Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE7019

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
02.398 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02.398 KG

27 augustus 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER

BESCHIKKING

i n d e z a a k v a n:

de vennootschap en rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

GOLDTRON LIMITED,

gevestigd te Singapore,

v e r z o e k s t e r ,

procureur mr. J.W. van Rijswijk,

t e g e n:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIA MOST B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r s t e r

procureur mr. J.S. Timmenga.

Partijen worden hierna Goldtron en Media Most genoemd.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de voorzieningenrechter verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van een Russisch arbitraal vonnis op de voet van artikel 1075 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De voorzieningenrechter is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- verzoekschrift, met bewijsstukken, ingediend ter griffie op 14 februari 2002,

- verweerschrift, met bewijsstukken, ingediend ter zitting op 14 mei 2002,

- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek, gehouden op 14 mei 2002, waarvoor waren opgeroepen: Goldtron en Media Most, en de in dat proces verbaal genoemde stukken;

- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek, gehouden op 9 juli 2002, waarvoor waren opgeroepen: Goldtron en Media Most, en de in dat proces-verbaal genoemde stukken;

- brief van mr. Timminga van 20 augustus 2002 met bewijsstukken;

- brief van mr. Wong van 23 augustus 2002 met een bewijsstuk.

De beschikking is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Op 28 april 1998 is tussen Goldtron en Media Most een in het Engels gestelde overeenkomst nummer 98/2 tot overdracht van aandelen in het kapitaal van de Russische vennootschap OAO "Electricheskaya Svyaz" gesloten waarbij Goldtron als verkoper 4.894.342 aandelen van ieder 10.000 roebel nominaal heeft verkocht aan Media Most als koper. De koopprijs voor de aandelen bedroeg U.S. $ 13.500.000,-- te betalen in 3 termijnen, namelijk :

- US $ 5 miljoen binnen 10 werkdagen na de overdracht van de aandelen;

- US $ 4,250.000 binnen 3 maanden na de overdracht van de aandelen;

- US $ 4.250.000 binnen 6 maanden na de overdracht van de aandelen.

b. Artikel 5 lid 1 van de hiervoor onder 1.a. weergegeven in het Engels gestelde overeenkomst luidt als volgt.

" This Agreement shall be governed by and construed according to the laws of the Russian Federation, without regard to conflict-of-law-rules"

lid 3 luidt:

" In case the Parties fail to settle the above mentioned disputes or controversies by means of negotiations, such disputes or controversies shall be subject to arbitration in Moscow, Russian Federation, at the International Commercial Arbitration Court of the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation in accordance with the Arbitration Rules presently in force, without the right of appeal to any courts of common jurisdiction".

lid 4 luidt:

"The arbitration shall be conducted in the English language".

c. Media Most heeft de eerste betaling groot US $ 5 miljoen voldaan. Het restant heeft zij niet voldaan.

d. Op 27 november 1998 heeft Media Most bij voornoemd International Commercial Arbitration Court (hierna ook: ICAC) een vordering ingediend tegen Goldtron. Media Most verzocht daarbij op grond van gewijzigde omstandigheden de koopovereenkomst te wijzigen in die zin dat het door Media Most reeds betaalde bedrag van US $ 5 miljoen als een redelijk koopprijs voor de aandelen was te beschouwen en dat Media Most ter zake van de koopovereenkomst niets meer verschuldigd was aan Goldtron.

e. Op 13 september 1999 heeft Goldtron in de onder d bedoelde arbitrageprocedure een tegenvordering ingediend tegen Media Most.

f. Op de onder d bedoelde arbitrage waren van toepassing de "Rules of the International Commercial Arbitration Court at the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation, approved by the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation on December 8, 1994, in force as of May 1,1995", (hierna: het arbitragereglement) waarvan § 24 als volgt luidt.

