Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE8134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
02.0419 H
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02.0419 H

24 september 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

TWEEDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

i n d e z a a k v a n:

[verzoekster],

wonende te Amsterdam,

v e r z o e k s t e r ,

procureur: mr. J.S. Duttenhofer,

t e g e n:

de Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam,

v e r w e e r d e r .

Partijen worden hierna respectievelijk [verzoekster] en de Ambtenaar genoemd.

Het verzoekschrift strekt tot aanvulling van de registers van de burgerlijke stand op de voet van artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- verzoekschrift, ingediend ter griffie op 11 april 2001,

- toelichting op het verzoekschrift, met bewijsstukken, gedateerd op 9 oktober 2001,

- proces-verbalen van de mondelinge behandelingen van het verzoek, gehouden op 9 oktober 2001, 27 november 2001 en 8 januari 2002, waarvoor verzoekers, de Ambtenaar, de officier van justitie en de bijzonder curator waren opge-roepen, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen,

- beschikking van deze rechtbank van 5 maart 2002, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen,

- proces-verbaal van de pro forma behandeling van het verzoek van 2 april 2002, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen,

De beschikking was bepaald op 28 mei 2002. Door een misverstand ter griffie is het dossier niet naar de behandelend rechter doorgeleid. De beschikking is nader bepaald op heden. Partijen worden er door de griffier van op de hoogte gesteld dat uitspraak wordt gedaan.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten

a. Op 8 augustus 1988 is te Ghana geboren [A.K.A.], nader te noemen Albert, als zoon van [verzoekster], die op dat moment ongehuwd was.

b. Op de geboorteakte van Albert staat Daniel Ganah, nader te noemen Ganah, als vader van Albert vermeld. Op de geboorte akte is achter "signature in full or name in full and mark, duly witnessed of informant and relationship, if any to the child" ingevuld: "Kofi Adu Donyina".

c. [verzoekster] heeft momenteel een affectieve relatie met [[D.], nader te noemen [D.].

d. Albert heeft schriftelijk verklaard geen bezwaar te hebben tegen de erkenning door [D.].

e. Artikel 9 van de Ghanese "The registration of Births and Death Act 1965" luidt als volgt:

"where the paternity of any child is in doubt -

(a) no person shall as the putative father of the child be required to give information concerning the birth of the child; and

(b) the Registrar shall not enter the name of any person as father of the child except at the joint request of the mother and the person acknowledging himself to be the father of the child, and that person shall in that case sign the register together with the mother.

2. Het verzoek

2.1 [verzoekster] verzoekt, mede namens [D.], de Ambtenaar te gelasten een akte van erkenning van Albert door [D.] op te maken.

2.2 [verzoekster] legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Erkenning van een kind is in Ghana vormvrij. Het is vrijwel niet mogelijk om aan de hand van een geboorteakte vast te stellen of het kind is erkend door de vader. In reactie op het na te noemen standpunt van de Officier van Justitie, dat de opname van de vader in de geboorteakte van het kind maakt dat het kind volgens Ghanees recht een vader heeft en deze niet meer kan worden erkend, stelt [verzoekster] dat dit standpunt niet wordt gedeeld door de Hoge Raad.

2.3 De vermelding van de vader op het geboortebewijs staat erkenning door [D.] niet in de weg, nu de enkele vermelding onvoldoende is om daaruit af te leiden is dat er naar Ghanees recht een familierechtelijke betrekking bestaat tussen Albert en zijn biologische vader Ganah die op één lijn kan worden gesteld met een familierechtelijke betrekking die volgens Nederlands recht ontstaat als gevolg van de erkenning door een man van het kind.

2.4 Nu de geboorteakte is opgemaakt door [S.A.D.], de vader van [verzoekster], kan ook op basis van de aangifte niet worden geconcludeerd dat Ganah Albert heeft erkend.

2.5 Ganah is de biologische vader van Albert. Hij is verdwenen. Ganah is er niet van op de hoogte dat Albert is geboren. [verzoekster] heeft vanaf haar zwangerschap nooit meer contact met Ganah gehad.

