Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE7548

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2002
Datum publicatie
12-09-2002
Zaaknummer
13/037886-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/037886-01

Datum uitspraak: 12 september 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 8e meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Wilrijk (België) op 20 februari 1962,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring [****] te A.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2002.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

--------------

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 december 2001 te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] herhaaldelijk met (zeer) veel kracht tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt en die [slachtoffer] herhaaldelijk met (zeer) veel kracht met een (metalen) buis en een fles, tegen het hoofd geslagen en met een mes in de hals gestoken en met een snijdende beweging de hals en alle daarin aanwezige grote bloedvaten doorgesneden tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Het stuk dat de raadsman bij diens pleidooi heeft overgelegd, inhoudende een opmerking ten aanzien van de bevindingen van het sectierapport in deze zaak van mr. drs. A.L.F. v.d.B., kennelijk werkzaam bij "ASK Health Care Advisers BV", van wie de deskundigheid op het gebied van de pathologie en anatomie de rechtbank niet bekend is, heeft de rechtbank in het licht van de conclusies van dat rapport niet tot een ander oordeel doen komen.

5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

De raadsman heeft het volgende verweer gevoerd. Verdachte heeft bij zijn eerste handeling, het afslaan van de aanval, gehandeld uit noodweer. Vervolgens was er sprake van noodweerexces toen het slachtoffer op de grond lag na zijn tweede aanval en verdachte hem schopte. Dit is ten slotte overgegaan in psychische overmacht, aldus de raadsman.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij nu het onvoldoende is onderbouwd en bovendien niet aannemelijk is geworden.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door F.P.J. D., psychiater, opgemaakte Pro Justitiarapport d.d. 30 juni 2002 alsmede van het door B.H. B., psycholoog, opgemaakte Pro Justitiarapport d.d. 19 juli 2002. In beide rapporten wordt verslag gedaan van het onderzoek dat is ingesteld omtrent de geestvermogens van verdachte.

In bovengenoemde rapporten wordt - kort weergegeven - tot de volgende conclusie gekomen.

Verdachte is een gemiddeld intelligente man die geen psychische spanningen of klachten rapporteert. In het onderzoek komt hij naar voren als een kalm, gevoelsarm persoon die weinig binding heeft met andere mensen en zijn eigen koers vaart. Van ontwikkelingsproblemen of traumatische jeugdervaringen zou geen sprake zijn geweest, maar het is mogelijk dat traumatische ervaringen door verdachte worden afgeweerd. Het onderzoek wijst namelijk op een forse afweer van 'negatieve' emoties en tevens op antisociale persoonlijkheidskenmerken. Door de forse afweer van emoties is verdachte in staat bestand te blijven tegen langdurige stressvolle omstandigheden: doordat gevoelens van spanning, boosheid, haat, wrok, jaloezie etcetera worden afgeweerd blijft hij lange tijd onverstoorbaar. Onder extreem stressvolle omstandigheden is verdachte echter niet langer in staat deze gevoelsafweer vol te houden - met name niet als hij daarnaast ontremd is door middelengebruik - en komt een gebrek aan remmingen naar voren en kunnen heftige impulsdoorbraken optreden. Er is sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van misbruik van alcohol en cocaïne. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidstoornis waarbij antisociale trekken op de voorgrond staan, alsmede een emotionele scheefgroei, zich uitend in een extreem verdringen van negatieve emoties, waardoor verdachte zijn boosheid op het slachtoffer lange tijd niet voelde. Zowel de alcohol als de cocaïne vergrootten verdachtes impulsiviteit en verminderden zijn remmingen, waardoor de al aanwezige doch verdrongen woede op het slachtoffer kon ontaarden in heftige agressie, diens dood ten gevolge hebbend.

De psycholoog en de psychiater komen tot de - eensluidende - conclusie dat verdachte op grond van de scheefgroei in diens emotionele ontwikkeling als enigszins cq licht verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd voor het telastegelegde.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer], zijn huisgenoot, na deze op vreselijke wijze te hebben mishandeld, op gruwelijke wijze vermoord. Verdachte heeft in de vroege ochtend van 21 december 2001, samen met een huisgenoot, ruzie gekregen met het slachtoffer [slachtoffer]. De vechtpartij die daarop volgde, was het sluitstuk van hoogoplopende irritaties aan het gedrag van het slachtoffer. Verdachte heeft vervolgens samen met die andere huisgenoot het slachtoffer in elkaar geslagen en geschopt waarbij verdachte op diens gezicht heeft staan stampen. Enige tijd daarna heeft hij het slachtoffer geslagen met een staaf en een fles. Het letsel dat het slachtoffer toen opliep was zo ernstig dat de mogelijkheid bestond dat hij al hieraan zou komen te overlijden. Verdachte is echter niet gestopt maar heeft even later een mes gepakt en doelbewust de keel van het slachtoffer doorgesneden om zo een einde te maken aan diens leven en hem aldus op beestachtige wijze vermoord. Gelet op de aard van de verwondingen moet het slachtoffer in zijn laatste uren op een vreselijke manier hebben geleden. Verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het menselijk leven en bijzonder minachtend te hebben gedacht over het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte na de moord, het lichaam van het slachtoffer heeft getapet, vervolgens heeft verpakt en ten slotte in een kast heeft gelegd.

Moord is een van de ergste misdrijven waaraan iemand zich kan schuldig maken. Alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is daarop een passende reactie. De rechtbank houdt in matigende zin rekening met de conclusie van de psycholoog en psychiater dat verdachte ten aanzien van het telastegelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Daarnaast laat de rechtbank meewegen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 12 maart 2002 niet eerder in Nederland is veroordeeld.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op: Moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.C. de Wit, voorzitter,

mrs. C.M.E. de Koning en A.J.R.M. Vermolen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september.