"§ 24. Challenge to Arbitrator, Expert, or Interpreter

1. Each party shall be entitled to challenge an arbitrator, the chairman of the arbitral tribunal, or a sole arbitrator, if there are circumstances giving rise to justifiable doubts as to their impartiality or independence, particularly if it can be supposed that they are personally, directly or indirectly interested in the outcome of the proceedings. The request of challenge may also be submitted in case when an arbitrator does not have the qualifications stipulated in the parties' agreement.

The party shall submit its written request of challenge containing the motives there of not later than 15 days after he has come to know that the arbitral tribunal has been formed, or after the party has found out about any circumstances which may be a ground for the challenge. Such request submitted subsequently shall be considered only if the arbitral tribunal finds the delay justified.

2. The question of challenge shall be decided by other members of the arbitral tribunal. If they fail to come to an agreement, or if two arbitrators or a sole arbitrator are challenged, the question of challenge shall be decided by the Presidium of the ICAC.

The Presidium of the ICAC shall be entitled to take initiative in resolving the question of challenge to any arbitrator, the chairman of the arbitral tribunal, or a sole arbitrator for causes stipulated in sub-paragraph 1 of the present paragraph.

3. Any arbitrator the chairman of the arbitral tribunal, or any sole arbitrator may also state his self-challenge on his own initiative.

4. Provisions of sub-paragraphs 1 through 3 of the present paragraph shall also apply to the arbitrator, chairman of the arbitral tribunal, or sole arbitrator elected or appointed as a reserve arbitrator, reserve chairman of the arbitral tribunal, or reserve sole arbitrator.

5. Experts and interpreters participating in the proceedings can be challenged for the same causes mentioned in sub-paragraph I of the present paragraph. In this case, the question of challenge shall be decided by the arbitral tribunal."

g. Op 28 september 1999 heeft Media Most een wrakingsverzoek ingediend tegen de heer L.N. Orlov, voorzitter van het scheidsgerecht. Dit wrakingsverzoek luidt als volgt. "Betreft: eis van Media Most B.V. tegen Goldtron Limited (Singapore)

Zaak No. 382/1998

VERZOEK tot wraking van de voorzitter van het scheidsgerecht

Met inachtneming van Artikel 24 lid 1 Reglement van het Internationaal Hof van Handelsarbitrage van de Kamer van Koophandel van de RF en gezien de omstandigheden die gegronde twijfels aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid doen rijzen, wraakt Media Most B.V. bij deze de voorzitter van het scheidsgerecht belast met de behandeling van zaak No. 382/1998, de heer Lev Nikolaevic Orlov.

Het onderhavige verzoek is veroorzaakt door de volgende omstandigheden:

Op 12 augustus 1999 belde de heer L.N. Orlov de Moskouse vertegenwoordiging van Media Most B.V. en Most Invest Limited (ul. Novyj Arbat, h. 36, tel. 290-83-60), en begon, nadat hij zich had voorgesteld, aan de vertegenwoordiger van de eiseres, de heer V.A. Esakov, de volgende argumenten en voorstellen voor te leggen:

- het is noodzakelijk de tegeneis in te stellen, waarom heeft u dat nog niet gedaan;

- u heeft voortijdig "de handdoek in de ring geworpen", de eiseres dient "aangevallen" te worden;

- u trekt geen juiste conclusies uit het feit dat beide partijen in het geschil buitenlandse rechtspersonen zijn;

- hij (Orlov) ziet geen overtuigende bewijzen die de toepassing van Art.451 lid 4 BWRF mogelijk zouden maken.

Verbaasd door zulke "misplaatste", foutieve en ondeugdelijke uitspraken van de voorzitter van het scheidsgerecht gericht aan een van de partijen, die duidelijk bedoeld waren ter ondersteuning van de gedaagde en benadeling van de eiseres, beperkte Esakov zich, teneinde achter de echte bedoelingen van de heer Orlov te komen, tot een organisatorische mededeling, nl. dat al onze (Media Most B.V. en Most Invest Limited) schriftelijke aanvullingen eind juli (op 30.07.1999) aan het IHHA waren verzonden. Waarop Orlov antwoordde dat hij de zaak moest inzien en dat hij over een uur of drie terug zou bellen.

