Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE5899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
30-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/2561 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/758
M en R 2003, 15

Uitspraak

Rechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 02/2561 WRO

van:

[verzoekster], wonende te Amsterdam, verzoekster,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door mrs. J.C.H. van Dijk, H.W. Bartels en C. Brandsema.

Voorts heeft aan het geding deelgenomen het Gemeentelijk Grondbedrijf van de gemeente Amsterdam, vergunninghouder,

vertegenwoordigd door J. Straub.

1. PROCESVERLOOP

Op 6 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen hangende de behandeling van het bezwaarschrift van verzoekster tegen verweerders besluit van 14 februari 2002.

Verweerder heeft op 3 juli 2002 zijn besluit van 2 juli 2002 op het bezwaarschrift van verzoekster, ingezonden.

De rechtbank heeft op 5 juli 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van

2 juli 2002.

Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 2 juli 2002.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 juli 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Op 22 januari 2001 heeft het Gemeentelijk Grondbedrijf Amsterdam (hierna het Grondbedrijf) een aanvraag bij verweerder ingediend voor vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) in verband met de aanleg van een verbindingsweg op het zogenoemde WTCW-terrein te Amsterdam.

Naar aanleiding van de aanvraag zijn -onder meer door verzoekster- zienswijzen ingediend en is op 9 november 2001 een hoorzitting gehouden.

Bij brief van 12 februari 2002, verzonden op 14 februari 2002 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland een verklaring van geen bezwaar afgegeven in verband met voornoemde aanvraag.

Bij besluit van 14 februari 2002 heeft verweerder de aangevraagde vrijstelling verleend. Daarbij heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Hoorcommissie Bouwplannen van 8 januari 2002 overwogen dat de ingediende zienswijzen ongegrond zijn.

Het tegen dit besluit door verzoekster ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Overwogen wordt als volgt.

Verzoekster is als bezitter van een pal naast het wegtracé gelegen volkstuin als belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Bij besluit van 10 mei 200, nr 285, heeft de gemeenteraad van Amsterdam de bevoegdheid tot het verlenen van de vrijstelling gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Het wegtracé ligt in het bestemmingsplangebied 'Wetenschappelijk Watergraafsmeer', het bestemmingsplaan "Tweede Uitwerking bestemmingsplan WCW"en "Eerste Herziening Tweede Uitwerking bestemmingsplan WCW" op gronden met de bestemmingen 'wetenschappelijke en universitaire instellingen', 'water', 'plantsoenen, bermen, etc.' en 'verkeersareaal'. Er is aldus (deels) sprake van strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voorafgaande aan het primaire besluit is de in artikel 19a, vierde lid van de WRO voorgeschreven procedure gevolgd. Nu het college van gedeputeerde staten op 12 februari 2002 een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven moet worden vastgesteld dat verweerder de bevoegdheid heeft om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Beoordeeld dient te worden of het besluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voor het gebied is op 6 december 2001 in werking getreden het voorbereidingsbesluit 'Herziening bestemmingsplan WTCW'. Bij besluit van 19 juni 2002 is het gewijzigde bestemmingsplan 'Wetenschap en Technologie centrum Watergraafsmeer' door de gemeenteraad vastgesteld. De plannen voor het wegtracé zijn met dit voorbereidingsbesluit alsmede met het inmiddels vastgestelde gewijzigde bestemmingsplan in overeenstemming.

De procedure tot goedkeuring van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 28 WRO is thans bij Gedeputeerde Staten aanhangig. Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft meegedeeld, zal deze procedure naar verwachting ongeveer 7 maanden in beslag nemen.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijstelling niet verleend had mogen worden nu onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezige beschermde planten- en diersoorten en er bovendien geen milieueffectenrapportage is gemaakt. Onder verwijzing naar het rapport 'Biodiversiteit van het Wetenschap- en Technologiecentrum Watergraafsmeer 2001' van de Universiteit van Amsterdam heeft verzoekster gesteld dat verweerder ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet had dienen aan te vragen voor de rugstreeppad, die ingevolge de Habitatrichtlijn, bijlage IV, is beschermd. Verzoekster meent dat een dergelijke ontheffing niet zal kunnen worden verleend.

Ingevolge de artikelen 9, 10 en 11 van de Flora- en faunawet is het verboden om dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden opzettelijk te verontruste en nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen te vernielen of te verstoren.

Artikel 75 van de Flora- en faunawet -voorzover van belang - luidt als volgt.

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

(-)

4. Vrijstellingen en ontheffingen worden, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort:

a. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

b. teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnenbepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen."

