Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE6984

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/3369 WW44 en AWB 02/3370 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Fictieve weigering van verweerder om te beslissen op de van 28 februari 2002 tot en met 15 maart 2002 door eenentwintig personen ingediende bezwaarschriften, welke zijn gericht tegen een op 1 februari 2002 aan verzoeker verleende sloop- en bouwvergunning.

Vergunninghouder is rechtstreeks belanghebbende bij tijdig nemen beslissing op bezwaar, ingediend door derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 8:84 EN 8:86

VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

in het geding met reg. nrs. AWB 02/3369 WW44 en AWB 02/3370 WW44

van A, wonende te B,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. N.J. Koene,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. I.S. van der Spek.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft op 4 juli 2002 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met een beroepschrift van verzoeker van 3 juli 2002, gericht tegen de fictieve weigering van verweerder om te beslissen op de van 28 februari 2002 tot en met 15 maart 2002 door eenentwintig personen ingediende bezwaarschriften, welke zijn gericht tegen een op 1 februari 2002 aan verzoeker verleende sloop- en bouwvergunning.

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, met analoge toepassing van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het verzoek en het beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 14 augustus 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang

van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel

8:86 Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Aan verzoeker zijn op 1 februari 2002 een sloopvergunning verleend voor opstallen op het perceel […]straat 37 te Leiden en een bouwvergunning voor hetzelfde perceel voor een ondergrondse garage met showroom, kantoorruimte en parkeervoorziening en 6 bovenwoningen. Van 28 februari 2002 tot en met 15 maart 2002 zijn door eenentwintig personen tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Verzoeker heeft tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaarschriften beroep ingesteld en in verband daarmee een voorlopige voorziening gevraagd. Aangevoerd is dat verzoeker er belang bij heeft dat er op zo kort mogelijk termijn een beslissing op bezwaar wordt genomen. De inhoud van dat besluit is van belang bij de keuze om al dan niet met de bouwwerkzaamheden aan te vangen, althans om tot verkoop van de te bouwen woningen over te gaan. Elke dag dat er niet kan worden gebouwd heeft aanzienlijke financiële gevolgen, aldus verzoeker.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:1 eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Blijkens artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

In voorliggend geschil heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het achterwege blijven van een beslissing op door derden tegen de aan verzoeker verleende sloop- en bouwvergunning .

De vraag die thans dient te worden beantwoord is of verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt en derhalve kan worden ontvangen in zijn beroep.

Anders dan verweerder stelt de rechter zich op het standpunt dat verzoeker niet kan worden tegengeworpen dat hij geen bezwaar heeft ingediend tegen de (hem immers begunstigende) primaire besluiten.

Voorts is voldoende aannemelijk dat verzoeker belang heeft bij tijdige besluitvorming op de bezwaren. Strikt genomen voorziet de Awb niet in een situatie als voorliggende. Het kan evenwel, naar het oordeel van de rechter, niet zo zijn dat verzoeker zich tot de kortgedingrechter zal dienen te wenden teneinde een besluit, dat naar mag worden aangenomen geheel wordt geregeerd door de Awb, te bewerkstelligen.

Het vorenstaande brengt de rechter tot de slotsom dat verzoeker, gelet op het doel en de strekking van deze wet, als rechtstreeks belanghebbende dient te worden aangemerkt en derhalve dient te worden ontvangen in zijn beroep.

Voorts is in geding de vraag of verweerder de termijn om te beslissen op de bezwaren heeft overschreden.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

In het onderhavige geval is een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb ingesteld en is verzoeker op 31 mei 2002 gehoord door deze commissie.

Niet is gebleken van verlenging van de beslistermijn op grond van opschorting, zoals bedoeld in artikel 7:10, tweede lid, van de Awb dan wel van verder uitstel ingevolge het vierde lid, van artikel 7:10 van de Awb. Maar zelfs indien zulks moet worden aangenomen moet worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen een beslissing op de tussen 28 februari 2002 en 15 maart 2002 ingediende bezwaren zou moeten worden genomen ruimschoots is overschreden.

Als reden voor de termijnoverschrijding is aangevoerd dat verweerder in afwachting was van een advies van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften, welk advies inmiddels op 1 augustus 2002 aan partijen is verzonden. Thans is het wachten op de terugkomst van vakantie van de verantwoordelijk wethouder en een bijeenkomst van het voltallige college. Naar het oordeel van de rechter kan de onderhavige termijnoverschrijding echter hiermee niet worden gerechtvaardigd.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, zoals bedoeld in artikel 7:10 van de Awb. Gelet op het vorengaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Voorts ziet de rechter aanleiding om een termijn te stellen waarbinnen verweerder een besluit op de bezwaren dient te nemen. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechtbank echter geen aanleiding.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Er wordt aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Het bedrag wordt vastgesteld op € 161,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,- x wegingsfactor 0,25). Voorts is er grond aanwezig om te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- draagt verweerder op binnen drie weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op de tussen 28 februari 2002 en 15 maart 2002 ingediende bezwaren tegen de op 1 februari 2002 aan verzoeker verleende sloop- en bouwvergunning;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 161,- (zegge: honderd en eenenzestig euro en vijftig eurocent), te betalen door verweerder aan verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het griffierecht ad € 109,- (zegge: honderdennegen euro) vergoedt;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

Gewezen door mr. A.W.P. Letschert, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. P.J. van Vliet, griffier,

en openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (AWB 02/3370 WW44), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B