Later op dezelfde dag belde Orlov wederom het nummer 290-83-60 en deelde - wederom de eiseres voor de gedaagde houdend - mede dat er geen aanvullend materiaal in het dossier aanwezig was. Daarna vroeg hij meteen hoe het met "uw volmachten" stond en of er reeds een afschrift van de Beslissing van de Raad van Bestuur van "Goldtron Limited" d.d. 22 januari 1999 was overgelegd (dus de informatie en stukken die de gedaagde diende over te leggen krachtens het besluit van het IHHA KvK RF d.d. 02.06.99 in zaak nummer 382/1998).

Nadat onze vertegenwoordiger de heer Esakov zich van de kwade bedoelingen tegen de eiseres had overtuigd, reageerde hij op de bovenvermelde uitspraken, dat de heer Orlov kennelijk de eiseres en de gedaagde door elkaar had gehaald, omdat hij met de eiseres de zaken besprak die waarschijnlijk voor de vertegenwoordigers van de gedaagde zijn bedoeld. Na deze uitspraak van onze vertegenwoordiger ontstond een pauze. De heer Orlov, in de war gebracht, probeerde uit te leggen dat hij onze schriftelijke aanvullingen die voor hem in het dossier lagen, had bestudeerd en dat hij niet begreep waarom de gedaagde geen tegeneis instelde.

Uit het bovenvermelde blijkt dat de voorzitter van het scheidsgerecht belast met de behandeling van zaak No. 382/1998, de heer Orlov L.N., bezig is met het opstellen van een actieplan voor de gedaagde en dat hij de gedaagde tips geeft omtrent de wijze van verweer. Deze feiten getuigen van een duidelijke partijdigheid ten gunste van de gedaagde de firma Goldtron Limited.

Als gevolg van zulke aanbevelingen en tips van dhr. Orlov kregen wij op de terechtzitting van het IHHA d.d. 14 september 1999 de tegeneis van Goldtron Limited overhandigd, in de tekst waarvan alle argumenten en aanbevelingen van het bovenvermelde telefoongesprek met de heer Orlov letterlijk waren opgenomen - het bewijs dat de gedaagde de aanbevelingen van de heer Orlov heeft opgevolgd.

Op de terechtzitting van 14 september 1999 raakte Media Most B.V. er definitief van overtuigd dat de heer Orlov, door duidelijke belangstelling te tonen, alle mogelijk medewerking verleende aan de gedaagde - de firma Goldtron Limited - waardoor hij één van de basisprincipes van de rechtspraak schendt - het principe van onafhankelijkheid van de rechter.

Het wordt ook bevestigd door het feit dat de vertegenwoordiger van Goldtron Limited op 02.06.1999 (tijdens de eerste terechtzitting in de zaak), gevraagd door de voorzitter van het scheidsgerecht de heer L.N. Orlov, of de gedaagde de tegeneis ging instellen, verklaarde dat zijn partij geen tegeneis ging instellen.

Het afzien van het instellen van een tegeneis wordt ook bevestigd door het feit dat Goldtron Limited soortgelijke vorderingen heeft ingediend bij de Rechtbank van Amsterdam (inzake het verhalen op Media Most B.V. van 8,5 mln. USD) en bij het arbitragegerecht van Moskou (zaken No. A40-15103/99-48-201, A40-17198/99-23-246) strekkende tot het verhalen van CB "Most-Bank" van ruim 8,5 mln. USD aan bankgaranties Nrs. 99250257, 99250258 d.d. 19.05.98 gesteld door de Most-Bank als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van Media Most B.V. aan Goldtron Limited uit hoofde van de Overeenkomst van effectenkoop No. 98/2 d.d. 28.04.98.

