Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE5896

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
30-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/2849 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 02/2849 BESLU

van:

Stichting El Amal, gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. R.A.H. Wessel, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door J.H. Tulleners en M. van de Herberg.

1. PROCESVERLOOP

Op 28 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen hangende de behandeling door verweerder van het door verzoekster gemaakte bezwaar tegen verweerders besluit van 21 mei 2002, verzonden op 23 mei 2002.

Dit verzoek is met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden door de voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waar het op 12 juni 2002 is ingekomen.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 juli 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Verzoekster heeft tot doelstelling het verzorgen van islamitisch basisonderwijs in Amsterdam. In die hoedanigheid exploiteert verzoekster (tijdelijk) een islamitische basisschool in het stadsdeel Noord, als dislocatie van de school El Kadisia, gevestigd in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld.

Verzoekster heeft, met het oog op vestiging van een zelfstandige school in het stadsdeel Noord, op 28 januari 2000 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden opgenomen in het plan van scholen basisonderwijs 2001/2003. Blijkens de ontvangststempel van verweerder is de aanvraag ontvangen op 2 februari 2000. Verweerder heeft de aanvraag gehonoreerd. Bij besluit van 19 december 2000 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen goedkeuring verleend aan voornoemd plan. Dit besluit van

19 december 2000 is bij uitspraak van 8 augustus 2001 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op het door de Stichting Islamitische Basisscholen Amsterdam (SIBA) ingesteld beroep, vernietigd. De Afdeling heeft daarbij zelf in de zaak voorzien door alsnog afwijzend te beslissen op de aanvraag van verzoekster. Overwogen is dat de aanvraag niet binnen de daartoe gesteld termijn is ingediend.

In verband met de vergevorderde voorbereidingen van de nieuwe school, die zou starten met ingang van het schooljaar 2001-2002, heeft verzoekster na overleg met de betrokken stadsdelen en de centrale stad besloten dat de inmiddels voor dat schooljaar ingeschreven leerlingen werden beschouwd als leerlingen van de El Kadisia-school in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld en dat ten behoeve van deze in Noord woonachtige leerlingen in Noord een dislocatie werd gevestigd. Verzoekster heeft ter zitting uiteengezet dat het onderwijs deels wordt gegeven in het stadsdeel Noord en deels op de school in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld. De dislocatie werd in het schooljaar 2001-2002 bezocht door circa 160 leerlingen. De jongste leerlingen gingen naar school op het Y-plein in Noord, alwaar El Kadisia in een bestaande basisschool twee lokalen ter beschikking heeft. De oudste leerlingen werden dagelijks vanuit Noord naar de vesting in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld vervoerd.

Blijkens de brief van 20 november 2001 heeft de wethouder van Onderwijs

medewerking toegezegd aan de dislocatie in het stadsdeel Noord, onder voorwaarde dat de dislocatie per 1 augustus 2002 zou worden omgezet in een zelfstandige school. De wethouder verklaart in voornoemde brief zich maximaal in te zullen spannen voor omzetting van de dislocatie in een zelfstandige school. Tevens merkt hij op dat gelet op de procedure tegen het plan van scholen niet uitgesloten is dat de school pas per 1 augustus 2003 van start kan gaan.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de kosten van de tijdelijke huisvesting, bestaande uit de kosten van lokalen ten behoeve van de dislocatie en het extra leerlingenvervoer ten laste van de gemeentebegroting gebracht. In de vergadering van 5 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten aan het stadsdeel Noord de kapitaallasten te vergoeden die betrekking hebben op de dislocatie voor de schooljaren 2001/2002 en 2002/2003 en hebben het vergoedingsbedrag voor het eerste van die twee schooljaren vastgesteld.

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs besloten verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep tegen de vaststelling van het plan van scholen 2002/2005. Bij besluit van gelijke datum is het beroep van SIBA tegen datzelfde plan gegrond verklaard en is bepaald dat een school uitgaande van SIBA via het eerstvolgende plan van scholen voor bekostiging in aanmerking dient te worden gebracht. De opdracht van de Staatssecretaris is uitgevoerd in het op 19 juni 2002 door de gemeenteraad vastgestelde plan van scholen, zodat een islamitische basisschool uitgaande van SIBA met ingang van het schooljaar 2003/2004 wordt bekostigd.

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris waarbij zij niet-ontvankelijk is verklaard. Dit hoger beroep is nog bij de Afdeling aanhangig.

Blijkens het thans bestreden besluit heeft verweerder bekend gemaakt dat hij niet langer financieel medewerking aan de dislocatie zal verlenen en zich bereid verklaard tot het eind van het schooljaar 2001/2002 mee te werken aan de afbouw van de dislocatie in Noord. Daarbij heeft verweerder overwogen dat gelet op de niet-ontvankelijk verklaring van verzoekster door de Staatssecretaris en de honorering van de aanvraag van SIBA, het voor verzoekster niet meer mogelijk is een school in het stadsdeel Noord te realiseren.

