname was. Aanvankelijk wel. Later hebben wij besloten het in een BV te doen.

[J.B.], taxiondernemer.

Vanaf de oprichting van het SAK tot eind 1999 ben ik bestuurslid van het SAK geweest. Ik was een zogenaamd extern bestuurslid. Ik ben een tijd voorzitter en vice-voorzitter geweest. Toch was ik van veel zaken niet op de hoogte. Er werd veel in achterkamertjes geregeld.

Ik kan mij herinneren dat in het bestuur besproken is dat er tien nieuwe certificaten zouden worden uitgegeven. Ik vond dat certificaathouders zouden moeten beslissen over een

uitbreiding, maar het bestuur vond in meerderheid dat zij daar zelf over kon beslissen. Iedereen zou op de certificaten kunnen inschrijven. Er was een commissie die daar naar zou kijken, waarin zaten de heren [verweerder], [H.J.G.] en [E.B.]. Dit was een soort ballotage. De commissie zou beslissen over de toedeling van de certificaten. Dit is in het bestuur zo besproken. Of het ook in de notulen staat weet ik niet want ik heb de laatste notulen niet ontvangen. U vraagt wat de rol was van [verweerder]. Hij zat in de commissie die de biedingen moest beoordelen. Men zou kijken naar de kredietwaardigheid en bijvoorbeeld ook of er klachten waren geweest. Gedrieën zouden zij over de toewijzing beslissen. Geïnteresseerden moesten fl 15.000,- storten. Uit de groep die dat gedaan had, zou worden geselecteerd.

Er is een circulaire uitgegaan naar alle vergunninghouders. Ik heb die zelf niet ontvangen, maar ik neem aan dat [H.J.G.] hiervoor heeft gezorgd, want er werd op de emissie ingeschreven.

In het bestuur is gesproken over de vaststelling van een bodembedrag. Er werd voorgesteld het gemiddelde te nemen van de tien laatst verkochte vergunningen. [H.J.G.] wilde echter zelf het bedrag vaststellen. Later hoorde ik dat hij dat bedrag had vastgesteld op fl 125.000,-. Hij zei mij dat hij dat had besproken met twee ondernemers. Ik vroeg toen wie dat waren en zijn antwoord was dat dat [verweerder] en [G. van G.] waren. Het bedrag van fl 125.000,- bevreemdde mij, want de bedragen die toen werden betaald lagen veel hoger, namelijk tussen de fl 180.000,- en fl 200.000,-. Als dit bodembedrag bekend zou zijn geweest zouden er veel meer mensen voor een certificaat in aanmerking hebben willen komen. De inschrijvers wisten echter niet dat dit bodembedrag van toepassing was.

Ik heb niets gehoord over hoe de toewijzing in zijn werk is gegaan. Pas achteraf heb ik gehoord wie certificaten hadden gekregen. Dat hoorde ik op straat. Ik was verrast door bepaalde namen. U vraagt mij welke namen. Die van [F.S.] en van [verweerder] zelf. [F.S.] was eigenlijk uit het taxibedrijf gestapt. Hij deed zaken met de schoonzoon van [verweerder]. [verweerder] had ook ingeschreven. Mijn eerste gedachte daarbij was dat dit belangenverstrengeling is. Ik heb ook gehoord dat zijn schoonzoon heeft ingeschreven. Dat vind ik ook heel bedenkelijk. Een algemene regel bij een loterij is dat medewerkers niet mee mogen doen.

Ik vond dat het bodembedrag algemeen bekend had moeten worden gemaakt. Dat is niet in het bestuur besproken. Ik hoorde pas later dat het bodembedrag was vastgesteld. Het inleggeld van fl 15.000,- was ook een hoge drempel. Ik zou administratiekosten van bijvoorbeeld fl 100,- normaal hebben gevonden. U vraagt mij hoe de procedure voor de inschrijving is vastgesteld. Dit soort technische zaken werden in de regel geregeld in samenspraak met de heer [E.B.].

U zegt mij dat de heer [J. den H.] als getuige gisteren het volgende heeft verklaard:

"In het bestuur is erover gesproken dat bestuursleden ook mochten meedoen met de emissie. Daarvoor golden geen verdere voorwaarden".

Ik heb dat zo niet gehoord. Het kan een zijdelingse opmerking geweest zijn, maar ik vind zelf dat een bestuurslid voor de netheid niet aan de emissie mee had moeten doen. Ik heb dat ook nog gezegd tegen het bestuurslid dat naast mij zat. Ik denk niet dat alle bestuursleden dat hebben gehoord. Of er iets over in de notulen heeft gestaan, weet ik niet.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

U vraagt mij wie in de "achterkamertjes" de feitelijke beslissingen namen. Dat waren [G. van G.], [verweerder] en [H.J.G.]. Zij hadden de grootste inbreng. [J. den H.] had een kleinere inbreng.

Voorafgaand aan een bestuursvergadering hielden [G. van G.], [verweerder] en [H.J.G.] een voorvergadering. Ook werden lotingen op een vrijdagavond in het kantoor gehouden. Dit alles beviel mij niet.

U vraagt mij of ik stukken met betrekking tot de emissie heb ontvangen. Ik kan mij dat niet herinneren. [E.B.] regelde dit soort zaken. Het werd dan voorgekauwd in de vergadering gebracht. Soms kwam [E.B.] een mondelinge toelichting geven. Het zal technisch wel 100 % in orde zijn geweest, maar ethisch niet.

Ik heb de circulaire met betrekking tot de emissie zelf nooit ontvangen. In het bestuur is niet besproken welke voorwaarden er in de circulaire zouden staan. Er is alleen afgesproken dat [H.J.G.] de circulaire naar alle ondernemers zou verzorgen, dat er een ballotagecommissie zou zijn en een inschrijfgeld van fl 15.000,-. Bij mijn weten is in het bestuur niet afgesproken dat als voorwaarde zou gelden dat de inschrijvers moesten beschikken over een garantie van een bank of financiele instelling.

Ik heb nooit een lijst gekregen van de certificaten die waren toegewezen. Ik heb dat gevraagd aan [H.J.G.], maar hij wilde die lijst niet geven. Hij zei dat die geheim was.

Het klopt dat er in eerste instantie slechts acht van de tien certificaten waren toegewezen. De termijn voor inschrijving is toen verlengd en dit is in het bestuur besproken.

Enige tijd voor de emissie was de prijs van een certificaat fl 250.000,- à fl 300.000,-. Je zag die prijzen wel kelderen. Rond het moment van de emissie was de prijs fl 180.000,-

à fl 200.000,-. Dit heb ik gehoord van [M.]. Die bemiddelt bij de verkoop. Het klopt dat het in die tijd steeds moeilijker werd financiering te krijgen voor een taxinummer.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

In het bestuur is afgesproken dat de commissie Toewijzing en Selectie de certificaten zou toewijzen. Dit was een vaste commissie. Ik wil daarbij opmerken dat een voortvloeisel van de zaak [v.d.V.] was, dat er geloot moest worden. Men kan echter als er bijvoorbeeld 100 inschrijvingen zijn en tien certificaten, door het toevoegen van selectiecriteria er voor zorgen dat er maar tien inschrijvers overblijven.

Ik heb het bodembedrag van [H.J.G.] gehoord op de dag dat de inschrijving zou sluiten, zij het dat die termijn later is verlengd. Daarvoor had [H.J.G.] dus al overleg gehad met [verweerder] en [G. van G.] over het bodembedrag, dus zij waren daar toen al van op de hoogte. Ik hoorde dat bodembedrag toen pas.

U vraagt mij wanneer en van wie ik heb gehoord dat [verweerder] op de emissie had ingeschreven. Ik heb dat op straat gehoord, zeven dagen nadat de inschrijving was gesloten. Officieel wist ik van niets.

Op vragen van mr. Hulkenburg antwoord ik als volgt:

U vraagt mij of de emissie algemeen bekend was in de taxiwereld. Voordat de circulaire werd uitgebracht niet, maar daarna wel.

U zegt mij dat in de eerst inschrijvingsronde geen inschrijvingen zijn binnengekomen voor bedragen in de orde van grootte van fl 180.000,-. Als dat zo is, kan ik dat als volgt verklaren. Als iemand van een ander een nummer kan kopen voor fl 180.000,- zal hij zich geen problemen op de hals halen door voor dat bedrag op de emissie in te schrijven, want dan moet hij fl 15.000,- inleggeld betalen.

[M.K.J.], financieel medewerker.

Sinds juni 1998 ben ik in dienst van TCA BV.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

U vraagt mij wat de werkzaamheden van [verweerder] waren met betrekking tot de emissie. Hij leidde de procedure. Ik had niets met hem te maken. Wat mij betreft liep alles via [H.J.G.]. [verweerder] heeft mij geen opdrachten gegeven met betrekking tot de emissie en daarover ook niet met mij gesproken. Ik kreeg alleen opdrachten van [H.J.G.]. Hij is mijn chef. U vraagt mij wat het betekende dat [verweerder] de procedure leidde. Als er mensen betaald hadden in verband met de emissie kwamen ze soms naar mij toe voor de verdere afwikkeling. Ik zei dan dat ik daar niet over ging en dat ze bij [verweerder] moesten zijn. Hij had gesprekken met die mensen. Welke verantwoordelijkheden [verweerder] had met betrekking tot de emissie, weet ik niet. Hij heeft zelf geen certificaat gekocht. U vraagt mij of zijn schoonzoon certificaten heeft gekocht. De rechter-commissaris zegt dat zijn schoonzoon [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heet. Ja, [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heeft volgens mij twee certificaten gekocht. [verweerder] heeft wel één keer een bedrag betaald van fl 15.000,-. Dat bedrag is per bank betaald. Verder heeft hij geen bedragen met betrekking tot de emissie betaald.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

U vraagt mij nogmaals wat het inhield dat [verweerder] de procedure leidde. De verkoop ging via [verweerder]. Hij had gesprekken met de mensen die een bieding hadden gedaan. De betalingen kwamen bij TCA binnen. Ik weet niets over biedingsbrieven. De betaling van [verweerder] was niet bestemd voor een bieding van hemzelf. Er is later een correctie toegepast. Als ik mij niet vergis was die betaling bedoeld voor de bieding van [R.H.E., schoonzoon van verweerder].

[D.F.H.].

In maart of april 1999 ben ik voorzitter van het SAK-bestuur geworden en dat ben ik nog steeds.

Op 26 oktober 1999 heeft [H.J.G.] in de vergadering van het SAK-bestuur het voorstel gedaan het maatschappelijk kapitaal uit te breiden van fl 635.000,- naar fl 700.000,- en onmiddellijk tien aandelen en daaraan gekoppeld tien certificaten uit te geven. Het bestuur is daarmee akkoord gegaan en heeft de uitgifte van de certificaten gedelegeerd aan [H.J.G.]. Daarbij is gezegd dat [H.J.G.] [verweerder] als adviseur zou kunnen inschakelen. [verweerder] had namelijk vaak te maken gehad met de financiering van certificaten en had dus kennis van zaken. De beslissing over de toewijzing werd genomen door [H.J.G.]. Of hij die beslissing alleen nam of daarbij ook anderen inschakelde, was aan hem overgelaten. Gezien de beperkte uitgifte vond ik dit een goede procedure.

Ik heb de verklaring die [H.J.G.] bij de notaris heeft afgelegd over de gang van zaken bij de uitgifte van de certificaten gelezen. Voor zover ik weet klopt wat hij verklaart. Op 7 december 1999 heeft [H.J.G.] meegedeeld dat zeven biedingen waren gehonoreerd en dat dus nog niet alle certificaten waren geplaatst. Het bleek dat het voor de bieders moeilijk was de gevraagde bankgarantie te verstrekken. Het bestuur heeft erop aangedrongen dat [H.J.G.] daar een oplossing voor zou zoeken, zodat de tien certificaten in ieder geval geplaatst konden worden. Het is een langduriger proces geworden dan oorspronkelijk gedacht.

In het bestuur is geen minimumprijs voor de certificaten vastgesteld. [H.J.G.] mocht de bodemprijs vaststellen. Er is wel gesproken over de prijs die gerealiseerd zou kunnen worden. Prijzen van voorheen, zoals drie of twee ton, leken te hoog. De prijzen stonden onder druk, maar het bestuur dacht dat er toch wel een behoorlijke vraag naar certificaten zou zijn.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

[H.J.G.] mocht een bodemprijs vaststellen. De hoogste inschrijvers zouden worden gehonoreerd. Hij heeft de bodemprijs met de interne bestuursleden besproken. Op 7 december 1999 is in het bestuur besloten dat er een tweede ronde zou komen voor de inschrijving op de certificaten en dat de directeur daarvoor opnieuw een bodemprijs zou vaststellen. Op 26 oktober 1999 was niet concreet besproken dat er een bodemprijs zou gelden en dat inschrijvingen onder die bodemprijs niet gehonoreerd zouden worden. Er is slechts afgesproken dat [H.J.G.] de prijs vast zou stellen. Op 7 december 1999 bleek dat er dertien inschrijvingen waren die aan de kwalitatieve eisen voldeden en dat er daarvan zeven gehonoreerd waren en zes niet omdat ze te laag waren.

U zegt mij dat [E.] blijkens de notulen in de bestuursvergadering van 7 december 1999 het volgende heeft gezegd: "Dhr. [E.] wil weten of het bestuur nu het gestelde bodembedrag van f 125.000 moet sanctioneren. Hij zou dan graag willen weten hoe dat bedrag is vastgesteld en betreurt het dat het bestuur over dat bedrag en de spelregels niets heeft vastgelegd bij de vorige vergadering." Ik kan mij dit herinneren. De discussie ging over de vraag hoe je de waarde van een certificaat zou kunnen bepalen. In theorie zou die waarde gelijk zijn aan de contante waarde van toekomstige opbrengsten tegen een redelijk rendement. Praktisch gezien was dat echter niet te berekenen, omdat verschillende taxiondernemers een verschillende kostenstructuur hebben en werd de waarde bepaald door de markt. Wat de spelregels betreft, naar mijn mening waren die al vastgelegd. Er moest worden ingeschreven, er moest een bankgarantie worden gesteld en er moest een bedrag worden gestort.

Iedereen was benieuwd wat de markt zou gaan doen. In december bleek dat de banken niet bereid waren tot financiering van de certificaten en is [H.J.G.] gevraagd te zoeken naar andere oplossingen. De zaak was aan hem gedelegeerd. U vraagt of hij met voorstellen is gekomen. Ja, maar dat heeft lang geduurd. De vergunningen kwamen traag af. Uiteindelijk heeft de financiering in een aantal gevallen plaatsgevonden door TCA, voor zover de koopprijs de nominale waarde en de waarde van het spaarfonds te boven ging.

U zegt dat uit latere notulen blijkt dat ik heb aangedrongen op verslaglegging. Het was een moeizame zaak, omdat de vergunningen traag afkwamen. Het was wel duidelijk dat TCA de ondernemers niet kon vragen het certificaat te betalen als zij dit nog niet konden exploiteren. De directeur heeft wel informatie gegeven over de stand van zaken. U zegt dat [verweerder] op 19 juli 2000 verslag heeft gedaan. Dat klopt. [H.J.G.] had [verweerder] ingeschakeld voor een stukje van de uitvoering. Dit was in het bestuur al in het begin gesuggereerd.

In het bestuur is niet gesproken over een plafondprijs.

U zegt dat in de notulen van 3 februari 2000 staat dat ik mij heb afgevraagd of de inschrijving niet bij SAK moest binnenkomen. Ik weet niet of dat wel juist is genotuleerd. De inschrijving was gedelegeerd, dus het was niet de bedoeling dat de inschrijvingen bij SAK zouden binnenkomen. De essentie was dat het SAK bestuur op de hoogte wilde blijven.

U zegt mij dat in de notulen van 24 februari 2000 is te lezen dat [G. van G.] heeft verklaard dat onjuist is dat de SAK de certificaten toewijst, omdat dan een onwerkbare situatie ontstaat en dat ik toen heb gezegd dat in de statuten duidelijk te lezen valt dat de BV geen bemoeienis heeft met de uitgifte van certificaten en dat deze aan de hoogste bieders worden toegekend. U vraagt mij of hier niet uit is af te leiden dat er op dat moment eigenlijk nog geen duidelijkheid was over de te volgen procedure. [E.] had voorgesteld de inschrijvingen via de notaris te leiden. Dat had echter als nadeel dat we de kwaliteit van de inschrijvers niet zouden kunnen beoordelen. De procedure zoals die bij deze tien certificaten gevolgd werd, vond ik volledig adequaat, maar de volgende keer zouden we het misschien anders doen. De discussie daarover was echter niet relevant voor de lopende emissie.

U zegt mij dat ik op 29 augustus 2000 gevraagd heb waarom de toewijzing van certificaten niet was geagendeerd. Als dat in de notulen staat, zal ik dat wel gevraagd hebben. Dit was één van de lopende zaken en ik wilde dat het bestuur daarvan op de hoogte was.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

[W.F.V.] heeft zich tegenover mij nooit kritisch uitgelaten over de gang van zaken bij de emissie.

[W.F.V.].

Ik ben bestuurslid van SAK geweest van september 1999 tot in het voorjaar 2000. Ik kan mij herinneren dat in het bestuur een voorstel is gedaan certificaten uit te geven. Er zou een advertentie worden geplaatst en de directie zou het verder regelen. U vraagt mij wat de rol was van het bestuur. Afhankelijk van de hoogte van de aanbiedingen die zouden binnenkomen, zou het bestuur beslissen of de certificaten wel of niet zouden worden uitgegeven. Er was van tevoren geen minimumbedrag of maximumbedrag bepaald voor uitgifte. U vraagt wie zou oordelen over de toedeling van de certificaten. Het zou gaan op hoogte van de inschrijving. De directie heeft het bestuur wel geïnformeerd over de hoogte van de biedingen, maar niet over de personen die geboden hadden. Of de certificaten daadwerkelijk uitgegeven zijn, weet ik niet. U vraagt mij of in het bestuur is besproken dat [verweerder] een rol zou spelen bij de emissie. Niet in directe zin. Er was een commissie die het toekennen ging organiseren. Die commissie bestond al. Ik weet niet wie daarin zaten.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

De directie zou de toewijzing begeleiden. U vraagt mij of daar andere bestuursleden bij betrokken waren. Daar is in het bestuur niet over gesproken. Andere bestuursleden hebben wel eens tegen mij gezegd dat zij het gek vonden dat [G. van G.] en [verweerder] meer dan de andere bestuursleden bij de dagelijkse gang van zaken bij TCA betrokken waren.

In het bestuur is op een bepaald moment een bedrag van fl 125.000,- genoemd als hoogste bod. De inschrijvingstermijn was toen nog niet verstreken.

Op vragen van mr. Hulkenberg antwoord ik als volgt:

U leest mij voor uit een proces-verbaal van mijn verhoor door de politie op 6 november 2000 (pagina 4): 'Ik, [E.] en [J.B.] stelden voor de emissie niet door te laten gaan, omdat wij het bedrag te laag vonden en wij van [H.J.G.] te horen hadden gekregen dat er enkele bestuursleden hadden ingeschreven. Hij noemde de namen van [G. van G.] en [verweerder]'.

U vraagt mij wat nu juist is. Heb ik al in een bestuursvergadering gehoord uit de mond van [H.J.G.] dat [G. van G.] en [verweerder] op de certificaten hadden ingeschreven of heb ik dat pas later gehoord van [J.B.]? Ik denk dat laatste en wat ik hier bij de politie verklaard heb, is dus niet juist. Er is bij die bestuursvergadering waar ik het over had, wel een algemene discussie geweest over de vraag of bestuursleden mochten inschrijven, maar er was toen niet bekend wie hadden ingeschreven.

Op een vraag hierover van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

De uitkomst van de genoemde discussie was dat iedereen en dus ook bestuursleden konden inschrijven. U zegt mij dat bij de bestuursvergadering van 7 december 1999 na de eerste biedingsronde een minimumbedrag is genoemd. U vraagt mij wie dat bedrag had bepaald. Dat had [H.J.G.] bepaald, samen met de interne bestuursleden. Ik vond dat er een kans was op belangenverstrengeling, omdat die bestuursleden een voorsprong hadden op andere inschrijvers. Zij konden immers het bodembedrag als richtprijs gebruiken. Of die belangenverstrengeling zich daadwerkelijk voordeed, wist ik niet, want toen was mij niet bekend wie ingeschreven hadden.

Op nadere vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:

U leest mij voor uit eerder genoemd proces-verbaal: 'De inschrijvers moesten dat bij het bestuur van de TCA indienen. Dat moest middels een gesloten envelop. Waar ik kwaad om was, was dat de enveloppen al open waren, bekeken, en er was al beslist dat een aantal al in aanmerking kwam voor een certificaat'. Met het bestuur van TCA bedoel ik hier [H.J.G.] als directeur en de heren [verweerder] en [G. van G.]. Ik was kwaad dat de enveloppen al open waren, omdat ik vond dat dat tijdens de bestuursvergadering had moeten gebeuren en dat het zelfs nog beter zou zijn geweest als een onafhankelijk persoon, zoals een notaris, dit zou hebben gedaan. De afspraak was dat de directie het proces zou begeleiden. Doordat de enveloppen al waren geopend, konden andere bestuursleden al vóór de bestuursvergadering weten wat de bodemprijs was en volgens mij is dat niet goed. Het was dus niet zo dat ik boos was dat de enveloppen open waren, omdat dat tegen de afspraak in was.

Op nadere vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

Ik heb in het bestuur niet gezegd dat ik boos was dat de enveloppen met biedingen al geopend waren. U vraagt mij waaruit ik afleidde dat [verweerder] en [G. van G.] al van de biedingen op de hoogte waren. Toen de biedingen in de bestuursvergadering werden besproken, kon ik dat aan hun houding merken.

[E.B.], registeraccountant.

Ik ben aanwezig geweest bij een bespreking in het bestuur van de uitgifte van tien nieuwe certificaten. In het bestuur is afgesproken dat alleen aangeslotenen zich zouden kunnen inschrijven en dat zij moesten bewijzen dat ze in staat waren het geboden bedrag te betalen. Ook zou een bepaalde ondergrens worden gehanteerd en zouden alleen personen geaccepteerd worden, waarmee TCA bereid was de zaken uit te breiden. De directie zou daarover beslissen. De ondergrens is in de bestuursvergadering niet concreet afgesproken. Wel is gesproken over de te verwachten opbrengst. Het bestuur heeft zich gerealiseerd dat het op de markt brengen van tien certificaten een zeker prijsdrukkend effect zou hebben.

U vraagt mij naar de rol van [verweerder] bij de emissie. Primair was hij als bestuurslid een van degenen die in de vergadering over de emissie een beslissing nam. In een later stadium is hij ook bij de uitvoering betrokken geraakt. Hij is ook wel op mijn kantoor geweest om over bepaalde kwesties die bij de uitvoering waren gerezen, advies te krijgen. Of al in het bestuur was besproken dat [verweerder] bij de uitvoering betrokken zou zijn, weet ik niet. U vraagt mij of hij een rol had in de toewijzing van certificaten. Het zou logisch zijn dat hij daar niet mee te maken had. Overigens was het niet ongebruikelijk dat bestuursleden de directie bijstand boden. Uit mijn contacten met [verweerder] kon ik alleen afleiden dat hij erbij betrokken was in het stadium dat de toewijzing al had plaatsgevonden.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

U vraagt mij welke elementen met betrekking tot de toewijzing in de bestuursvergadering zijn genoemd. Naast wat ik al eerder in mijn verklaring heb genoemd, zijn dat de volgende. De statuten zouden worden gewijzigd om het aantal aandelen uit te breiden. Daartoe zou het maatschappelijk kapitaal worden verhoogd tot fl 700.000,-. Er zou worden gestreefd naar een marktconforme prijs. Met betrekking tot de persoon van de nieuwe certificaathouders ging het enerzijds om hun financiele positie, anderzijds om de vraag of er over hen geen klachten waren van cliënten of van de telefonisten van de centrale. Mensen die steeds een betalingsachterstand hadden zouden niet worden geaccepteerd. Er zou een bedrag van fl 15.000,- per inschrijving moeten worden gestort - ik weet overigens niet zeker of dat bedrag ook bij de bestuursvergadering is genoemd - en zij moesten kunnen laten zien dat zij de rest zouden kunnen betalen. Bij mijn weten is dit alles zo in de vergadering aan de orde geweest. De directie zou beslissen over de toewijzing. U vraagt mij of daarover door bepaalde bestuursleden zou worden geadviseerd. Ja, het staat mij bij dat hij bij de bestuursleden- taxiondernemers zou sonderen wat een redelijke marktwaarde van de certificaten zou zijn. Of dat ook is gebeurd, weet ik niet, maar het lijkt mij wel waarschijnlijk want [H.J.G.] was zelf geen taxiondernemer. Bovendien was er intensief contact tussen de directie en bestuursleden. [G. van G.] was bijvoorbeeld vier van de vijf keer dat ik bij TCA kwam, daar ook aanwezig.

Er is in ieder geval niet besloten dat de selectiecommissie de toewijzing zou doen. Of dat is overwogen, weet ik niet. Ik zat in de selectiecommissie, dus daarom weet ik in ieder geval zeker dat de selectiecommissie bij de toewijzing van certificaten geen rol heeft gespeeld.

Oorspronkelijk was een certificaat toegewezen aan Reptax. Dit heeft nogal wat commotie veroorzaakt en [G. van G.] heeft toen besloten van de toewijzing geen gebruik te maken.

Aan [verweerder] is geen certificaat toegewezen. Wel is een certificaat toegewezen aan [R.H.E., schoonzoon van verweerder] of zijn vrouw of een van hun rechtspersonen. Van de anderen, die blijkens mijn overzicht een certificaat hebben gekregen, weet ik vrij zeker dat [verweerder] daar niet achter schuilgaat. De drie bedrijven met het woord Stertax in de naam zijn volgens mij alledrie van [F.S.]. Hij is cliënt van mij en al zijn B.V's hebben het woord Stertax in de naam. [R.H.E., schoonzoon van verweerder] is geen cliënt van mij. U zegt mij dat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heeft verklaard dat hij twee certificaten toegewezen heeft gekregen en dat die beide zijn ingebracht in Stertax Bussy B.V. Dat is mij niet bekend. [verweerder] is mijn cliënt. Ik doe al zijn fiscale aangelegenheden. Uit dien hoofde weet ik zeker dat hij tot einde 2001 geen belanghebbende was bij een certificaat.

