Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE7283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/2841 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisendheid aanwezig geacht in het geval opgelegde dwangsom reeds is verbeurd.

Aanschrijving onder oplegging van een last onder dwangsom tot verwijderen van een berging.

Ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoeker wordt overwogen dat ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening weliswaar het maximum van de door verweerder opgelegde dwangsom reeds was verbeurd, doch verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit. Dit betekent dat indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat dit moet worden geschorst omdat het besluit onrechtmatig is genomen en in de hoofdzaak voor vernietiging in aanmerking komt, de rechtsgrond van de reeds verbeurde dwangsom komt te vervallen zodat verweerder geen titel heeft om tot invordering over te gaan.

Onder deze omstandigheid moet worden geoordeeld dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. Dat verzoeker zich tegen een dwangbevel tot invordering bij de burgerlijke rechter moet verzetten, doet aan het vorenstaande niet af.

Het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verweerder.

mr. M. de Rooij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr AWB 02/2841 GEMWT

van:

A, wonende te B,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. J. de Groot

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie is op 27 juni 2002 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoeker, ingekomen op 28 mei 2002, gericht tegen verweerders besluit van 16 april 2002 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verzoeker –onder oplegging van een last onder dwangsom- is aangeschreven de berging op het perceel […] 32 te Amstelveen vóór 1 juni 2002 te verwijderen. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 250,- per dag dat niet aan de aanschrijving wordt voldaan, met een maximum van € 5000,-.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 juli 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoeker wordt overwogen dat ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening weliswaar het maximum van de door verweerder opgelegde dwangsom reeds was verbeurd, doch verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit. Dit betekent dat indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat dit moet worden geschorst omdat het besluit onrechtmatig is genomen en in de hoofdzaak voor vernietiging in aanmerking komt, de rechtsgrond van de reeds verbeurde dwangsom komt te vervallen zodat verweerder geen titel heeft om tot invordering over te gaan. Onder deze omstandigheid moet worden geoordeeld dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. Dat verzoeker zich tegen een dwangbevel tot invordering bij de burgerlijke rechter moet verzetten, doet aan het vorenstaande niet af.

Verweerder heeft op 30 maart 2000 verzoeker meegedeeld dat hij de berging op het perceel [...] 32 te Amstelveen moet verwijderen aangezien deze zonder bouwvergunning is gebouwd. Nadat verweerder had geconstateerd dat deze berging nog niet was verwijderd is het bestreden besluit genomen. Hierin is onder meer overwogen dat legalisatie niet mogelijk is aangezien de berging volgens de welstandscommissie in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Tussen partijen is niet in geschil dat de berging is gebouwd in strijd met het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat verweerder op grond van artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd was over te gaan tot oplegging van een last onder dwangsom.

Naar het oordeel van de rechter behoefde verweerder niet af te zien van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden nu geen concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. In dit verband is van belang het oordeel van de welstandscommissie dat de berging ernstig in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Volgens vaste jurisprudentie is in een geval als het onderhavige, waarin wordt gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en waarin niet kan worden gelegaliseerd, verweerder niet slechts bevoegd om daartegen handhavend op te treden, maar is hij in beginsel

-behoudens bijzondere omstandigheden- daartoe gehouden, aangezien de algemene belangen, die worden gediend met de handhaving van de wettelijke voorschriften en met het voorkomen van precedentwerking, dit vorderen. De rechter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden, met name dat de berging er sedert 1999 staat en dat hij in 2003 zal verhuizen, zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. Geconcludeerd wordt dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. De gevraagde voorziening wordt dan ook afgewezen.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Panday, griffier,

en openbaar gemaakt op: 7 augustus 2002

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

DOC: