Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE9137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/2749 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr AWB 02/2749 WW44

van:

A e.a., wonende te B en C, verzoekers,

vertegenwoordigd, door mr. J.H. van Gemund,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Lever.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen D v.o.f., vertegenwoordigd door E en F.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie is op 19 juni 2002 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met de bezwaarschriften van verzoekers gericht tegen verweerders besluit van 16 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) waarbij aan D v.o.f. een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een woning met bedrijfsruimte en een opslagploods ten behoeve van een boomkwekerij op het perceel […] […] te C.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 juli 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekers dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Verzoekers hebben uitzicht op het perceel […] […] te C.

Op 30 januari 2001 heeft D v.o.f. (hierna: vergunninghouder) een aanvraag ingediend voor het bouwen van een woning en bedrijfsruimte ten behoeve van een agrarisch loonwerkersbedrijf op het perceel […] […] te C. Naar aanleiding van het voornemen van verweerder om voor de vestiging van het agrarisch loonbedrijf vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen hebben omwonenden, waaronder een aantal verzoekers, bedenkingen ingediend.

Op 16 januari 2002 heeft D v.o.f verzocht om verlening van een bouwvergunning voor een woning met bedrijfsruimte en een opslagloods ten behoeve van een boomkwekerij op het perceel […] […]. Verweerder heeft deze vergunning verleend, waarbij is meegedeeld dat de aanvraag van 30 januari 2001 is komen te vervallen.

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht de bouwvergunning heeft verleend.

Op het onderhavige perceel is het bestemmingsplan ”Boterhuispolder” van oktober 1969 (hierna: bestemmingsplan) van toepassing. Het bouwplan is gelegen op gronden bestemd voor ”agrarische doeleinden, klasse C (AC)”.

Ingevolge artikel 9, eerste lid onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn –voor zover hier van belang- de op de kaart voor ”agrarische doeleinden, klasse C” aangewezen gronden bestemd voor boomkwekerij met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, met uitzondering van kassen en met dien verstande, dat voor ieder bedrijf één eengezinshuis (bedrijfswoning) met een goothoogte van ten hoogste 6m en een inhoud van ten hoogste 400m³ mag worden gebouwd indien de aaneengesloten bouwperceeloppervlakte voor een boomkwekerijbedrijf niet meer dan 0,75 ha zal bedragen.

Verzoekers stellen –kort samengevat – dat gelet op de eerdere bouwaanvraag voor een agrarisch loonbedrijf en mede op grond van het bedrijfsplan van vergunninghouder- moet worden aangenomen dat het perceel niet overeenkomstig de bestemming zal worden gebruikt. Er is thans een woning op het perceel aanwezig en verlening van een bouwvergunning voor een tweede woning is in strijd met de planvoorschriften. De omvang van de boomkwekerij voldoet niet aan de minimale eis en de maximale inhoud van de bedrijfswoning wordt overschreden. Ook heeft verweerder gehandeld in strijd met de aanhoudingsplicht ex artikel 52a van de Woningwet aangezien het perceel […] […] ernstig verontreinigd is.

Strijdig gebruik

Volgens jurisprudentie van de ABRS moet bij toetsing van een bouwplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dit geval is naar het oordeel van de rechter op voorhand niet aannemelijk geworden dat het bouwwerk voor andere doeleinden dan een boomkwekerij zal worden gebruikt. Hierbij is met name van belang het door vergunninghouder ingediende bedrijfsplan voor een boomkwekerij, de ter zitting gegeven toelichting ten aanzien van het afgescheiden bedrijfsgedeelte van het bouwwerk, de informatie over de te poten gewassen en de brief van provincie van 13 juni 2002 dat uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen vestiging van een boomkwekerij met sierheesters. Ter zitting hebben de vennoten van D voorts toegelicht dat de werkzaamheden in de kwekerij in hoofdzaak zullen worden verricht door X, die zich daarvoor ook de expertise verwerft. Dat de omvang van de boomkwekerij volgens verzoekers te beperkt is om rendabel te zijn, - waartoe verzoekers hebben verwezen naar een door hen overgelegd commentaar van accountant C.L. van Leeuwen op het bedrijfsplan, - heeft de v.o.f. D bestreden, terwijl voorts op grond van dit commentaar niet als vaststaand kan worden aangenomen dat een boomkwekerij op de onderhavige locatie niet op economisch verantwoorde wijze zou kunnen worden geëxploiteerd. Verweerder heeft daarbij er op gewezen dat het bestemmingsplan niet aangeeft op welke wijze hij de ingediende plannen op hun realiteitswaarde dient te toetsen –zo is een veplichte advisering door de Agrarische Adviescommissie niet voorgeschreven– zodat de beoordeling van de plannen vooraf slechts marginaal kan zijn. De voorzieningenrechter onderschrijft dit. Het concrete beoogde gebruik van het perceel […] […] vormt in het onderhavige geval dan ook geen reden om de bouwvergunning te weigeren. De vrees van verzoekers voor toekomstig strijdig gebruik, - waartegen verweerder reeds heeft aangekondigd te zullen optreden - levert geen grond op om tot schorsing van de vergunning over te gaan.

