Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE7317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
06-09-2002
Zaaknummer
H 01.3513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 72
Computerrecht 2002, p. 381 met annotatie van H. Struik
IER 2003, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

H 01.3513

E 3.1003 (pbm)

4 september 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HET FINANCIEELE DAGBLAD B.V., gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. DAGBLAD DE TELEGRAAF, gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALGEMEEN DAGBLAD B.V., gevestigd te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NRC HANDELSBLAD B.V., gevestigd te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TROUW B.V., gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE VOLKSKRANT B.V., gevestigd te Amsterdam,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HET PAROOL B.V., gevestigd te Amsterdam,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEEKMEDIA B.V., gevestigd te Amstelveen,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. DE DORDTENAAR, gevestigd te Dordrecht,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTERDAMS DAGBLAD B.V., gevestigd te Rotterdam,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DAGBLAD VAN RIJN & GOUWE B.V., gevestigd te Alphen aan den Rijn,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOUDSTERMAATSCHAPPIJ DE GOOI- EN EEMLANDER B.V., gevestigd te Hilversum,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DAGBLADUITGEVERIJ DAMIATE B.V., gevestigd te Haarlem,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERSMAATSCHAPPIJ LIMBURGS DAGBLAD B.V., gevestigd te Heerlen,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V., gevestigd te Maastricht,

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VERENIGDE NOORDHOLLANDSE DAGBLADEN B.V., gevestigd te Alkmaar,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE TELEGRAAF TIJDSCHRIFTEN GROEP B.V., gevestigd te Amsterdam,

18. Ewoud SANDERS, wonende te Heemstede,

19. Menno STEKETEE, wonende te Amsterdam,

e i s e r s,

procureur mr. J.C.H. van Manen,

t e g e n:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROCLIP B.V., gevestigd te Haarlem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid REKLAMESERVICE B.V., gevestigd te Haarlem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KNIPSEL INFO SERVICE B.V., gevestigd te Almere,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ANTAL CLIPPING B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

g e d a a g d e n,

procureur mr. G. Brunt.

Partijen worden hierna ook als volgt genoemd:

eisers 1. tot en met 17. gezamenlijk: de Uitgevers;

eisers 18. en 19. gezamenlijk: de Freelancers;

gedaagden ieder afzonderlijk: Euroclip, Reklameservice, KIS, respectievelijk Antal.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- gelijkluidende dagvaardingen van 29 november 2001, waarop vermeld de beschikking van de fungerend president van deze rechtbank van 28 november 2001, waarbij is bepaald dat geen gelegenheid zal worden gegeven tot het nemen van conclusies van repliek en dupliek;

- conclusie van eis, met bewijsstukken;

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- pleidooi dat is gehouden op 20 juni 2002, het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin genoemde stukken en de pleitnotities van de raadslieden van eisers en gedaagden,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op

grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het

volgende vast.

a. De Uitgevers geven kranten en tijdschriften uit. De Freelancers schrijven artikelen die in verschillende dagbladen en tijdschriften worden gepubliceerd.

De Uitgevers zijn auteursrechthebbenden op de (inhoud van de) door hen uitgegeven kranten en tijdschriften en de Freelancers op de door hen geschreven artikelen.

b. Gedaagden, die samenwerken, bieden tegen betaling zogenaamde 'knipseldiensten' aan. Een opdrachtgever kan bij een knipseldienst aangeven in welk soort artikelen hij is geïnteresseerd en tegen betaling periodiek, in diverse periodieken gepubliceerde artikelen binnen zijn interessegebied ontvangen.

c. De werkwijze van gedaagden is - op hoofdlijnen - als volgt.

