Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE5903

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
30-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/2604 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 02/2604 BESLU

van:

[verzoekster], wonende te Amsterdam, verzoekster,

tegen:

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mrs. J.C. Bootsma, J. Koopman en J.J. Ostendorf.

Voorts heeft aan het geding deelgenomen het Gemeentelijk Grondbedrijf van de gemeente

Amsterdam, vertegenwoordigd door J. Straub.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter heeft op 10 juni 2002 het verzoek ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen hangende de behandeling door verweerder van het door verzoekster gemaakte bezwaar tegen verweerders besluit van 7 mei 2002 waarbij aan het Gemeentelijk Grondbedrijf van de gemeente Amsterdam (hierna het Grondbedrijf) ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 juli 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Op 29 januari 2002 heeft het Grondbedrijf aan verweerder ontheffing gevraagd van het verbod om zonder noodzaak een beschermd diersoort te verontrusten of zijn nest, hol, voortplantings- of rustplaats te verstoren. Ontheffing werd gevraagd om een enkele migrerende ringslang(en) te verplaatsen naar een nabijgelegen habitat in verband met de aanleg van een verbindingsweg op het zogenoemde WTCW-terrein te Amsterdam.

Bij het besluit van 7 mei 2002 heeft verweerder deze ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet verleend voor de diersoorten ringslang (Natrix natrix), egel (Erinaceus europaeus), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana Temporaria), groene kikker complex (Rana esculenta) en kleine watersalamander (Triturus vulgaris). Aan de ontheffing heeft verweerder voorwaarden verbonden.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 7 juni 2002 bezwaar gemaakt. Zij voert aan dat zij reeds geruime tijd bezwaar maakt tegen aantasting van de cultuurhistorische, natuurhistorische en ecologische waarden van het zogenoemde WTCW-terrein. Door de planontwikkeling worden die waarden en haar in het gebied gelegen volkstuin bedreigd. De voorgenomen verbindingsweg loopt pal langs haar tuin.

Alvorens toe te komen aan de beoordeling van het bestreden besluit dient de rechter te beoordelen of verzoekster ten aanzien van het onderhavige besluit is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De rechter overweegt daaromtrent als volgt.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende is in de Awb een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Van geval tot geval moet worden bezien wie als zodanig kan worden aangemerkt. Indien blijkt dat verzoekster een voldoende persoonlijk en objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks betrokken belang bij het bestreden besluit heeft, kan zij als belanghebbende worden aangemerkt.

Overwogen wordt dat de bescherming van ideële belangen, zoals het belang bij behoud van de natuur of bescherming van ecologische waarden, niet kan worden aangemerkt als een eigen, persoonlijk en objectief bepaalbaar belang. Gelet op hetgeen verzoekster heeft aangevoerd komt de rechter tot het oordeel dat het door verzoekster gestelde getroffen belang, namelijk het belang bij behoud van de diersoorten in voornoemd gebied, zich niet onderscheidt van de belangen van ieder andere inwoner of bezoeker van het desbetreffende gebied. Daarbij acht de rechter voorts van belang dat de ontheffing uitdrukkelijk niet is verleend voor het doden van de betreffende dieren maar voor het vangen en verplaatsen van de dieren in het desbetreffende gebied.

Gelet op vorenstaande overwegingen, op grond waarvan het bezwaarschrift van verzoekster naar het voorlopige oordeel van de rechter niet ontvankelijk moet worden verklaard, ziet de rechter onvoldoende aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bezwaarprocedure geen stand zal houden. Aan de belangen van verzoekster bij schorsing van het bestreden besluit zal derhalve geen zwaarder gewicht worden toegekend dan aan de belangen van verweerder en het Grondbedrijf bij onverkorte uitvoering van het bestreden besluit. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Er wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid

van mr. J. dos Santos, griffier.

Openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D: A