2.6 De ambtenaar van de burgerlijke stand wil slechts overgaan tot erkenning nadat [verzoekster] het bewijs heeft geleverd dat Albert noch door Ganah, noch door een andere man is erkend. Dit is volgens [verzoekster] een negatief bewijs dat per definitie onmogelijk is. Van haar kan evenmin - zoals de Ambtenaar wil - worden gevergd dat zij een gewijzigde geboorteakte overlegt. Deze oplossing van de Ambtenaar gaat volgens [verzoekster] voorbij aan en geen antwoord geeft op de vraag of Albert kan worden erkend, nu immers bekend is wie de biologische vader is.

3. Het verweer

3.1 De Ambtenaar stelt dat het verzoek ongegrond dient te worden verklaard en stelt daartoe het volgende. Gelet op 1:204 lid 1 sub f kan een erkenningsakte die tot gevolg heeft of kan hebben dat een kind meer dan twee ouders heeft, niet worden opgemaakt.

3.2 In de geboorteakte van Albert staat Ganah als vader vermeld. Indien vast zou staan dat [verzoekster] ten tijde van de geboorte van Albert niet gehuwd zou zijn met Ganah, is dit enkele feit niet voldoende om vast te stellen dat Ganah niet de vader is van het kind.

3.3 Nu in de Ghanese akte Ganah als vader is vermeld, geeft dit grond aan het vermoeden dat Albert reeds een vader heeft. Erkenning van Albert is slechts mogelijk indien wordt aangetoond dat hij nooit rechtsgeldig is erkend door Ganah noch dat op een andere wijze een juridische afstammingsrelaties is ontstaan. Het vermoeden dat Ganah de vader is van Albert kan worden weerlegd door middel van een gewijzigde geboorteakte waarin de juiste afstammingsgegevens staan vermeld. Niet is vereist dat [verzoekster] aantoont dat Albert nooit ergens is erkend, maar wel mag worden gevergd dat zij aantoont dat dit in het land van herkomst het geval is.

3.4 Als de rechtbank van oordeel zou zijn dat [D.] kan worden toegelaten tot erkenning, dan verzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand de rechtbank te bepalen dat erkenning slechts kan plaatsvinden als de overigens daarvoor vereiste documenten, onder andere waaruit kan blijken dat [verzoekster] ongehuwd was ten tijde van de geboorte van Albert, aanwezig zijn.

4. Standpunt de Officier van justitie

4.1 De Officier van Justitie concludeert tot afwijzing van het verzoek. Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 1:204 lid 1 sub f BW is een erkenning van een kind nietig ingeval het kind reeds twee ouders heeft.

4.2 Op de geboorteakte van Albert staat reeds een vader vermeld. De opname van de biologische vader in de geboorteakte maakt dat Albert volgens het Ghanees recht een vader heeft. Zoals blijkt uit de beschikking van het Hof te Arnhem van 18 juli 2000, wordt op grond van het Nederlands internationaal privaatrecht een naar Ghanees recht als kind van een vader te beschouwen kind ook in Nederland als wettig kind van die vader te gelden.

5. De beoordeling

5.1 Op grond van artikel 1:204 lid 1 sub f BW kan een kind tot niet meer dan twee personen in familierechtelijke betrekking staan. Erkenning van een kind dat reeds twee ouders heeft is derhalve nietig.

5.2 Op de geboorteakte van Albert staat Ganah vermeld als vader. De moeder van Ganah heeft verklaard dat Albert de biologische vader is van Albert. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of Ganah ook als de juridische vader heeft te gelden.

5.3 In zijn uitspraak van 13 juli 2001 (LJN-nummer: ZC3630 Zaaknr: R00/127HR) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

3.4 Het middel bevat de klacht dat het Hof zijn beslissing omtrent de inhoud van het Ghanese recht en de betekenis die volgens dit recht aan de opgemaakte geboorte-akte wordt toegekend, ontoereikend heeft gemotiveerd door te oordelen dat uit het feit dat in de Ghanese geboorteakte de vader vermeld staat als de vader van de zoon, kan worden afgeleid dat naar Ghanees recht de zoon heeft te gelden als wettige zoon van de vader.