Reisz Facilitair Bedrijf B.V. (verder: RFB) scant dagelijks ongeveer 600 periodiek verschijnende publicaties in hun geheel, variërend van regionale dagbladen tot huis-aan-huis kranten en enkele tijdschriften. De afzonderlijke artikelen (knipsels) van de gescande pagina's van deze periodieken worden op een server opgeslagen en gegroepeerd op datum en publicatie. Euroclip doet ditzelfde met de zes landelijke dagbladen. Gedaagden kunnen beschikken over de knipsels van Euroclip en RFB. Gedaagden maken van elk knipsel een OCR (Optical Character Recognition) waardoor de afzonderlijke knipsels op trefwoord zijn te doorzoeken. Aan de hand van de door verschillende opdrachtgevers/abonnees van gedaagden opgegeven selectiecriteria wordt vervolgens, geautomatiseerd, een eerste selectie per opdrachtgever van de knipsels gemaakt. Deze selectie wordt, handmatig, gecontroleerd op relevantie voor de opdrachtgever. Vervolgens wordt de knipselselectie (gebundeld) via e-mail aan de opdrachtgevers verzonden of uitgeprint en (gebundeld) per fax of post gestuurd. Euroclip, KIS en Antal bieden hun opdrachtgevers tevens de mogelijkheid hun knipselselectie op te halen vanuit de daartoe aangehouden bestanden. Hiervoor is software nodig die door Euroclip en KIS wordt geleverd, met die kanttekening dat de software die door Euroclip wordt geleverd ook bij derden verkrijgbaar is.

De knipsels worden na een bepaalde periode, variërend van 2 tot 45 dagen, al dan niet automatisch, uit de bestanden van gedaagden verwijderd.

d. Voor deze knipseldiensten betalen opdrachtgevers, naast een periodiek verschuldigd abonnementsgeld, een bedrag van enkele guldens per knipsel. Gedaagden versturen op de hiervoor weergegeven wijze gezamenlijk 60.000 tot 75.000 knipsels per week aan 5.500 klanten.

e. Gedaagden betalen eisers geen vergoeding voor het scannen en versturen van de knipsels. Over de betaling van een vergoeding hebben enkele eisers met Euroclip, zonder resultaat, onderhandelingen gevoerd.

2.1. Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Eisers hebben bij pleidooi hun eis verminderd in die zin dat zij de onder iv) gevorderde dwangsom hebben beperkt tot € 45.000,--.

2.2. Zij stellen hiertoe dat gedaagden inbreuk maken op het databankrecht van de Uitgevers. Eisers stellen zich op het standpunt dat kranten en tijdschriften databanken zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a. van de Databankenwet (Dbw). De Uitgevers hebben, als producenten van deze databanken, aan gedaagden geen toestemming gegeven voor het opvragen of hergebruiken van (een substantieel deel van) de inhoud van deze databanken.

Verder stellen eisers dat gedaagden inbreuk maken op hun auteursrecht door de kranten, tijdschriften en de artikelen van de Freelancers te verveelvoudigen en openbaar te maken. Beperkingen op hun auteursrecht, als bedoeld in de artikelen 15 en 17 van de Auteurswet (Aw), zijn volgens eisers niet aan de orde.

Voorts handelen gedaagden volgens eisers onrechtmatig jegens hen door te parasiteren op de inspanningen van eisers.

Eisers stellen door de werkwijze van gedaagden schade te hebben geleden en nog steeds te lijden. Deze schade bestaat onder meer uit het uitblijven van vergoedingen voor de door eisers geleverde prestaties, een teruglopende verkoop van kranten en tijdschriften en concurrentie met knipseldiensten die eisers zelf exploiteren.

3.1. Gedaagden voeren tot hun verweer aan dat knipseldiensten al sinds jaar en dag bestaan en aanvaard zijn. Zij voorzien in een specifieke behoefte waarin eisers niet voorzien. Zelfs de meeste landelijke dagbladen, waaronder een van de eisers, waren tot voor kort afnemers van diensten van gedaagden. Gedaagden beroepen zich dan ook op rechtsverwerking.

3.2. Zij voeren voorts aan dat kranten en - naar de rechtbank begrijpt ook - tijdschriften geen databanken zijn in de zin van de Dbw, nu een krant de benodigde systematische en methodische ordening ontbeert en de substantiële investering die een dagelijkse krant vergt is gericht op het dagelijks uitgeven van de krant en derhalve geen betrekking heeft op het tot stand brengen van een databank. Mocht dat wel zo zijn, dan voeren zij aan dat er geen sprake is van herhaald en systematisch opvragen of hergebruiken van (substantiële delen van) deze databanken.