[G. van G.], gewezen bestuurslid van SAK.

Op vragen van mr. Van der Landen antwoord ik als volgt:

U vraagt mij of een plafondprijs is afgesproken. Er waren een paar Turkse jongens die een vrij hoge prijs hadden geboden. [H.J.G.] heeft toen besloten de prijs die zij moesten betalen terug te brengen tot de daarna komende hoogste bieding. Dit was uit sociale overweging. Hij wilde het verschil tussen de hoogste en de laagste bieding niet zo extreem groot maken. Ook dacht hij dat deze jongens de nieuwe wetgeving die er voor de taxibranche aankwam nog niet zo goed kenden. [H.J.G.] vertelde mij dat hij dit besloten had en vroeg mij of ik daar gedachten over had. Ik heb gezegd dat ik het een goed idee vond. Ik kende die jongens overigens niet persoonlijk. Dit is niet in het bestuur aan de orde geweest.

Voor zover ik weet heeft [verweerder] op geen enkele manier een certificaat toegewezen gekregen.

Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik als volgt:

Of [verweerder] of een van zijn ondernemingen certificaten heeft gefinancierd, weet ik niet. [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heeft volgens mij twee certificaten toegewezen gekregen, zowel een in de eerste

ronde als een in de tweede ronde. Ik heb dat destijds van [H.J.G.] gehoord.

overige feiten die voor de beslissing van belang zijn

Een op vijf juni 2002 ten overstaan notaris mr. Eelco Simon Jan Opbroek, door [H.J.G.] afgelegde beëdigde verklaring luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Naar aanleiding van de aanhangige civiele procedure die het Amsterdams Openbaar Ministerie heeft ingesteld tegen de heer [verweerder] in een poging hem te laten ontslaan als bestuurslid van de SAK wens ik, Mr. [H.J.G.], geboren vier juni negentienhonderd negen en veertig te Amsterdam, Algemeen Directeur van TCA, de navolgende verklaring af te leggen.

1. In het najaar van negentienhonderd negen en negentig werd op mijn initiatief een aandelenemissie besproken in het SAK bestuur. Het bestuur besloot het maatschappelijk kapitaal uit te breiden tot zeven honderd duizend gulden (f 700.000,--) en per direct over te gaan tot het uitgeven van tien (10) certificaten van aandeel. (na splitsing in drieën op negen en twintig november tweeduizend dertig (30) certificaten van aandeel; totaal twee duizend een honderd (2100) certificaten van aandeel waarvan een duizend negen honderd twintig (1920) geplaatst). Dit had twee redenen: Om de gegroeide markt goed te kunnen bedienen waren extra taxi's nodig. Daarnaast kon TCA BV de vrijkomende financiële middelen goed gebruiken.

2. Het bestuur heeft mij vervolgens opdracht gegeven om de uitgifte te effectueren.

3. Ik had zoiets nooit eerder gedaan. Ik heb eerst een aankondiging van de uitgifte gestuurd naar alle taxiondernemers en chauffeurs die bij de TCA zijn aangesloten. Voorts heb ik aankondigingen achtergelaten in café's waar chauffeurs plegen te komen. In deze aankondiging stond dat iedereen zich in mocht schrijven en dat het ging om tien (10) nieuwe aandelen/certificaten. Gegadigden dienden schriftelijk een bod te doen met een storting van vijftien duizend gulden (f 15.000,--). Biedingen dienden aan mij te worden gericht in een gesloten enveloppe. De enveloppen zouden door mij worden geopend en door mij zou over de gedane biedingen verslag worden gedaan aan het bestuur.

4. Ik heb op de eerste aankondiging dertien (13) biedingen ontvangen. Alle biedingen zijn ontvangen in een gesloten enveloppe en door mij geopend. De biedingen liepen uiteen van vijftien duizend gulden (f 15.000,--) tot eenhonderd vijf en zestig duizend gulden (f 165.000,--).

5. Ik heb besloten alle biedingen vanaf een honderd vijf en twintig duizend gulden (f 125.000,--) te honoreren. Gezien de marktsituatie vond ik dit een reëel bedrag.

6. Ik heb dit op zeven december negentienhonderdnegen en negentig aan het bestuur van het SAK gemeld. Het bestuur ging hiermee akkoord. Gevolg van deze prijsstelling was dat drie aandelen/certificaten niet uitgegeven konden worden. Het bestuur ging ermee akkoord dat er een tweede ronde zou komen om ook deze aandelen/certificaten te verkopen.

7. Eigenlijk diende bij de inschrijving een bankgarantie te worden gevoegd. Geen van de inschrijvers kon hieraan echter voldoen aangezien (door de invoering van de nieuwe Wet Personenvervoer) geen enkele bank bereid bleek ten behoeve van de aankoop van een aandeel/certificaat een bankgarantie af te geven.

8. In de tweede ronde waren er slechts drie biedingen. Ik was zeer opgelucht dat alle aandelen/certificaten waren geplaatst, omdat de waarde van de aandelen/certificaten in een neerwaartse spiraal terecht waren gekomen. Aanvankelijk was de bedoeling dat niemand op meer dan één aandeel/certificaat kon inschrijven. Als ik daaraan had vastgehouden was ik met minimaal een aandeel/certificaat blijven zitten.

9. Omdat iedereen wist dat in de eerste ronde alle biedingen boven de een honderd vijf en twintig duizend gulden (f 125.000,--) waren gehonoreerd vond ik het niet verbazingwekkend dat in de tweede ronde door een van de bieders precies een honderd vijf en twintig duizend gulden (f 125.000,--) werd geboden.

In verband met de redelijkheid en billijkheid is door mij ook een maximumbedrag vastgesteld op een honderd vijftig duizend gulden (f 150.000,--). Ook in deze tweede ronde speelde de bankgarantie geen rol meer. Wel heeft iedere inschrijver vijftien duizend gulden (f 15.000, --) aanbetaald.

10. Alle beslissingen tot toewijzing van aandelen/certificaten zijn door mij genomen. Omdat alle inschrijvers aan de kwaliteitseisen voldeden, heb ik deze beslissingen uitsluitend genomen op basis van de hoogte van de inschrijving.