Deze klacht slaagt. In het onderhavige geding hebben de vader en de zoon gemotiveerd betoogd dat volgens Ghanees recht de enkele omstandigheid dat een man in een geboorteakte als de vader van het kind is vermeld, niet voldoende is om aan te nemen dat tussen hem en het kind een familierechtelijke betrekking bestaat die op één lijn kan worden gesteld met een familierechtelijke betrekking die volgens Nederlands recht ontstaat als gevolg van de erkenning door een man van een kind. Het Hof heeft niet ervan blijk gegeven dat het dit betoog in zijn beoordeling heeft betrokken. 's Hofs oordeel dat het vaderschap van de vader en de afstamming van de zoon naar Ghanees recht vaststaan en dat tussen de vader en de zoon reeds een familierechtelijke band bestaat die gelijkwaardig is aan de familierechtelijke band die naar Nederlands recht door erkenning wordt gevestigd, is derhalve bij gebreke van nadere motivering niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

5.4 In het onderhavige geval stellen verzoekers dat de Ghanese geboorteakte van Albert weliswaar Ganah als vader vermeldt, maar dat deze vermelding niet betekent dat Ganah Albert ook heeft erkend. Hij is als vader vermeld omdat dit door de vader van [verzoekster], die de aangifte heeft gedaan, als biologisch vader werd beschouwd.

5.5 De Ambtenaar heeft daar tegenover gesteld dat het ontbreken van een juridische band met de in de geboorteakte genoemde man dient te worden aangetoond met een aanvullend document uit Ghana.

5.6 Naar het oordeel van de rechtbank behoeft deze eis in ieder geval in het onderhavige geval niet te worden gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of tussen Ganah en Albert reeds een familierechtelijke band bestaat die gelijkwaardig is aan de familierechtelijke band die naar Nederlands recht door erkenning wordt gevestigd, moet er vanuit worden gedaan dat erkenning naar Nederlands recht een rechtshandeling van een man is. Dat betekent dat een document waaruit niet blijkt dat een man een zodanige rechtshandeling ten aanzien van het kind heeft verricht - welke rechtsgevolgen die vermelding in het buitenlandse recht ook moge hebben - in ieder geval geen familierechtelijke band in het leven roept die gelijkwaardig is aan de familierechtelijke band die naar Nederlands recht door erkenning wordt gevestigd.

5.7 In de onder 1.b bedoelde geboorteakte is Ganah weliswaar als vader van Albert vermeld, maar uit de akte kan worden afgeleid dat hij bij het opmaken daarvan niet was betrokken, nu als aangever [K.A.D.] is vermeld.

Er is dan ook op grond van de onder 1.b bedoelde geboorteakte geen grond om aan te nemen dat Ganah naar Ghanees recht een rechtshandeling heeft verricht die met een erkenning naar Nederlands recht gelijkwaardig is.

5.8 De onder 1.e aangehaalde Ghanese wettelijke bepaling, waarop de Ambtenaar zich heeft beroepen maakt dit niet anders. Van een gezamenlijk verzoek van [verzoekster] en Ganah zoals in die bepaling bedoeld is immers niet gebleken.

5.9 Ganah kan dus niet als de juridische vader van Albert worden gezien. Dit betekent dat de vermelding van Ganah als vader van Albert in de onder 1.b bedoelde geboorteakte niet aan erkenning door [D.]t in Nederland in de weg behoort te staan.

5.10 Of een akte van erkenning dient te worden opgemaakt, hangt naar de Ambtenaar terecht heeft betoogd mede af van de aanwezigheid van de overigens daarvoor vereiste documenten, onder andere een document waaruit kan blijken dat [verzoekster] ongehuwd was ten tijde van de geboorte van Albert. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijk bevel aan de Ambtenaar geven.

6. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

Gelast de Ambtenaar het opmaken van een akte van erkenning van Albert door [D.] niet langer te weigeren op de grond dat Albert al een vader heeft, doch tot het opmaken van een dergelijke akte over te gaan, zodra de overigens daarvoor vereiste documenten aanwezig zijn.

Aldus gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.