3.3. Verder doen gedaagden een beroep op de persexceptie, als bedoeld in artikel 15 Aw en wijzen in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 1995, NJ 1996, 177 (verder: het Knipselkrantarrest), waarin is bepaald dat knipselkranten tijdschriften zijn in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder 1 Aw. In dit verband voeren gedaagden aan dat de knipseldiensten zoals zij die aanbieden functioneel identiek zijn aan de 'ouderwetse', door middel van knip-, fotokopieer- en plakwerk gemaakte knipselkranten. Zij stellen zich, mede onder verwijzing naar de kabinetsnota Electronische Snelweg, op het standpunt dat wat off line geldt ook on line zou moeten gelden. De in algemene bewoordingen gestelde auteursrechtvoorbehouden die eisers in de colofons van de kranten maken, zijn volgens gedaagden geen uitdrukkelijke voorbehouden in de zin van voornoemd artikel.

3.4. Daarnaast voeren gedaagden aan dat hun opdrachtgevers de knipsels voor eigen of intern gebruik verveelvoudigen in de zin van artikel 16b en 17 Aw. Het betreft interne informatievoorziening door de opdrachtgevers, welke dienstverlening zij slechts hebben uitbesteed aan gedaagden.

3.5. Mochten de artikelen 15 en 17 Aw geen basis bieden voor de activiteiten van gedaagden, dan voeren gedaagden aan dat hun maatschappelijke en economische belangen en het maatschappelijk belang van "free flow of information" moeten worden afgewogen tegen die van eisers, waarbij een beroep op het auteursrecht in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden afgewezen. In dit verband wijzen gedaagden op het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora).

3.6. Met betrekking tot het gestelde onrechtmatig handelen jegens eisers voeren gedaagden aan dat de bepalingen van de Dbw en Aw een dergelijke algemene actie uit onrechtmatige daad uitsluiten. Daarnaast menen zij dat het enkele profiteren van de inspanningen van eisers niet onrechtmatig is en dat eisers geen bijkomende omstandigheden hebben gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

3.7. Voorts betwisten gedaagden dat eisers schade hebben geleden, maken zij bezwaar tegen verschillende onderdelen van het gevorderde en verzoeken zij bij een veroordeling het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Beoordeling

4. Het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen. De omstandigheden dat knipseldiensten, zoals die worden aangeboden door gedaagden, sinds jaar en dag bestaan en aanvaard zijn en dat één van de Uitgevers zelfs van deze diensten gebruik heeft gemaakt, brengen nog niet mee dat bij gedaagden het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat eisers hun aanspraken op auteurs- en databankrechten niet meer geldend zouden maken. Dit hebben gedaagden ook niet gesteld, net zo min als dat zij hierdoor onredelijk in hun positie worden benadeeld.

Databankrecht

5.1. Vervolgens is de vraag aan de orde of een krant of een tijdschrift een databank is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a. Dbw.

5.2. De Dbw (inwerking getreden op 21 juli 1999) vormt de implementatie van de Europese Richtlijn 96/9/EG betreffende de rechtsbescherming van databanken (verder: de Richtlijn). Zoals uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsvoorstel Dbw en de overwegingen in de Richtlijn, met name de overwegingen 10-12 blijkt, is het doel van de Richtlijn, gegeven de wens dat binnen de EG geïnvesteerd moet worden in geavanceerde informatiebeheersystemen, de communautaire industrie van elektronische databanken een zo sterke positie te geven dat deze kan concurreren met bedrijven elders in de wereld. Bij elektronische databanken is daarbij, blijkens overwegingen 2 en 22 van de Richtlijn, in eerste instantie vooral gedacht aan on line databanken en CD-ROM en CD-I. Ingevolge overweging 13 van de Richtlijn wordt bescherming gegeven aan verzamelwerken waarin werken, gegevens of andere elementen onder meer door elektronische, elektromagnetische of elektro-optische verwerking of met analoge procédés worden geordend, opgeslagen en opgevraagd.