Desalniettemin heeft de heer Orlov, zoals uit de gebeurtenissen na 2 juni 1999 blijkt, de gedaagde er kennelijk van overtuigd de tegeneis alsnog in te stellen - ondanks zijn eerdere afstand en ondanks het verlopen van de termijnen voor het instellen van de tegeneis, zonder dat er redenen van gewicht voor bestonden.

Op de terechtzitting van 14 september wees de heer Orlov op zijn beurt het verzoek van de eiseres om de tegeneis niet in behandeling te nemen van de hand, met de volgende verklaring: "het scheidsgerecht zal zelf een beslissing nemen omtrent de toewijzing of afwijzing van de tegeneis, onafhankelijk van de termijnen en het Reglement van het IHHA KvKRF".

In deze situatie zijn wij overtuigd dat de voorzitter van het scheidsgerecht niet in staat is de argumenten van de eiseres objectief te beoordelen en een wettelijke en gegronde beslissing in deze zaak te nemen.

Door op deze wijze te handelen en duidelijk belang te tonen bij de uitslag van de zaak heeft de heer Orlov, die zich onpartijdig dient op te stellen t.a.v. het door het IHHA behandelde geschil, niet alleen inbreuk gemaakt op de gevestigde normen van de rechterlijke ethiek, maar ook op de bepalingen van de Art. 123 Grondwet van de RF, Art. 12 Wet van de RF No. 5338-1 d.d. 07.07.93 "Op het Internationaal Hof van handelsarbitrage" en van Art. 24 van het Reglement van het IHHA KvK RF.

Gezien het bovenstaande en met inachtneming van Art. 24 lid 1 Reglement van het IHHA KvK RF wraken wij de voorzitter van het scheidsgerecht belast met de behandeling van zaak No. 382/1998, de heer Orlov Lev Nikolaevic. Zijn handelingen doen gegronde twijfels rijzen omtrent zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid en vormen aanleiding hem te verdenken als belanghebbende bij de uitslag van de zaak.

Indien nodig kan de vertegenwoordiger van Media Most B.V. en Most Invest Limited, de heer V.A. Esakov, een mondelinge verklaring (eventueel een getuigenverklaring) afleggen voor de scheidsrechters."

h. Op 23 februari 2000 heeft het Presidium van het ICAC besloten aan Mediamost te vragen om toe te lichten waarom het wrakingsverzoek niet was ingediend binnen de in artikel 24 lid 1 van het onder f bedoelde arbitragereglement gestelde termijn.

i. Op 23 juni 2000 heeft het Presidium van het ICAC het onder g bedoelde wrakingsverzoek afgewezen, daartoe het volgende overwegende:

"Having studied explanations of the claimants on cases Nr. 382 and 384 1998 of

25.04.00 in connection with substantial period of time they spent before filing of

challenge application to the chairman of the arbitral tribunal L. N. Orlov, the Presidium of ICAC have come to the conclusion, that the period of 15 days, stipulated by p. 1 of Paragraph 24 of the Rules of ICAC has been missed.

By such conclusion the Presidium of ICAC has taken into account that the shown regulation of the Rules stipulated that a written application on challenge shall be made not later than 15 days after the date when a party know of circumstances which could be reasons for challenge.

Claimants suppose that the term shall be calculated from 14.09.99 when the Chairman of the arbitral tribunal announced that the arbitral tribunal would consider the accepting of counter claim. The Presidium of ICAC in its turn supposes, referring to the text of the challenge application of the claimant dated 28.09.1999, that the date of calculation of 15-days term shall be 12.08.1999. In the applications it is said that due to the telephone call made at that date by the chairman of the arbitral tribunal to the claimant the last was assured in "aggressive acts towards claimant". After the above phone call the claimant came to the conclusion that "chairman of arbitral tribunal … works out the plan of the Defendant and helps him with the means of defendence. These circumstances show his interest in Defendants success…"

On the basis of the above the Presidium of ICAC comes to the conclusion that the claimant already on 12.08.1999 learned circumstances which could be reason for challenge, and accordingly, to 28.09.1999 the term for challenge expired.

