Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AF1639

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
09-12-2002
Zaaknummer
13/050904-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/050904-99

Datum uitspraak: 3 december 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vijfde meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te Zeist op 6 juni 1941,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2002.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting preliminair verweer gevoerd en gepleit voor het niet ontvankelijk verklaren van de officier van justitie op - kort samengevat - de volgende gronden:

- de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14, lid 3 aanhef en onder c van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVPBR) is overschreden, nu sedert 13 juni 1998, de datum van het telastegelegde feit (een vliegtuigongeval), en de dag van de terechtzitting 4 ½ jaar zijn verstreken;

- het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu het openbaar ministerie besloten heeft om uitsluitend en alleen verdachte in rechte te betrekken;

- ten aanzien van het subsidiair telastegelegde feit (een overtreding) is het recht tot strafvordering door verjaring vervallen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de termijnoverschrijding erkend, maar heeft de door de raadsman daaraan verbonden conclusie bestreden en zich daarbij beroepen op het arrest van de Hoge Raad d.d. 3 oktober 2000, nr. 00775/99. De officier van justitie heeft verklaard dat zijns inziens de termijn voor vervolging niet eerder is aangevangen dan met het rapport van de Raad voor de Transportveiligheid van 17 december 1999. Voorts heeft hij gewezen op de ingewikkeldheid van de zaak. Daarom dient compensatie voor de termijnoverschrijding, na bewezenverklaring, te worden gezocht in de strafmaat.

De officier van justitie heeft voorts de bepleite schending van het gelijkheidsbeginsel verre van zich geworpen.

Met betrekking tot het subsidiair telastegelegde feit heeft de officier van justitie zijn niet-ontvankelijkheid gevorderd in verband met de wettelijke verjaringstermijn van overtredingen.

De rechtbank overweegt het volgende:

De termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het EVRM begint te lopen op het moment, waarop vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit deze heeft opgemaakt - en in redelijkheid heeft kunnen opmaken - dat het Openbaar Ministerie (OM) het voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen.

Het oordeel uit welke handeling de verdachte dit heeft begrepen en in redelijkheid kunnen begrijpen is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, nr. 00775/99, heeft de Hoge Raad nadere aanwijzingen gegeven aan de hand waarvan bovenbedoeld moment kan worden vastgesteld en voorts aangegeven welke sanctie behoort te volgen op een vastgestelde termijnoverschrijding.

De Hoge Raad geeft in zijn arrest aan dat de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding dienen te worden aangemerkt als een handeling vanwege de Staat jegens verdachte waaruit verdachte in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het OM voornemens is een strafvervolging tegen hem in te stellen, terzake van het feit/de feiten waarvoor de inverzekeringstelling werd bevolen, danwel het feit/de feiten, omschreven in de dagvaarding.

Voorts geeft de Hoge Raad aan dat artikel 6 EVRM niet tot de opvatting dwingt dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden.

Verdachte is voor het eerst op 17 september 1998 door de politie als verdachte gehoord.

Er heeft geen inverzekeringstelling van verdachte plaatsgevonden.

De inleidende dagvaarding is aan verdachte op 7 oktober 2002 in persoon betekend.

De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of in dit concrete geval de datum van verhoor - 17 september 1998 - kan gelden als een handeling vanwege de Staat jegens verdachte, zoals bovenbedoeld.

De rechtbank vindt aanleiding om deze vraag bevestigend te beantwoorden in het navolgende:

Opbouw van het proces-verbaal.

Naar aanleiding van het vliegtuigongeluk d.d. 13 juni 1998 te Hilversum is onderzoek gedaan. Dit onderzoek is vastgelegd in het ambtsedige proces-verbaal, nummer 980613.2077.01, opgemaakt door de verbalisanten J. [S.] en R.H.W.A. [P.], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, beiden werkzaam bij de Luchtvaartpolitie, Korps Landelijke Politiediensten, en afgesloten op 14 januari 1999. Dit proces-verbaal is een doorlopend en doorgenummerd proces-verbaal (pagina 1 tot en met 74 + bijlagen). Verbalisant [S.] heeft, naar aanleiding van vragen van de zijde van het O.M., een aanvullend proces-verbaal, genummerd 2000006532-1, opgemaakt. Dit proces-verbaal is op 1 mei 2000 afgesloten.

Uit het eerder genoemde proces-verbaal en uit de daarbij gevoegde inhoudsopgave blijkt dat de eerste getuige ([getuige 1]) op 14 juni 1998 is gehoord en dat achtereenvolgens de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en tenslotte op 28 juli 1998 de getuige [getuige 9] zijn gehoord. Op 10 september 1998 is [getuige 10] als verdachte gehoord. [getuige 9], [getuige 7] en [getuige 10] waren bij het ongeval betrokken, zij waren, evenals verdachte [verdachte], vliegeniers/inzittenden van de twee bij het ongeval betrokken vliegtuigen.

Verhoor van verdachte.

W.J.B. [verdachte] is als laatste gehoord en wel op 17 september 1998. Hij is direct als verdachte gehoord en heeft bij aanvang van zijn verhoor de cautie gekregen; uit het proces-verbaal blijkt dat hem de inhoud van diverse verklaringen is voorgehouden en dat verdachte in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Tegenover de verbalisanten verklaart verdachte onder meer, naar aanleiding van zijn bestuurslidmaatschap van Aeroclub Hilversum Amsterdam, "in verband met het ongeval van 13 juni 1998 waarbij ik betrokken was, heb ik deze functie hangende het onderzoek neergelegd".

Verklaring verdachte ter terechtzitting.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij vanaf het ongeval op 13 juni 1998 verwachtte dat dit voor hem justitiële gevolgen zou kunnen hebben en dat hij in die veronderstelling bevestigd werd door het verhoor als verdachte op 17 september 1998; verdachte heeft toen van de verbalisanten begrepen dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hem liep. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van het ongeval als vlieginstructeur met betrekking tot de burgerluchtvaart drie bestuursfuncties uitoefende, onder meer bij de Aero Club Hilversum Amsterdam. Verdachte heeft, naar eigen zeggen, in afwachting van de afloop van de strafzaak deze functies indertijd eigener beweging neergelegd; de functies zijn door anderen overgenomen. Pas in de loop van 2001 is verdachte weer functies in de luchtvaart gaan vervullen. Thans is hij werkzaam als chefinstructeur op het vliegveld Lelystad.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij naar aanleiding van zijn verhoor als verdachte op 17 september 1998 de volgende initiatieven heeft genomen.

Initiatieven naar aanleiding van de verdenking.

A. Inschakelen van deskundige door verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het ongeval te hebben besproken met mevrouw M. [A.] en dat zij heeft aangeboden een rapport, inhoudende een reconstructie van het ongeval, op te stellen. Mevrouw M. [A.] is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Freudenthal Instituut, vakgroep Ontwikkeling Wiskunde Onderwijs en Informatica bij de Universiteit Utrecht. Dit rapport is gedateerd 11 november 1999 en door de raadsman aan de rechtbank verzonden. Verdachte heeft verklaard dit rapport zelf aan de Raad voor de Transportveiligheid te hebben gezonden.

B. Inschakelen advocaat door verdachte.

Naar aanleiding van het verhoor heeft verdachte zich voorzien van rechtskundige bijstand in de persoon van mr. drs. Th.C. van Schagen, advocaat te Haarlem. Ter zitting heeft de raadsman verklaard, zakelijk weergegeven, dat verdachte hem kort na diens verhoor heeft benaderd en dat hij direct een afschrift van het dossier heeft aangevraagd. Uit het feit dat hem kort daarop een schaduwdossier is verstrekt, heeft de raadsman geconcludeerd dat er inderdaad een vervolging tegen verdachte was gestart.

Nadat verdachte hem een afschrift van de dagvaarding had verstrekt - deze is op 7 oktober 2002 aan verdachte in persoon betekend -, heeft de raadsman, in de veronderstelling dat de hem enkele jaren eerder toegezonden stukken niet volledig zouden zijn, bij brief van 14 oktober 2002 aan de officier van justitie verzocht om een "volledig schaduwdossier". Dit is de raadsman verstrekt. De omvang van het dossier bleek nauwelijks toegenomen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de datum van het verhoor van verdachte door de politie, in casu 17 september 1998, dient te worden aangemerkt als een handeling vanwege de Staat jegens verdachte waaruit verdachte in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het OM voornemens is een strafvervolging tegen hem in te stellen en dat de in artikel 6 EVRM bedoelde "redelijke termijn" vanaf die datum is gaan lopen.