Blijkens overweging 14 en artikel 1, eerste lid van de Richtlijn, zoals ook uit de MvT blijkt, is de bescherming van elektronische databanken op enig moment tijdens de totstandkoming van de Richtlijn uitgebreid tot niet-elektronische databanken, zodat ook papieren en microfilm- en microfiche-databanken onder de bescherming van de richtlijn vallen. Achterliggende gedachten bij deze uitbreiding zijn onder meer geweest dat dezelfde informatie soms zowel in een elektronische als in een niet-elektronische databank is opgenomen en het onjuist zou zijn als daardoor twee verschillende wettelijke regimes zouden gelden en dat in de Overeenkomst inzake Handelsaspecten van Intellectuele Eigendom (TRIPs-verdrag) van elektronische én niet-elektronische databanken sprake is.

De Richtlijn biedt een tweeledige bescherming voor databanken. Enerzijds een auteursrechtelijke bescherming van de structuur van de databank, vergelijkbaar met de bescherming die artikel 5 Aw biedt, en anderzijds bescherming tegen het ongeoorloofde opvragen en hergebruik van haar inhoud, het zogenaamde recht sui generis. De Richtlijn beoogt, gelet op artikel 3 en overweging 15 hiervan, niet - auteursrechtelijke - bescherming te bieden aan de inhoud van de (samenstellende delen van) de databank, maar aan de structuur van de databank. De keuze of de rangschikking van de inhoud van een databank moet een eigen intellectuele schepping van de maker vormen. De wetgever heeft, zoals blijkt uit punt 5. MvT, ervoor gekozen om de auteursrechtelijke bescherming te laten aan de Auteurswet en het recht sui generis op te nemen in een Databankenwet.

5.3. De Richtlijn heeft in de eerste plaats betrekking op elektronische databanken en is uitgebreid tot ook niet-elektronische databanken om redenen als hiervoor vermeld. Door deze uitbreiding is het begrip databank in artikel 1, eerste lid aanhef en onder a. Dbw uitermate ruim omschreven. Een krant of tijdschrift zou binnen de definitie van dit artikel kunnen vallen. Gelet echter op het doel en de strekking van de Richtlijn, waarvan de Dbw een uitvloeisel is, als hierboven omschreven, heeft de wetgever voor ogen gehad dat een databank, wil zij in aanmerking komen voor bescherming, elementen dient te bevatten van een naslagwerk, dat wil zeggen, zie ook overweging 13 van de Richtlijn, dat in de verzameling werken, gegevens of andere elementen moeten kunnen worden opgevraagd. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank tot uitdrukking in het criterium "afzonderlijk toegankelijk" in artikel 1, eerste lid aanhef en onder a. Dbw. Een - primair op informatievoorziening gerichte - krant of tijdschrift heeft deze elementen van een naslagwerk niet, althans onvoldoende. De in een (papieren) krant of tijdschrift gepubliceerde artikelen zijn niet zodanig opvraagbaar en afzonderlijk toegankelijk dat een krant of een tijdschrift een databank in de zin van de Dbw kan worden genoemd.

5.4. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat een krant of een tijdschrift niet een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen is die de Databankenwet beoogt te beschermen. Gedaagden maken dan ook geen inbreuk op databankrechten van de Uitgevers.

Auteursrecht

6.1. De rechtbank stelt vast dat gedaagden, gelet op hun hiervoor onder 1.c. weergegeven werkwijze, auteursrechtelijk beschermde werken van de Uitgevers en de Freelancers verveelvoudigen en openbaar maken. Gedaagden maken dan ook in beginsel inbreuk op de auteursrechten van eisers.

6.2. Met betrekking tot het door gedaagden gedane beroep op de persexceptie als bedoeld in artikel 15 Aw overweegt de rechtbank als volgt.