In het rapport Biodiversiteit van de Universiteit van Amsterdam uit 2001, dat in opdracht van verweerder is vervaardigd, is vermeld dat de rugstreeppad op het WTCW-terrein voorkomt in de uiterste zuidoosthoek, waar zij overwinteren in het talud van de ring A10 en bij het spoor nabij Volkstuinenpark Frankendael en de Molukken. De rapportage is blijkens het rapport gebaseerd op waarnemingen volgens gebruikelijke waarnemingsmethodieken. De omstandigheid dat de dienst Ruimtelijke ordening van verweerder bij een zoektocht in juni 2002 de padden niet heeft aangetroffen, sluit niet uit dat de rugstreeppad in het gebied van het wegtracé - dat ligt tussen de plaatsen waar de pad is waargenomen - voorkomt. Nader onderzoek hiernaar, waartoe deze voorlopige voorzieningen procedure zich gezien zijn aard niet leent, is daarvoor noodzakelijk.

De rugstreeppad komt voor op bijlage IV van richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, nr. 92/43, gepubliceerd in PbEG. L 206, 2 juli 1992 (de Habitatrichtlijn). Dit betekent dat de rugstreeppad bijzondere bescherming geniet. In het onderhavige geval zijn relevant de verboden van de artikelen 9 tot en met 11 van de Flora- en faunawet. Indien de rugstreeppad daadwerkelijk in het gebied voorkomt dient voordat gestart wordt met de aanleg van de verbindingsweg ontheffing te zijn verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet. Een dergelijke ontheffing kan alleen worden verleend indien vaststaat dat geen andere bevredigende oplossing bestaat. Vaststaat dat een dergelijke ontheffing niet is gevraagd of verkregen.

Blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient goedkeuring aan een bestemmingsplan door het college van Gedeputeerde Staten te worden onthouden indien in redelijkheid is te voorzien dat de vereiste ontheffing(en) in verband met de in het plangebied voorkomende beschermde diersoorten niet zal (zullen) kunnen worden verleend. Gelet op de jurisprudentie terzake zal het college van Gedeputeerde Staten bij de goedkeuring van het bestemmingsplan in haar beoordeling de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten, en tevens daarbij het zonodig door verweerder verrichte alternatievenonderzoek, betrekken. Gedeputeerde staten hebben blijkens de verklaring van geen bezwaar niet eerder overwegingen gewijd aan de aanwezigheid in het gebied van de ingevolge bijlage IV van de Habitatrichtlijn beschermde rugstreeppad omdat dit bij de bedenkingen geen rol heeft gespeeld. Verzoekster heeft in dit verband aangevoerd dat zij dit aspect niet heeft vermeld bij haar bedenkingen omdat zij niet eerder van de aanwezigheid van de rugstreeppad op de hoogte was. Meergenoemd rapport van de Universiteit van Amsterdam is haar eerst in het voorjaar 2002 ter beschikking gekomen. Dit is door verweerder overigens niet weersproken.

Bij de onderhavige vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO moet in het kader van de ruimtelijke onderbouwing zorgvuldig onderzoek plaatsvinden van alle belangen die in het betreffende gebied een rol spelen, waaronder de natuurlijke en ecologische waarden van het gebied, meer in het bijzonder die van de beschermde soorten. Verweerder heeft er in het bestreden besluit geen blijk van gegeven dat de belangen van beschermde plant- en diersoorten die in het betreffende gebied een rol spelen, naar behoren zijn afgewogen. In dit verband wordt opgemerkt dat verweerder er voor heeft gekozen om voorafgaande aan de vrijstelling geen milieueffectrapportage te doen opstellen, zodat niet uit dergelijke rapportage gegevens kunnen worden geput voor het beoordelen van de milieueffecten van de beoogde verbindingsweg. Het bestreden besluit van 2 juli 2002 is derhalve naar voorlopig oordeel genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenoverwogene aanleiding het besluit te schorsen. Bij de afweging van de belangen is overwogen dat de aanleg van de verbindingsweg weliswaar enige urgentie niet kan worden ontzegd, maar dat niet gebleken is dat de goedkeuringsprocedure van het bestemmingsplan - waarbij al bovengenoemde aspecten aan de orde zullen komen - niet kan worden afgewacht. Daarbij acht de rechter van belang dat het WTCW-gebied toegankelijk is met de bestaande ontsluitingwegen en in het gebied reeds een aantal bouwwerken is gerealiseerd. Voor zover het bouwverkeer vanwege de hoogte van het viaduct geen gebruik kan maken van de Kruislaan, is het gebied toegankelijk via de Ringdijk. Weliswaar is de Ringdijk in beginsel gesloten voor gemotoriseerd verkeer, doch de rechter is gebleken dat met ontheffing zwaar wegverkeer dat geen gebruik kan maken van Kruislaan, gebruik kan maken van de Ringdijk.

Aan het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening wordt, gelet op vorenstaande overwegingen, zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van verweerder en de vergunninghouder bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Het verzoek zal worden toegewezen.

Er bestaat aanleiding om te bepalen dat het griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerders besluit van 14 februari 2002 wordt geschorst;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 109,-- (zegge honderd en negen euro) vergoedt.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. dos Santos, griffier.

Openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D: C