11. De heer [verweerder] had hierin geen stem. Ik heb hem ook niet om advies gevraagd.

12. De heer [verweerder] is na de toewijzing door mij benaderd en was uitsluitend betrokken bij de administratieve afwikkeling. Ik heb hem hiervoor gevraagd in verband met zijn specifieke capaciteiten en ervaring. De administratieve afwikkeling had onder anderen te maken met het opmaken van contracten en controle op de financiële voortgang.

13. Ik heb persoonlijk met alle inschrijvers die een aandeel/certificaat hadden verworven een intake gesprek gevoerd en daarbij de heer [verweerder] geïntroduceerd als degene die de administratieve procedure begeleidde. Ik heb in dit kader ook gesproken met de heer [R.H.E., schoonzoon van verweerder] (Kenthy-tax), die met de dochter van de heer [verweerder] is getrouwd."

In de notulen van de vergadering van het bestuur van SAK van 19 juli 2000 is onder andere het volgende vermeld:

"4. Verslag van de vergadering van 14 april 2000

Het verslag wordt conform vastgesteld.

naar aanleiding van het verslag

Dhr [D.F.H.] vraagt naar de stand van zaken rond de uitgifte van de tien nieuwe certificaten. Hij heeft nog niet vernomen wie zijn ingeschreven, in hoeverre voor de certificaten is betaald, en of de registers bijgeschreven zijn. Dat zijn toch allemaal SAK-zaken waarvan het bestuur op de hoogte dient te zijn.

Dhr [verweerder] antwoordt dat de tien certificaten zijn verkocht tegen bedragen die variëren van f 165.000 tot f 125.000 - waarbij hij erop wijst dat als bodemprijs een bedrag van f 125.000 is vastgesteld nadat alle biedingen binnen waren. De namen en bijbehorende bedragen liggen op het kantoor ter inzage voor SAK-bestuursleden. Hij vindt openheid over de nieuwe aangeslotenen geen probleem, openheid over de uiteindelijke bedragen wel, om redenen van privacy; het bedrag is een zaak tussen de BV en de ondernemer."

standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft na afloop van de getuigenverhoren nog het volgende naar voren gebracht:

Uit de verhoren blijkt volgens de officier van justitie ten eerste dat de toewijzing niet in een korte periode heeft plaatsgevonden, maar gedurende een langere periode. De betrokkenheid van [verweerder] heeft dus in ieder geval ook gelopen gedurende een periode dat er nog certificaten toegewezen werden. Tevens blijkt uit een aantal verklaringen dat [verweerder] wel degelijk verantwoordelijk was voor de toewijzing. Omdat [verweerder] zitting had in de commissie voor selectie en toewijzing voor zover het betrof nieuwe samenwerkingsovereenkomsten, was zijn betrokkenheid bij deze emissie is een zeer logische.

Uit de notulen van de SAK-bestuursvergaderingen blijkt van een nauwe betrokkenheid van [verweerder] bij de verantwoording ten aanzien van de uitvoering en de toewijzing van de certificaten.

Volgens de officier van justitie blijkt uit de eerder overlegde correspondentie en de verklaringen dat in de hele toewijzingsprocedure, het effectueren van de toewijzing, het maken van afspraken over voor welk bedrag uiteindelijk gefinancierd zou moeten worden en dergelijke, de heer [verweerder] een belangrijke rol heeft gespeeld. Het onderscheid tussen enerzijds toewijzing en anderzijds uitvoering is theoretisch gezien zeer wel mogelijk, maar in de feitelijke constellatie van het functioneren van de TCA en het SAK irreëel.

De officier van justitie acht de verklaring van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] ongeloofwaardig voor zover hij stelt dat hij heeft ingeschreven voor twee certificaten en niet [verweerder]. De betalingen zijn te koppelen aan de heer [verweerder] zoals ook de borgstelling. Maar ook als wel beide inschrijvingen voor [R.H.E., schoonzoon van verweerder] waren, zijn deze in strijd met de voorwaarden geschied. Uit de verklaringen noch uit de notulen kan afgeleid worden dat deze voorwaarde met instemming van het bestuur van het SAK zijn verlaten.

standpunt [verweerder]

[verweerder] stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie in zijn nadere conclusie de bewijsopdracht van de rechtbank ten onrechte herdefinieert. Dat [verweerder] betrokken was bij de de uitgifte van certificaten heeft hij niet ontkend, maar dit was na de afronding van de toewijzing, medio januari 2000. Evenmin heeft [verweerder] er een geheim gemaakt dat zijn schoonzoon een certificaat heeft verkregen.

[verweerder] maakt er voorts bezwaar tegen dat de officier van justitie de tijdsspanne van handelingen die onder het begrip toewijzing vallen wenst te verlengen tot 2001. Het jaar 2001 heeft kennelijk betrekking op het certificaat dat aanvankelijk zou worden afgenomen door de heer [G. van G.]. Dit certificaat is echter onderhands verkocht, wat niets te maken heeft met de emissie medio december 1999 / januari 2000, aldus [verweerder].

[verweerder] betwist dat uit de afgelegde verklaringen naar voren is gekomen dat hij verantwoordelijk was voor de toewijzing. De officier van justitie heeft niet duidelijk gemaakt uit welke getuigenverklaringen dit blijkt.

Dat [verweerder] lid was van de commissie selectie en toewijzing is niet terzake. Deze commissie had uitsluitend betrekking op zogenoemde Schipholnummers en had niets te maken met de toewijzing van certificaten TCA.

De officier van justitie heeft niet duidelijk gemaakt welke voorwaarde "niet met instemming van het bestuur van het SAK is verlaten".

[H.J.G.], [D.F.H.], [E.B.] en [G. van G.] hebben volgens [verweerder] verklaard dat [verweerder] geen invloed heeft gehad op de beslissing aan wie certificaten werden toegewezen, en dat hij op geen enkele manier een certificaat heeft verworven, noch een door hem aangewezen persoon, noch rechtstreeks, noch door middel van een rechtspersoon. Evenmin is gebleken van pogingen tot beïnvloeding van de toewijzingsbeslissing door [verweerder].

[verweerder] stelt dat [W.F.V.] bij zijn verhoor ter terechtzitting op cruciale onderdelen op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring is teruggekomen.

standpunt SAK-bestuur

Het bestuur van SAK heeft als belanghebbende het volgende naar voren gebracht. De officier van justitie heeft in zijn nadere conclusies de bewijsopdracht gedenatureerd. Het bestuur meent dat de rechtbank met 'oneigenlijke gronden' niet heeft bedoeld handelen in afwijking met procedureregel en/of zonder (telkens) uitdrukkelijke instemming van het bestuur van SAK, maar een handelen op een wijze die niet te verenigen is met een redelijke uitleg van de, gelet op hetgeen met de emissie werd beoogd, binnen de organisatie gemaakte afspraken en het terzake gevoerde bestuursbeleid, met het doel om zichzelf (of aangewezen derden) te bevoordelen boven andere certificaathouders. De officier van justitie is er volgens het bestuur niet in geslaagd te bewijzen dat dit het geval is geweest. De officier van justitie heeft niet gesteld dat enig handelen van [verweerder] in strijd was met het doel van de emissie of de belangen van de certificaathouders. Indien en voor zover er al sprake is geweest van het afwijken van de in de circulaires aangekondigde voorwaarden, hebben die afwijkingen geen ander doel gehad dan de emissie (en het daarmee beoogde doel) te realiseren.

De door [H.J.G.] vastgestelde bodemprijs van ƒ 125.000,-- is door het SAK-bestuur geaccepteerd.

De oneigenlijkheid van de toewijzing blijkt volgens de officier van justitie uit het feit dat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] twee certificaten heeft toebedeeld gekregen. Dit was echter in overeenstemming met de circulaires: in beide fasen van de emissie kon aan de gegadigde één certificaat worden toegewezen en dat is bij [R.H.E., schoonzoon van verweerder] gebeurd.

Dat [verweerder] of [R.H.E., schoonzoon van verweerder] op oneigenlijke gronden een certificaat hebben verkregen acht het SAK-bestuur niet bewezen. De verklaring die [R.H.E., schoonzoon van verweerder] geeft voor de ondertekening van zijn eerste aanvraag door [verweerder] is volgens het bestuur geloofwaardig. Dat [verweerder] een betaling heeft gedaan met betrekking tot het eerste certificaat betekent niet meer dan dat hij bereid was zijn schoonzoon financieel te steunen. Dit kon op geen enkele wijze leiden tot benadeling van anderen.

Beoordeling

Op grond van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, en mede gezien tegen de achtergrond van de schriftelijke stukken van het geding, zoals aangehaald onder 7 en 8 is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] een beslissing heeft genomen inzake de toewijzing van certificaten. Weliswaar verklaart [J.B.] dat de toewijzing geschiedde door een commissie, bestaande uit [H.J.G.], [E.B.] en [verweerder], maar zowel [H.J.G.] als [E.B.] ontkennen dat. [J. den H.] verklaart dat de toewijzing "kennelijk door [verweerder]" geschiedde, hij kan hierover dus niet uit eigen wetenschap verklaren.

Verschillende getuigen verklaren dat de toewijzing geschiedde door [H.J.G.] en dat [verweerder] taken had in de uitvoerende sfeer, nadat de toewijzing had plaatsgehad.

Vervolgens dient te worden onderzocht of [verweerder] invloed heeft gehad op de toewijzing, als bedoeld in de onder 1 weergegeven bewijsopdracht. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen het geval als [verweerder] invloed heeft gehad op de toewijzingsbeslissing zelf, maar ook als hij invloed heeft gehad op de criteria die werden gebruikt om tot toewijzing te komen. Ook als dat zo is, heeft hij immers zijn statutaire taak om op te treden in het belang van alle certificaathouders verzaakt, hetgeen kan leiden tot zijn ontslag als bestuurslid.

In navolging van de officier van justitie zal de rechtbank zich beperken tot de gang van zaken met betrekking tot de door [R.H.E., schoonzoon van verweerder], de schoonzoon van [verweerder], verworven certificaten. Daarbij kan in het midden blijven of [verweerder] al dan niet de werkelijke belanghebbende is bij deze certificaten, nu ook als dat niet zo is, [R.H.E., schoonzoon van verweerder] als schoonzoon hem zo na stond dat [verweerder] zijn invloed uit hoofde van het lidmaatschap van het SAK-bestuur niet had mogen aanwenden ten gunste van [R.H.E., schoonzoon van verweerder].

Met betrekking tot de verkrijging van de twee certificaten door [R.H.E., schoonzoon van verweerder] is uit de getuigenverklaringen en de overige inhoud van het dossier het volgende af te leiden.

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] verklaart dat [verweerder] zijn schoonvader is en bij hem in huis woont.

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] verklaart dat de circulaires niet naar hem zijn toegestuurd, omdat hij toen nog geen belang had in een taxionderneming.

· De getuige [E.B.] verklaart dat alleen aangeslotenen zich konden inschrijven.

· In zijn bij de notaris afgelegde beëdigde verklaring zegt [H.J.G.]: "Ik heb eerst een aankondiging van de uitgifte gestuurd naar alle taxiondernemers en chauffeurs die bij de TCA zijn aangesloten. Voorts heb ik aankondigingen achtergelaten in café's waar chauffeurs plegen te komen."

· [verweerder] heeft, naar [R.H.E., schoonzoon van verweerder] en ook [M.K.J.] verklaren, een bedrag van fl 15.000,- voor de eerste bieding van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] contant gestort.

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] verklaart dat [verweerder] de eerste biedingsbrief voor hem heeft geschreven.

· [D.F.H.], [W.F.V.] en [E.B.] verklaren dat [H.J.G.] de minimumprijs heeft bepaald, samen met de interne bestuursleden. [verweerder] was een van de interne bestuursleden. [J.B.] verklaart dat [H.J.G.] het bodembedrag wilde vaststellen en dat hij dat had besproken met twee ondernemers. Volgens de verklaring van [J.B.] heeft [H.J.G.] tegen [J.B.] gezegd dat die twee ondernemers [verweerder] en [G. van G.] waren.

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] verklaart dat hij in de eerste ronde fl 132.500,- heeft geboden en dat dit bedrag was gebaseerd op de prijzen die in de markt gangbaar waren en die lagen tussen fl 100.000,- en fl 150.000,-.

· De bestuursleden [J. den H.] en [J.B.] verklaren dat zij niet wisten wie hadden ingeschreven en voor welke bedragen de inschrijvers hadden ingeschreven.

· Uit de onder 8 aangehaalde notulen blijkt dat [verweerder] heeft verklaard dat de bodemprijs van f 125.000 is vastgesteld nadat alle biedingen binnen waren.

· Blijkens dezelfde notulen heeft [verweerder] verklaard dat de namen van de bieders en bijbehorende bedragen op het kantoor ter inzage lagen voor SAK-bestuursleden, doch dat zij geen inzicht konden krijgen in "de uiteindelijke bedragen" en wel "om redenen van privacy; het bedrag is een zaak tussen de BV en de ondernemer."

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] verklaart dat hij in de tweede ronde fl 125.000,- geboden heeft. "Wij wisten toen dat er in de eerste ronde certificaten voor dat bedrag waren uitgegeven, zowel aan [F.S.] als aan [J2]."

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heeft als enige in beide biedingsronden een certificaat bemachtigd, terwijl hij als enige van de bieders een buitenstaander was.

· [R.H.E., schoonzoon van verweerder] is ook in die zin een buitenstaander gebleven dat hij niet zelf het taxibedrijf is gaan uitoefenen. Hij verklaart: "U vraagt mij of het bedrijf taxi's exploiteert. Er zijn geen mensen in loondienst. De mensen die op de taxi's rijden hebben het gebruiksrecht op een samenwerkingsovereenkomst met TCA en betalen daarvoor een vergoeding."

[R.H.E., schoonzoon van verweerder] was voordat hij de onderhavige certificaten verwierf geen taxi-ondernemer, maar buitenstaander. In zijn verklaring is [R.H.E., schoonzoon van verweerder] vaag over de vraag waarom [verweerder] de eerste biedingsbrief heeft geschreven en niet hijzelf en vaag over de vraag of hij de circulaires heeft gezien. Deze omstandigheden maken het onwaarschijnlijk dat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] zelf de wijze van bieden en de inhoud van de bieding, inclusief de hoogte van het bod, heeft bepaald. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] op het idee zou zijn gekomen zich met taxi's bezig te houden als hij niet door [verweerder] was gewezen op de mogelijkheid een bod te doen op een certificaat. Hij zou als buitenstaander ook geen idee hebben gehad hoeveel hij op een certificaat zou moeten bieden. De rechtbank acht het aannemelijk dat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] terzake door [verweerder] is geadviseerd, dan wel dat [verweerder] voor hem het bedrag van de eerste bieding heeft bepaald.

Verder staat vast dat in de eerste door [verweerder] ten behoeve van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] geschreven biedingsbrief een bod van f. 132.500,-- is uitgebracht. Dit bod overtreft het mimimumbedrag slechts in geringe mate. Vast staat ook dat het minimumbedrag mede door [H.J.G.] in overleg met onder andere [verweerder] is vastgesteld. Onduidelijk is of dit bedrag reeds was vastgesteld op het moment waarop [verweerder] de eerste bieding namens [R.H.E., schoonzoon van verweerder] deed, dan wel later is vastgesteld. Dit kan evenwel in het midden blijven.

Indien [verweerder] reeds van het minimumbedrag op de hoogte was op het moment waarop hij de bieding namens [R.H.E., schoonzoon van verweerder] indiende, is aannemelijk dat [verweerder] die kennis ten voordele van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] heeft gebruikt door hetzij zelf het bedrag van het bod te bepalen, hetzij in zijn overleg met [R.H.E., schoonzoon van verweerder] te adviseren een bedrag te kiezen dat iets lag boven de hem bekende limiet van ƒ 125.000,-. Dit stond hem echter niet vrij. Hij had behoren te beseffen dat hij, nu hij kennis droeg van het vastgestelde bodembedrag, op geen enkele wijze betrokken behoorde te zijn bij een bieding op een certificaat.

[verweerder] heeft echter de eerste biedingsbrief ten behoeve van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] geschreven. Er moet daarom van uit worden gegaan dat [verweerder] invloed heeft gehad op de toewijzing, doordat [R.H.E., schoonzoon van verweerder] - anders dan de andere bieders op de certificaten - kon profiteren van de kennis die [verweerder] had van het toewijzingscriterium 'bodemprijs'. [verweerder] diende zich te realiseren dat dit in strijd was met zijn statutaire taak die immers inhield dat hij diende op te treden in het belang van alle certificaathouders. Dit is eens te meer het geval nu [R.H.E., schoonzoon van verweerder] buitenstaander was en dus in tegenstelling tot de andere inschrijvers geen certificaathouder. [verweerder] diende voorts te beseffen dat hij in de gegeven situatie ook elke schijn van belangenverstrengeling diende te vermijden.

Als het minimumbedrag in overleg met onder andere [verweerder] is vastgesteld nadat [verweerder] namens [R.H.E., schoonzoon van verweerder] een bod had uitgebracht, acht de rechtbank aannemelijk dat [verweerder] het hem bekende bod van [R.H.E., schoonzoon van verweerder] bij zijn advies heeft betrokken. Doch reeds het feit dat [verweerder] namens [R.H.E., schoonzoon van verweerder] een bod had gedaan zou hem ervan moeten hebben weerhouden om met [H.J.G.] te overleggen over de toewijzingscriteria, in dit geval het criterium 'bodemprijs'.

Zowel in het onder 25 als in het onder 26 besproken geval is sprake van belangenverstrengeling die zo ernstig is, dat [verweerder] als bestuurder niet gehandhaafd kan worden. In beide gevallen heeft [verweerder] immers de kansen van zijn schoonzoon om tegen een gunstige prijs een certificaat te verkrijgen vergroot, zodat de kansen van de overige bieders verkleind werden. Dit is in strijd met zijn statutaire plicht de belangen van alle certificaathouders te behartigen, omdat deze plicht zo moet worden begrepen dat hij de belangen van alle certificaathouders gelijkelijk diende te behartigen. De rechtbank zal [verweerder] dan ook met onmiddellijke ingang ontslaan als bestuurslid van SAK.

De rechtbank wenst op te merken dat de belangenverstrengeling die thans grond is voor het ontslag van [verweerder], zich niet tot hem heeft beperkt, doch in het SAK-bestuur breder is opgetreden. Zo blijkt uit de getuigenverhoren dat in het SAK-bestuur de vraag aan de orde is geweest of ook (interne) bestuursleden zouden kunnen inschrijven op nieuwe certificaten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vraag door een meerderheid van het bestuur ten onrechte zonder voorbehoud met ja beantwoord. Ten minste hadden zodanige afspraken gemaakt moeten worden dat de interne bestuursleden die zouden willen inschrijven of bij een inschrijving betrokken zouden zijn, verder niets met de procedure te maken zouden hebben. Het bestuur had moeten voorkomen dat belangenverstrengeling of zelfs maar de schijn daarvan kon ontstaan. Het ontslag van [verweerder] moet dus worden gezien tegen de achtergrond van het tekortschieten van het gehele SAK-bestuur op dit punt.

Dat ook bepaalde andere bestuursleden geen juist zicht hebben gehad op hun statutaire plichten, doet echter aan de statutaire plichten van [verweerder] niet af en neemt daarom ook de noodzaak van zijn ontslag niet weg.

De rechtbank zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het te geven ontslag gaat onmiddellijk in. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld, te weten explooit- en getuigenkosten.

Het voorafgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank:

- ontslaat [verweerder] met onmiddellijke ingang als bestuurslid van de stichting Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de staat begroot op € 669,72;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gegeven door mrs. R.H.C. Jongeneel, D.J. Cohen Tervaert en C.C.W. Lange, leden van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 10 december 2002, in tegenwoor-digheid van de griffier.