In het Knipselkrantarrest heeft de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.4) opgemerkt dat artikel 10 bis van de Berner Conventie voor bescherming van letterkunde en kunst (verder: BC), waarop artikel 15 Aw is gebaseerd, met name ertoe strekt het algemeen belang van "free flow of information" te waarborgen. Hij heeft voorts geoordeeld dat, tegen de achtergrond van artikel 10bis BC, hier te lande mede als "tijdschrift" in de zin van artikel 15, eerste lid onder 1 Aw heeft te gelden: een bij tussenpozen, in het belang van de "free flow of information" uitgegeven publicatie die uit niets anders bestaat dan uit een naar onderwerp geselecteerde verzameling van reproducties van in verschillende dag-, nieuws- of weekbladen dan wel tijdschriften verschenen bijdragen als omschreven in de openingszin van artikel 15, eerste lid Aw.

6.3. Gedaagden voeren aan dat de door hen aangeboden knipseldiensten functioneel identiek zijn aan de knipselkranten waarover de Hoge Raad in dit arrest heeft geoordeeld.

6.4. De rechtbank deelt deze opvatting niet. In het Knipselkrantarrest ging het om knipselkranten die werden samengesteld door het Nederlands Bibliotheek- en Lectuurcentrum (NBLC) ten behoeve van openbare bibliotheken en door de provincie Noord-Brabant (voornamelijk) ten behoeve van personen die tot haar organisatie behoren, dan wel bij haar werkzaamheden betrokken zijn. Deze instellingen hebben beide geen commercieel oogmerk. Mede gelet op de specifieke afnemers of lezers van de in dit arrest bedoelde knipselkranten - openbare bibliotheken en personen werkzaam voor de provincie - konden deze periodieken worden beschouwd als te zijn uitgegeven in het belang van de "free flow of information".

6.5. Los van de vraag of de knipseldiensten, zoals die door gedaagden worden aangeboden, kunnen worden opgevat als de (deels) digitale voortzetting van de papieren knipselkranten, hebben gedaagden niet weersproken dat hun bedrijfsvoering een voornamelijk commercieel doel dient. Gelet op dit zwaarwegend commercieel belang van gedaagden, kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, de door hen aangeboden knipseldiensten niet worden gekwalificeerd als publicaties die in het belang van de "free flow of information" worden uitgegeven. In dit licht weegt het gestelde belang van gedaagden niet op tegen het belang van eisers bij bescherming van hun auteursrecht. Het beroep op de persexceptie als verwoord in artikel 15 Aw gaat derhalve niet op. Hiermee kan de vraag of de auteursrechtvoorbehouden, zoals die door eisers worden gemaakt, al dan niet uitdrukkelijk zijn, onbeantwoord blijven.

7. Het beroep van gedaagden op de artikelen 16b en 17 Aw slaagt evenmin. Gedaagden voeren aan dat opdrachtgevers het kopiëren van relevante artikelen voor eigen (art. 16b Aw) of intern (art.17 Aw) gebruik slechts hebben uitbesteed aan gedaagden. Deze stellingname strookt echter niet met hetgeen gedaagden hebben aangevoerd omtrent hun werkwijze, zoals hiervoor onder 1.c. weergegeven. De opdrachtgevers bepalen weliswaar de selectie die gedaagden uit de door hen gescande kranten en tijdschriften maken, maar het scannen (lees: verveelvoudigen) van gehele kranten en tijdschriften gebeurt niet in opdracht van de opdrachtgevers. Gedaagden exploiteren, uit commercieel oogmerk, de door hen - althans door RFB en Euroclip - aangelegde databank van gescande kranten en tijdschriften. Daarbij gaat het om een databank die is samengesteld uit verveelvoudigingen van complete kranten en tijdschriften en niet van afzonderlijke artikelen.

8.1. Gedaagden voeren nog aan dat hun maatschappelijke en economische belangen en het maatschappelijk belang van "free flow of information" moeten worden afgewogen tegen dat van eisers, waarbij een beroep op het auteursrecht in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden afgewezen.

8.2. Voorzover gedaagden beogen een beroep te doen op een auteursrechtbeperking die niet bij wet is geregeld, dient aansluiting te worden gezocht bij het wettelijk stelsel van beperkingen als omschreven in hoofdstuk 1., § 6. Aw. Daarbij dient het belang van de auteursrechthebbende te worden afgewogen tegen de algemene of economische belangen van anderen.