Tweede woning

Anders dan verzoekers menen, levert de aanwezigheid van de huidige woning op het perceel […] […] geen strijd op met de planvoorschriften. Hiertoe wordt overwogen dat deze woning op de bij de bouwvergunning behorende tekening niet was aangegeven aangezien deze zou worden gesloopt. Nu vergunninghouder een sloopvergunning heeft aangevraagd mag worden aangenomen dat deze woning voorafgaande aan de bouw van de nieuwe woning zal worden gesloopt. Ook hier geldt dat verweerder de mogelijkheid heeft om handhavend op te treden indien vergunninghouder zou beginnen met bouwen terwijl de huidige woning niet is gesloopt.

Inhoud bedrijfswoning

Uit artikel 9, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften volgt dat de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 400m³ mag bedragen. Verzoekers stellen dat de kelderruimte onder de bedrijfswoning -die volgens verzoekers zal worden gebruikt als extra woonruimte- bij de bepaling van de inhoud ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder b, waarin staat dat de inhoud van een gebouw boven peil wordt gemeten, terecht de kelderruimte niet meegeteld bij de bepaling van de inhoud van de bedrijfswoning. Nu verweerder ter zitting nog heeft aangegeven dat een gedeelte van de bedrijfswoning (bovengronds) ten behoeve van kantoorruimte is afgescheiden en dat deze ruimte bij de inhoud evenmin wordt meegeteld, wordt aangenomen dat de inhoud van de bedrijfswoning blijft binnen de door het bestemmingsplan vastgestelde eis.

Omvang boomkwekerij

Vooropgesteld wordt dat in het bestemmingsplan een bepaling omtrent de omvang van een boomkwekerij ontbreekt. In artikel 9 van de planvoorschriften staat dat de aaneengesloten bouwperceeloppervlakte niet minder dan 0.75ha mag bedragen indien er

een bedrijfswoning wordt gebouwd. De bouwperceeloppervlakte is volgens artikel 1, eerste lid en onder h, het aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing met een hoofdgebouw of bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. Uit deze bepalingen volgt dat de aaneengesloten bouwperceeloppervlakte aan de gestelde minimale omvang moet voldoen en niet –zoals verzoekers betogen- de minimaal voor de boomkwekerij beschikbare oppervlakte. Nu gelet op de stukken en op de toelichting van verweerders gemachtigde ter zitting aannemelijk is dat de aaneengesloten bouwperceeloppervlakte meer dan 0.75ha bedraagt, is van strijd met het bestemmingsplan geen sprake.

Aanhoudingsplicht ex artikel 52a van de Woningwet

Op grond van het tweede lid van artikel 52a van de Woningwet duurt de aanhouding totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan heeft ingestemd. In het onderhavige geval hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) het saneringsplan op 9 oktober 2000 goedgekeurd. Dit betekent dat verweerders plicht om de beslissing op de bouwaanvraag aan te houden op laatstgenoemde datum eindigde. Dat het saneringsplan is opgesteld met het oog op gebruik als agrarisch loonwerkersbedrijf doet hieraan niet af nu het saneringsplan ook betrekking kan hebben op de situatie waarin het perceel zal worden gebruikt als boomkwekerij. Vergunninghouder heeft de wijziging in het gebruik van de bodem ten behoeve van een boomkwekerij aan GS gemeld en bij brieven van 13 juni 2002 en 23 juli 2002 hebben GS aangegeven dat de wijziging in het bodemgebruik milieuhygiënisch verantwoord is uit te voeren bij de gekozen isolatievariant van het bestaande saneringsplan.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bouwvergunning terecht heeft verleend. De rechter ziet dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Voorts wordt geen aanleiding gezien om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Panday, griffier,

en openbaar gemaakt op:

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

DOC: