Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE9264

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
11-11-2002
Zaaknummer
AWB 02/3621
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 28-04-2004 inzake no. 20303535/1 (LJN AO8443 MS 2004, 149) heeft de ABRS gegrond verklaard het hoger beroep van de gemeenteraad van Amsterdam tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rb. Amsterdam van 28-04-2003 waarbij gegrond is verklaard het beroep tegen het besluit van 05-03-2003 strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 19-06-2002. De ABRS heeft geoordeeld dat het houden van een referendum over een bestemmingsplan, ongeacht hetgeen daarover in de Verordening is bepaald, in strijd is met de Tijdelijke referendumwet, zijnde een hogere regeling en dat op die grond het referendumverzoek had dienen te worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 299
JOM 2008/594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 02/3621 VEROR

van:

Stichting Het Comité “Hou ’t Science Park Groen”, gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

vertegenwoordigd door drs. P.K. Sagel, voorzitter van de stichting,

tegen:

de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door mrs. E.C. Lissen en H. Verhaar.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter heeft op 14 augustus 2002 het verzoek ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen hangende de behandeling van het bezwaarschrift van verzoekster gericht tegen het besluit van verweerder van 19 juni 2002.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 september 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in beginsel slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het uit het bestreden besluit voortkomende nadeel onevenredig is in verhouding tot het met het besluit te dienen belang.

De gemeente Amsterdam ontwikkelt samen met de Universiteit van Amsterdam en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) het Wetenschappelijk en Technologie Centrum Watergraafsmeer. Het betreft het ontwikkelen van het terrein, gelegen in het noordoostelijke deel van de polder Watergraafsmeer, tot een internationaal kenniscentrum. Tevens zal worden voorzien in (studenten)woningen.

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer vastgesteld.

Bij besluit van eveneens 19 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam in reactie op het namens verzoekster op 17 juni 2002 ingediend referenduminitiatief in verband met voornoemd bestemmingsplan, besloten geen referendum te houden. Daartoe is overwogen dat de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) aan het houden van een referendum over een bestemmingsplan in de weg staat, omdat het houden van een referendum tot gevolg zou hebben dat de in de WRO voorgeschreven termijnen voor de bestemmingsplanprocedure worden overschreden.

Verzoekster heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de toepasselijke bepalingen van de WRO een referendum over een bestemmingplan niet uitsluiten en dat in het onderhavige geval overschrijding van de in de WRO gestelde termijnen is gerechtvaardigd. Verzoekster heeft in dit verband gewezen op artikel 1.4 van de Referendumverordening 1998 (hierna de Verordening), waar het bestemmingsplan niet is genoemd als zijnde een beslissing waarover geen referendum kan worden gehouden.

Overwogen wordt als volgt.

Artikel 1.4 van de Verordening bepaalt dat over iedere beslissing van de gemeenteraad een referendum kan worden gehouden, met uitzondering van de in dat artikel genoemde beslissingen.

Hoofdstuk IV, afdeling 3, van de WRO geeft regels voor de totstandkoming van bestemmingsplannen. Hierbij zijn termijnen gesteld die, anders dan verzoekster meent, van openbare orde zijn zodat daarvan in beginsel niet kan worden afgeweken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het houden van een referendum in de onderhavige zaak zal leiden tot een vertraging van ongeveer zeven maanden.

Niet uitgesloten is dat de vertraging verder zal oplopen. Verzoekster heeft dit niet bestreden,

zodat wordt aangenomen dat het houden van een referendum in het onderhavige geval zal leiden tot overschrijding van de in de WRO gestelde termijnen voor de bestemmingsplanprocedure.

De vaststelling van een bestemmingsplan wordt niet in artikel 1.4 van de Verordening genoemd als beslissing waarover geen referendum kan worden gehouden. Het feit dat de Verordening de mogelijkheid biedt om een referendum te houden over een bestemmingsplan kan, anders dan door verweerder wordt aangevoerd, niet leiden tot de conclusie dat de Verordening op zichzelf in strijd is met de WRO, en derhalve wegens strijd met een ‘hogere regeling’ onverbindend is. Nu echter het houden van een referendum in het onderhavige geval, gelet op het tijdsbeslag, in strijd komt met de dwingendrechtelijke termijnbepalingen van de WRO heeft verweerder naar het oordeel van de rechter op goede gronden besloten de Verordening buiten toepassing te laten. De stelling van verzoekster dat verweerder het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen alvorens te beslissen op het referendumverzoek kan niet worden gevolgd, reeds omdat, gelet op de aard van het correctief referendum zoals neergelegd in de Verordening, eerst een beslissing genomen dient te zijn alvorens beslist kan worden over het houden van een referendum over die beslissing.

Gelet op vorenstaande overwegingen wordt geen aanleiding gevonden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechter geen aanleiding. Evenmin zijn gronden aanwezig om te bepalen dat het griffierecht door verweerder moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. R.W.L. Koopmans, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. dos Santos, griffier.

Openbaar gemaakt op: 26 september 2002

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.: