Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE6852

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
13/128159-00
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1604
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/128159-00

Datum uitspraak: 22 augustus 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 8e meervoudige kamer C, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te Curaçao op 7 september 1981,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 augustus 2002.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft het verweer opgeworpen dat een deel van de telastelegging vaag en onduidelijk is omdat de bestanddelen of toevoegingen welke voor de kwalificatie moord noodzakelijk zijn, te weten "en met voorbedachten rade" en "en na kalm beraad en rustig overleg" tussen haakjes zijn gezet. Daarmee lijkt het enerzijds alsof de officier van justitie doodslag te laste legt, waarbij de tussen haakjes geplaatste zinsneden als (onjuiste) uitleg daarvan lijken te zijn bedoeld. Terwijl anderzijds de tussen haakjes geplaatste zinsneden, indien men de haakjes zou weglaten, de kwalificatie moord opleveren.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bij het telasteleggen van de feiten zijn de contouren gevolgd van de delictsomschrijvingen van moord en doodslag (de artikelen 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht). Er zijn in de telastelegging geen bestanddelen of toevoegingen over het hoofd gezien. De telastelegging is daarmee voldoende duidelijk.

Voorts heeft de verdediging het verweer opgeworpen dat de officier van justitie in de telastelegging op geen enkele wijze tot uitdrukking heeft gebracht waaruit het medeplegen zou hebben bestaan. Enige feitelijk toelichting ontbreekt. Het is derhalve onduidelijk op welke handelingen of gedragingen de officier van justitie het oog heeft. De telastelegging dient op dit punt nietig te worden verklaard.

De rechtbank vermag niet in te zien hoe de steller van de telastelegging anders dan door de zinsnede "heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s) met dat opzet (op korte afstand) op die [slachtoffer] geschoten" het delict feitelijk had moeten omschrijven. Dit onderdeel van het verweer mist aldus feitelijke grondslag.

De telastelegging voldoet ook overigens aan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het verweer wordt mitsdien - in beide onderdelen - verworpen.

2.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft het navolgende verweer gevoerd:

Het Openbaar Ministerie heeft de beginselen van een behoorlijke proces-orde op dusdanig grove wijze geschonden, dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging van verdachte moet worden ontzegd en niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Immers het Openbaar Ministerie heeft niet uit eigen beweging melding gemaakt van de verhoren van getuigen die in april en mei 2001 hadden plaatsgevonden en heeft pas één tot twee maanden later de daarop betrekking hebbende stukken aan de verdediging ter beschikking gesteld.

Voorts heeft het Openbaar Ministerie proberen te voorkomen dat de anonieme getuige in onderhavige zaak werd gehoord en zijn betrouwbaarheid zou worden getoetst. Het Openbaar Ministerie heeft ook de rechter-commissaris en daarmee de rechtbank een jaar lang stelselmatig de mogelijkheid onthouden om deze getuige te horen en daarmee de waarheidsvinding systematisch gefrustreerd. De belangen van verdachte zijn daarmee op grove en ontoelaatbare wijze geschonden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Afgezien van de vraag of de feitelijke gang van zaken was zoals de verdediging stelt, hebben bepaalde onderzoekshandelingen lang op zich laten wachten. In de tijd dat getracht is de anonieme getuige te horen, zijn evenwel - op verzoek van de verdediging - verscheidene andere getuigen gehoord.

Geenszins is komen vast te staan of aannemelijk geworden dat bij deze gang van zaken de verdachte opzettelijk in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, laat staan dat sprake is geweest van een zodanig bewuste schending of grove veronachtzaming van diens recht op een eerlijk proces dat het Openbaar Ministerie dientengevolge niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het verweer wordt derhalve verworpen.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 november 2000 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op korte afstand op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft bij (de ingang van) een jongerencentrum op meedogenloze wijze een jongeman van het leven beroofd. Verdachte heeft immers met een vuurwapen het vuur geopend op het slachtoffer, met als gevolg dat het slachtoffer door de kogelverwondingen binnen korte tijd is overleden. De gewelddadige dood van het slachtoffer laat diepe en onherstelbare sporen na in het leven van zijn nabestaanden. Verdachte heeft met zijn daad laten zien volstrekt geen respect te hebben voor het menselijk leven. Verdachte heeft ook geen enkel inzicht gegeven in zijn beweegredenen. De samenleving is ernstig geschokt door het handelen van verdachte.

Ten slotte laat de rechtbank meewegen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 19 april 2001 eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: hetgeen is vermeld op de als bijlage 2 aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2 t/m 13, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], zijnde de drager van de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 BW en als zodanig bevoegd zich te voegen in het strafproces, van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.710,36 (vijfduizend zevenhonderdtien euro en zesendertig eurocenten), bestaande uit de begrafeniskosten, een grafsteen, rouwkransen en de rouwadvertentie. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], p/a mr. M. Schut, Keizersgracht 555, 1001 NE Amsterdam (gemachtigde van de benadeelde partij) toe tot een bedrag van

€ 5.710,36 (vijfduizend zevenhonderdtien euro en zesendertig eurocenten).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[benadeelde partij], te betalen de som van € 5.710,36 (vijfduizend zevenhonderdtien euro en zesendertig eurocenten), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Hetgeen is vermeld op de als bijlage 2 aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers: 2 tot en met 13.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Hetgeen is vermeld op de als bijlage 2 aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers: 1 en 16.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

Hetgeen is vermeld op de als bijlage 2 aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers: 15 en 17 t/m 19.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. van der Pal, voorzitter,

mrs. M.S. van der Kuijl en C. Bleeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.H. Felix, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2002.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.