Accordingly, the Presidium of ICAC comes to the conclusion on declining of the claimant's application on challenge of arbitrator L. N. Orlov."

j. Op 19 november 2001 heeft het ICAC in de hiervoor onder 1.d. weergegeven zaak Nr. 382/1998 vonnis gewezen en Media Most veroordeeld tot betaling aan Goldtron van een bedrag van USD 8.500.000,-- als hoofdsom uit hoofde van de tegeneis van Goldtron en een bedrag van USD 899.274,52 als contractuele geldboete alsook een bedrag van USD 38.338,74 ter vergoeding van de uitgaven van Goldtron met betrekking tot de betaling van de arbitrageheffing, en een bedrag van USD 100.000,-- ter vergoeding van de uitgaven van Goldtron verband houdend met de verdediging van haar rechten door bemiddeling van juridische vertegenwoordigers.

k. Op 3 juni 2002 heeft het Moscow City Court een vordering van Goldtron tot vernietiging van het arbitraal vonnis afgewezen. Op 19 juli 2002 heeft de Russische Hoge Raad deze beslissing vernietigd en de zaak naar het Moscow City Court terugverwezen. Tegen genoemde uitspraak van de Russische Hoge Raad heeft Goldtron op 7 augustus 2002 een protest ingediend.

2. Het verzoek

2.1 Goldtron legt aan het verzoek het volgende ten grondslag.

2.2 Zij wenst verlof tot tenuitvoerlegging van het hiervoor onder 1.j weergegeven in een vreemde Staat gewezen arbitrale vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggings-verdrag van toepassing is, op vermogensbestanddelen van Media Most in Nederland.

Het toepasselijke verdrag betreft het Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechtelijke uitspraken, gesloten te New York op 10 juni 1958, hierna ook: het Verdrag. Aan alle formaliteiten nodig voor verlof voor tenuitvoerlegging is volgens Goldtron voldaan. Indien Media Most bezwaren heeft tegen tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis, zal zij ingevolge artikel V van het Verdrag de bewijslast dragen van het feit dat het arbitrale vonnis onder de gegeven omstandigheden niet ten uitvoer mag worden gelegd. Volgens Goldtron is er echter geen sprake van toepasselijkheid van één van de gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel V van het Verdrag.

2.3 Naar aanleiding van het door Media Most opgeworpen verweer dat erkenning of tenuitvoerlegging in strijd is met de openbare orde van Nederland voert Goldtron aan dat daarvan geen sprake is. Zo was onder meer Media Most deugdelijk en tijdig geïnformeerd over de samenstelling van het arbitraal tribunaal. Media Most heeft ook geen protesten ingediend tegen benoeming van voornoemde L.N. Orlov die overigens op de juiste wijze tot voorzitter van het arbitraal tribunaal was benoemd. Hoor en wederhoor is in acht genomen bij het instellen van de tegenvordering van Goldtron en op het wrakingsverzoek van 28 september 1999 is een beslissing genomen. Voorts betwist Goldtron dat er valselijk processtukken zijn opgemaakt.

2.4 Ten aanzien van het telefoontje van L.N. Orlov op 12 augustus 1999 merkt Goldtron het volgende op. Media Most heeft nooit adequaat bewijs aangevoerd voor de stelling dat L.N. Orlov een telefoontje zou hebben gepleegd met een vertegenwoordiger van Media Most in de veronderstelling dat dit een vertegenwoordiger van Goldtron was, waarbij Orlov zou hebben geadviseerd een tegenvordering in te stellen, anders dan verklaringen van haar eigen Russische advocaten. Indien het telefoontje werkelijk zou zijn gepleegd had Media Most direct een wrakingsverzoek moeten indienen.

3. Het verweer

3.1 Media Most acht het verzoek niet toewijsbaar en voert daartoe het volgende aan. Ingevolge artikel V lid 2 van het Verdrag kan erkenning en tenuitvoerlegging worden geweigerd indien de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, constateert dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde van dat land. Het vonnis moet tot stand zijn gekomen na een behoorlijke rechtspleging.