Dit betekent dat de vervolging van verdachte tot aan de betekening van de dagvaarding op

7 oktober 2002 meer dan vier jaar heeft geduurd.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat het onderzoek van de zijde van de bevoegde autoriteiten is afgesloten met het aanvullend proces-verbaal van 1 mei 2000 en dat na die datum niets meer is gebeurd.

De rechtbank acht deze overschrijding dermate ernstig dat zij in beginsel dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank dient er bij deze beoordeling echter tevens rekening mee te houden dat de redelijkheid van de duur van een strafzaak afhankelijk is van onder meer de volgende omstandigheden:

- de ingewikkeldheid van de zaak;

- de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het proces-verloop en

- het maatschappelijk belang dat gediend is met vervolging van verdachte tegenover het persoonlijk belang van verdachte heeft bij niet-vervolgen.

De ingewikkeldheid van de zaak.

In onderhavige zaak heeft geen gerechtelijk vooronderzoek gelopen, er zijn - vooralsnog - geen medeverdachten gedagvaard en er is geen sprake van gelijktijdige berechting van andere zaken tegen verdachte.

Zoals eerder gezegd is het naar aanleiding van het vliegongeval op 13 juni 1998 opgemaakte proces-verbaal afgesloten op 14 januari 1999.

Het eindrapport van de Raad voor de Transport Veiligheid is afgesloten op 17 december 1999.

Het verslag van deskundige [A.] is gedateerd 11 november 1999.

Naar aanleiding van een aantal vragen, gesteld bij memo d.d. 21 maart 2000 door mr. R.A. Luers, beleidssecretaris bij het parket Amsterdam, is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Dit is afgesloten op 1 mei 2000.

De maximum straf die op het primair telastegelegde feit is gesteld is een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden of een geldboete van de vierde categorie.

In deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding de geconstateerde termijnoverschrijding en het stilzitten vanaf 1 mei 2000 te rechtvaardigen op grond van eventuele complexiteit van het onderzoek.

De invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het proces-verloop.

De rechtbank constateert dat er geen sprake is van enige vorm van vertraging die voor rekening zou moeten komen voor verdachte en/of diens raadsman.

Het maatschappelijk belang dat gediend is met vervolging van verdachte tegenover het persoonlijk belang dat verdachte heeft bij niet-vervolgen.

Bij het bepalen van de sanctie moet de rechter het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn heeft bij normhandhaving door berechting, afwegen tegen het belang dat de verdachte heeft bij het verval van het recht tot strafvervolging na overschrijding. De ernst van het feit en de mate van overschrijding spelen daarbij een rol.

In casu gaat het om een vliegtuigongeval, een gelukkig zeldzame gebeurtenis waar de strafrechter niet dikwijls bij betrokken is.

Bij de inschatting van de ernst van het feit en het bepalen van het maatschappelijk belang dat gediend is met vervolging van verdachte, heeft de rechtbank gekeken naar het door de Raad voor de Transport Veiligheid uitgebracht verslag en concludeert zij dat de Raad geen bijzonder verwijt aan verdachte maakt en niet tot een eenduidige veroordeling van verdachte's vlieggedrag komt. Het onderzoek bracht de Raad niet tot aanbevelingen gericht op het individu (verdachte) maar tot een aantal aanbevelingen van algemene aard. Deze aanbevelingen zijn - aldus de verklaring van verdachte ter terechtzitting - in hun algemeenheid overgenomen. Niet is gebleken dat er op enig moment aanleiding is geweest verdachte's vliegvergunning en/of zijn vliegbrevet in te trekken of op te schorten. Verdachte heeft ook zijn lesbevoegdheid onverminderd behouden en is thans nog steeds werkzaam als vlieginstructeur. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van de gemeenschap bij berechting niet (meer) opweegt tegen het belang van verdachte om niet (verder) vervolgd te worden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte ten aanzien van het primair telastegelegde feit wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. Voor compensatie in de zin van strafvermindering ziet de rechtbank - gelet op de omstandigheden - geen ruimte.

Het voorgaande is onverminderd van toepassing op het subsidiair telastegelegde, ware het niet dat dit feit in de vorm van een overtreding is telastegelegd en de officier van justitie reeds vanwege het in artikel 70, lid 1, Wetboek van Strafrecht bepaalde niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het tweede verweer van de raadsman - het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel - behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking nu het eerste verweer van de raadsman slaagt.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.I. van der Does, voorzitter,

mrs. S. Tammes en A.R.J.M. Vermolen, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2002.