De afweging dat in de gegeven omstandigheden het algemeen belang van de "free flow of information", gelet op de commerciële belangen van gedaagden, niet opweegt tegen de belangen van eisers is hiervoor onder 6.5. reeds gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, hoewel een knipseldienst in een bijzondere behoefte kan voorzien, gedaagden zodanig commercieel belang hebben bij het aanbieden van hun knipseldiensten, dat de wettige belangen van eisers ongerechtvaardigd worden geschaad.

Dit verweer van gedaagden wordt dan ook verworpen.

Overig

9. Nu eisers zich met vrucht beroepen op hun auteursrecht, behoeven de overige grondslagen van hun vorderingen geen verdere bespreking. Het bestaan van schade is aannemelijk, alleen al omdat geen vergoedingen worden betaald voor de auteursrechtinbreuken. Met betrekking tot de schadestaatprocedure wijst de rechtbank op hetgeen zij hierna onder 10.4., laatste alinea, overweegt.

10. Met betrekking tot het gevorderde, hiervoor onder 2.1. weergegeven, hebben gedaagden puntsgewijs verweer gevoerd.

10.1. Met betrekking tot het onder i), iii) en iv) gevorderde voeren gedaagden aan dat een bevel of verbod zich slechts tot gedaagden kan uitstrekken en niet tot derden. Eisers hebben uiteengezet dat zij willen voorkomen dat gedaagden met een nieuw op te richten of niet gedagvaarde rechtspersoon het vonnis negeren en doorgaan met de inbreukmakende praktijken.

10.2. De rechtbank gaat ervan uit dat ook de met gedaagden verbonden (rechts)personen de onderhavige uitspraak zullen respecteren, aangezien zij niet zullen willen riskeren op hun beurt in rechte te worden betrokken. Indien zich het hierboven door eisers bedoelde geval voordoet handelen gedaagden daarmee immers in beginsel onrechtmatig.Het gaat echter te ver om een bevel of verbod en daarbij een dwangsom op te leggen aan de "met gedaagden verbonden (rechts)personen" die immers geen partij zijn in de onderhavige procedure en die dus ook niet in de gelegenheid zijn geweest om hen persoonlijk treffende argumenten ten verwere aan te voeren. Bovendien is de aldus aangeduide categorie veel ruimer dan waarop eisers blijkens hun toelichting het oog hebben. Daarom zal de rechtbank de veroordelingen uitsluitend uitspreken ten aanzien van gedaagden. Daarbij is zij van oordeel dat het onder i) gevorderde toelaatbaar is, nu het aldaar gevraagde bevel zo is geformuleerd dat het gericht is tot uitsluitend gedaagden.

10.3. Met gedaagden is de rechtbank van oordeel dat het onder i) b) gevorderde verbod niet kan worden toegewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat eisers auteursrechthebbenden zijn op de daarin vermelde software.

10.4. Met gedaagden is de rechtbank eveneens van oordeel dat de onder ii) gevorderde opgave van afnemers/opdrachtgevers van gedaagden niet kan worden toegewezen. Dit betreft immers concurrentiegevoelige en zo mogelijk zelfs privacygevoelige gegevens.

Gedaagden hebben verder aangevoerd dat een groot deel van de door eisers verlangde gegevens niet zijn bewaard.

De rechtbank zal derhalve, gelet op de strekking van het gevorderde, gedaagden veroordelen tot het geven van een dusdanig inzicht in hun boekhouding, dat een berekening, dan wel schatting kan worden gemaakt van het aantal relevante inbreuken op de auteursrechten van (elk van) eisers. Gelet op de gevorderde schade, nader op te maken bij staat, zullen gedaagden hierbij eveneens inzicht dienen te geven in hun verdiensten.

De rechtbank zal dit bevel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, alsmede om een te grote terugwerkende kracht aan de gevolgen van de thans geoordeelde onrechtmatigheid van gedaagden in te perken, beperken tot de data waarop de respectieve gedaagden namens (een of meer) eisers voor het eerst zijn gesommeerd te stoppen met het inbreuk maken op hun auteursrechten, voorzover de rechtbank dat uit de overgelegde producties kan afleiden. Dit is voor Euroclip en Reklameservice: 8 december 1999, voor KIS: 17 april 2001 en voor Antal: 13 juni 2001.

10.5. Met betrekking tot de verveelvoudigingen die gedaagden nog in bezit hebben, zal de rechtbank bepalen dat deze moeten worden vernietigd in het bijzijn van een deurwaarder, aangezien dit de rechtbank gemakkelijker uitvoerbaar en efficiënter voorkomt dan de afgifte van deze verveelvoudigingen aan een door eisers aan te wijzen (rechts)persoon.

10.6. De gevorderde dwangsom komt niet bovenmatig voor en is derhalve toewijsbaar. Daarbij geldt dat de dwangsom dient te worden betaald aan diegene van eisers wiens rechten worden geschonden. De dwangsommen zullen per dag of gedeelte daarvan worden verbeurd en aan een maximum van € 900.000,-- worden onderworpen.

10.7. Gelet op het principiële karakter van dit vonnis, alsmede op hetgeen door de raadsman van eisers ter gelegenheid van het pleidooi is verklaard, dat aan een in deze te wijzen vonnis eventueel een uitlooptermijn van een aantal maanden kan worden verbonden, waarin partijen kunnen onderhandelen, zal de rechtbank dit vonnis, met uitzondering van nader te noemen proceskostenveroordeling, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De gevorderde bevelen zullen worden gegeven zonder een daaraan te stellen termijn. De gevorderde dwangsommen zullen opeisbaar worden na verloop van drie maanden na betekening van dit vonnis.

10.8. Gedaagden zullen, als de grotendeels is het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt gedaagden, ieder afzonderlijk, iedere inbreuk op de auteursrechten van eisers, rechtstreeks, dan wel door middel van een op enigerlei wijze met een of meer gedaagden verbonden (rechts)persoon, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, in het bijzonder:

het scannen of anderszins verveelvoudigen van de (inhoud van) werken van eisers en het opslaan daarvan in (een) databankenbestand(en), het ter beschikking stellen van zulke databestanden en het verstrekken van de daarin opgeslagen verveelvoudigingen van artikelen, foto's, pagina's en andere werken waarop eisers rechthebbenden zijn;

- beveelt gedaagden, Euroclip en Reklameservice vanaf 8 december 1999, KIS vanaf 17 april 2001 en Antal vanaf 13 juni 2001, aan eisers een dusdanig inzicht in hun boekhouding te verschaffen, dat een berekening, dan wel schatting kan worden gemaakt van het aantal relevante inbreuken op de auteursrechten van (elk van) eisers.

- beveelt gedaagden, ieder afzonderlijk, alle (bestanden met) verveelvoudigingen, inclusief back-ups, van de (inhoud van) werken van eisers die gedaagden onder zich houden, alsmede alle andere verveelvoudigingen van materiaal waarop eisers auteursrechthebbenden zijn, in het bijzijn van een deurwaarder te vernietigen c.q. permanent te wissen;

- veroordeelt gedaagden, ieder afzonderlijk een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

€ 45.000,-- (vijfenveertigduizend euro), met een maximum van € 900.000,--, te betalen voor elke dag of gedeelte daarvan, dat gedaagden na verloop van drie maanden na betekening van dit vonnis, in strijd handelen met de hiervoor genoemde bevelen, met dien verstande dat met betrekking tot het eerstgenoemde verbod de te verbeuren dwangsom dient te worden betaald aan die eiser(es) wiens auteursrecht wordt geschonden;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan eisers van een schadevergoeding, op te maken bij staat;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op € 1.555,07 (duizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en 7 eurocent);

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mrs. M.E. Leijten, M.W. van der Veen en P.B. Martens, leden van ge-noem-de kamer, en uitgesproken ter openbare te-recht-zitting van 4 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.