3.2 Mediamost meent dat het arbitraal vonnis niet voldoet aan de in Nederland aanvaarde beginselen van behoorlijke rechtspleging. Media Most voert in dit verband aan dat de arbitrageprocedure bijna drie jaar heeft geduurd en werd gekenmerkt door een groot aantal incidenten.

3.3 Het belangrijkste incident is daarbij het telefoongesprek zoals weergegeven in het onder 1.g aangehaalde wrakingsverzoek.

Orlov heeft niet betwist dat hij op 12 augustus 1999 een telefoongesprek heeft gevoerd met Media Most. Tijdens de eerstvolgende zitting van het ICAC op 14 september 1999 bleek dat Goldtron ook inderdaad een officiële tegenclaim had ingediend, waarbij overigens de termijn van 45 dagen voor het instellen van de tegenvordering ruimschoots werd overschreden, hetgeen door het ICAC werd gesauveerd. Daarop heeft Media Most op de zitting van het ICAC van 28 september 1999 het onder 1.g weergeven verzoek tot wraking van L. N. Orlov ingediend.

Vervolgens werd het wrakingsverzoek van Media Most van de voorzitter van de arbitrage commissie door het Presidium van het ICAC op 29 juni 2000 afgewezen "on formal grounds", zoals weergegeven onder 1.i, zonder inhoudelijk op de zaak in te gaan. Mediamost stelt dat hier sprake is van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel met name het beginsel dat arbiters onpartijdig en onafhankelijk dienen te zijn.

3.4 De overige bezwaren van Media Most zijn als volgt samen te vatten: er zijn valse officiële processtukken in de arbitrageprocedure opgemaakt, negen bezwaarschriften van Media Most tegen de gang van zaken in de arbitrageprocedure, onder andere betreffende de samenstelling van het arbitrale college, zijn in het geheel niet behandeld. Er is gehandeld in strijd met artikel 18, 24 en 29 van de ICAC-rules.

4. De beoordeling

4.1 De Russische Federatie en het Koninkrijk der Nederlanden zijn beide partij bij de Convention on the recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Award 1958, (hierna: het verdrag). Volgens het Verdrag staan erkenning en tenuitvoerlegging voorop. Weigering daarvan mag slechts bij wijze van uitzondering geschieden, onder andere als de benoeming van arbiters of de arbitrale procedure in strijd is met het door partijen overeengekomene of als erkenning of tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met de openbare orde.

4.2 Het afwijzen van het onder 1.g bedoelde wrakingsverzoek kan een grond zijn voor afwijzing van de gevraagde erkenning en tenuitvoerlegging als deze afwijzing is geschied in strijd met het op de overeengekomen arbitrage toepasselijke reglement (de arbitrale procedure is dan immers gevoerd in strijd is met het door partijen overeengekomene) dan wel als hierdoor wordt gehandeld in strijd met de in Nederland aanvaarde beginselen van behoorlijke rechtspleging.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat, nu een inhoudelijk onderzoek van het onder 1.g weergegeven wrakingsverzoek achterwege is gebleven, zal moeten onderzocht of dit door het Presidium van het ICAC op de juiste formele gronden is afgewezen. Daarbij kan in het midden blijven of de door Mediamost gestelde toedracht op waarheid berust.

4.4 In lid 1 van § 24 van het overeengekomen arbitragereglement zoals onder 1. f weergegeven bepaalt dat een wrakingsverzoek moet worden ingediend niet later dan vijftien dagen nadat omstandigheden die grond geven te twijfelen aan de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van een arbiter bekend worden. Aan het slot van lid 1 van de aangehaalde bepaling blijkt echter dat een later ingediend verzoek in behandeling kan worden genomen als de vertraagde indiening gerechtvaardigd was.

4.5 Mediamost heeft bij de behandeling van haar wrakingsverzoek blijkens de onder 1.h weergegeven nadere toelichting op haar wrakingsverzoek aangevoerd dat de termijn van 15 dagen pas begon te lopen op 14 september 1999, toen de voorzitter van het arbitraal college mededeelde dat het college overwoog de tegenvordering van Goldtron te aanvaarden.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn inderdaad pas op 14 september 1999 is gaan lopen. Immers uit het gestelde telefoongesprek op 12 augustus 1999 kon niet meer blijken dan een mogelijk voornemen van Orlov om met Goldtron over de inhoud van de zaak te spreken. Door zo te handelen zou Orlov zich partijdig opstellen. Van een uitvoering van genoemd voornemen was evenwel op dat moment nog niet gebleken. Mediamost moest met de mogelijkheid rekening houden dat Orlov, nadat zijn voornemen bij Mediamost bekend was geworden, af zou zien van het benaderen van Goldtron.

4.6 Terecht heeft Mediamost dan ook de verdere gang van zaken afgewacht en pas een wrakingsverzoek ingediend na de zitting van het arbitrale college op 14 september 1999. Zij heeft in haar wrakingsverzoek opgemerkt dat zij toen definitief ervan overtuigd raakte "… dat de heer Orlov, door duidelijke belangstelling te tonen, alle mogelijk medewerking verleende aan de gedaagde - de firma Goldtron Limited -".

Uit het feit dat ter zitting een tegeneis door Goldtron werd ingediend in de tekst waarvan alle argumenten en aanbevelingen waren verwerkt die Orlov had genoemd in het gestelde telefoongesprek op 12 augustus 1999 heeft Mediamost afgeleid dat er contact tussen Orlov en Goldtron geweest moest zijn, hetgeen, samen met het door haar gestelde telefoongesprek van 12 augustus 1999, en de houding van Orlov ter zitting grond was voor haar wrakingsverzoek. Dit heeft zij - gerekend vanaf de datum van de zitting binnen de in het arbitragereglement gestelde termijn ingediend.

4.7 De rechtbank komt dus tot het oordeel dat het presidium van het ICAC het onder 1.g aangehaalde wrakingsverzoek van Mediamost ten onrechte heeft afgewezen op grond van een overschrijding van de termijn bedoeld in § 24 lid 1. Dit betekent dat het wrakingsverzoek ten onrechte niet inhoudelijk is behandeld, zodat Mediamost zich niet heeft kunnen verweren tegen een in haar ogen partijdige arbiter.

Daarom moet worden aangenomen dat de onder 1.d bedoelde arbitrale procedure is gevoerd in strijd is met het door partijen overeengekomen arbitragereglement. Tevens moet worden gezegd dat de rechtsgang bij deze arbitrage in strijd is geweest met de in Nederland aanvaarde beginselen van behoorlijke rechtspleging, zodat op grond van artikel V lid 2 van het onder 4.1 genoemde verdrag de gevraagde tenuitvoerlegging moet worden geweigerd.

4.8 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het presidium van het ICAC, ook indien zij ervan uitging dat het wrakingsverzoek was ingediend meer dan vijftien dagen nadat omstandigheden waren gebleken die grond zouden kunnen zijn voor wraking, gezien de laatste zin van § 24 lid 1 van het arbitragereglement - mede gelet op de ernst van de aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden - had moeten motiveren waarom dit uitstel niet gerechtvaardigd was. Door dit na te laten is eveneens gehandeld in strijd met de in Nederland aanvaarde beginselen van behoorlijke rechtspleging.

4.9 De onder 1.k bedoelde Russische rechterlijke uitspraken en het daar bedoelde protest tegen de uitspraak van de Russische Hoge Raad doen aan het voorafgaande niet af, nu in de genoemde rechterlijke uitspraken andere gronden voor vernietiging aan de orde zijn dan de gronden die thans voor de rechtbank reden zijn het verzoek tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

5. Het voorafgaande leidt tot afwijzing van het verzoek. Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht behoeft geen verdere bespreking.

BESLISSING

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 27 augustus 2002 in tegenwoor-digheid van de griffier.