Verzoekster acht het onjuist dat verweerder bij het bestreden besluit de afspraken welke

- kort gezegd - luidden dat er een noodoplossing werd gecreëerd totdat er alsnog een school kon worden gesticht of zou vaststaan dat dat niet mogelijk is, thans heeft beëindigd. Verzoekster heeft gewezen op het door haar ingestelde beroep bij de Afdeling en op de omstandigheid dat de gemeente door haar op te nemen in het scholenplan bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat een school zou kunnen worden gerealiseerd. Verzoekster heeft er opgewezen dat het besluit voor haar betekent dat zij de dislocatie met ingang van komend schooljaar moet sluiten en het vervoer naar Slotervaart/Overtoomse Veld moet staken. Dat stelt haar en de leerlingen uit het stadsdeel Noord voor onoverkomelijke problemen. Verzoekster heeft verklaard dat voor haar school thans nog 60 leerlingen uit het stadsdeel Noord staan ingeschreven. Daarvan maken circa 25 leerlingen gebruik van de locatie in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld. Volgens verzoekster hebben de ouders van de leerlingen bewust gekozen voor onderwijs dat verzorgd wordt door verzoekster en plaatsen zij bij voorkeur hun kinderen niet op een andere school. De kosten van leerlingenvervoer naar de school in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld zou echter door het merendeel van de ouders niet kunnen worden opgebracht. Dit leidt er volgens verzoekster toe dat sommige ouders noodgedwongen op zoek zullen moeten naar een andere school voor hun kinderen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat door het bestreden besluit ook de huisvesting in Noord in gevaar komt. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Noord heeft onlangs onder verwijzing naar het thans bestreden besluit, verzoekster gesommeerd de noodlokalen te ontruimen, aldus verzoekster.

Overwogen wordt als volgt.

Gelet op het besluit van de Staatssecretaris waarbij de stichting SIBA met ingang van het schooljaar 2003/2004 voor bekostiging van een tweede islamitische basisschool in Noord in aanmerking is gebracht, heeft verweerder er bij zijn besluit rekening mee kunnen houden dat verzoekster niet in staat zal zijn een school in het stadsdeel Noord te realiseren. Hoewel verzoekster hoger beroep heeft ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep tegen de vaststelling van het scholenplan 2002-2005/2006 - welk beroep zal moeten worden afgewacht - is gelet op de huidige stand van zaken de kans dat verzoekster alsnog per

1 augustus 2003 een school in het stadsdeel Noord zal kunnen starten, niet zeer groot te achten. Nu de financiële tegemoetkoming van de gemeente er met name op gericht was om een tussenoplossing te creëren totdat duidelijkheid bestond over de omzetting van de dislocatie in een zelfstandige islamitische basisschool uitgaande van verzoekster, kan verweerder in beginsel de noodvoorziening beëindigen. Zulks een beëindiging zal evenwel na afweging van alle belangen en met de nodige zorgvuldigheid moeten geschieden, waarbij verzoekster een redelijke termijn moet worden gegund voor haar leerlingen en personeel een oplossing te vinden. Daarbij is overwogen dat mede door de bemoeienis van verweerder er een situatie is ontstaan dat bij verzoekster, de ouders en de leerlingen verwachtingen zijn gewekt dat een islamitische basisschool op deze locatie in het stadsdeel Noord kon worden opgebouwd en dat daaraan ook feitelijk invulling is gegeven.

Blijkens verweerders verklaring ter zitting zal de SIBA niet vóór 1 augustus 2003 een tweede islamitische basisschool in het stadsdeel Noord kunnen starten, zodat tot die datum de leerlingen uit het stadsdeel Noord die islamitisch onderwijs wensen zijn aangewezen op de - eveneens van SIBA uitgaande - reeds bestaande basisschool in het stadsdeel Noord of op een school gelegen in een ander stadsdeel. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de bestaande islamitische school in het stadsdeel Noord ongeveer 7 kilometer verder ligt ten opzichte van de huidige locatie van El Kadisia op het Y-plein, zodat verzoekster vreest dat dit in verband met halen en brengen van haar jongste leerlingen voor veel ouders voor het komend schooljaar geen oplossing zal zijn. Tevens heeft zij er op gewezen dat voor de kosten van het leerlingenvervoer van haar oudere leerlingen naar de school in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld nog geen oplossing is gevonden, nu de bestaande regelingen ten aanzien van het leerlingenvervoer hierin vermoedelijk niet voorzien. Verzoekster heeft er bovendien op gewezen dat de ouders van de 60 leerlingen die zich voor het komend schooljaar nog bij haar hebben ingeschreven bewust hebben gekozen voor islamitisch onderwijs zodat inschrijving bij een openbare school of andere bijzondere school, - zoals door verweerder is gesuggereerd - voor hen evenmin oplossing biedt. De rechter acht dit aannemelijk. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen aangeven dat voorafgaande aan het besluit enig overleg met verzoekster heeft plaatsgevonden of eigen onderzoek is verricht op welke wijze de bij verzoekster ingeschreven leerlingen het komend schooljaar onderwijs kunnen genieten.

Het besluit van 21 mei 2002 geeft er dan ook geen blijk van dat ten aanzien van al deze aspecten een deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verweerder zal in de bezwaarfase de belangen van verzoekster en haar leerlingen nader moeten onderzoeken en afwegen. De beslissing op bezwaar dient hij in dit opzicht zorgvuldige te motiveren, waarbij hij blijk zal moeten geven van een deugdelijke belangenafweging.

Gelet op het vorenstaande is naar voorlopig oordeel van de rechter het besluit tot beëindiging van de financiële medewerking niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is er aanleiding het besluit te schorsen tot 6 weken nadat op het ingediende bezwaar zal zijn beslist. Gelet op de belangen van verzoekster en haar leerlingen komt het verzoek van haar tot continuering van de voorzieningen ten behoeve de dislocatie gedurende die periode voor toewijzing in aanmerking. De rechter zal terzake een voorlopige voorziening treffen. Verzoekster en verweerder zullen tevens desgewenst deze periode voor overleg kunnen benutten, bij welk overleg - zoals ter zitting is gesuggereerd - SIBA mogelijkerwijs door verweerder kan worden betrokken.

Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair zijn vastgesteld op € 644,--

(2 punten -voor het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting- x factor 1 x € 322,--), als kosten van verleende rechtsbijstand. Eveneens bestaat aanleiding om te bepalen dat het griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van verweerder van 21 mei 2002 tot en met zes weken na de verzending van de beslissing op het terzake ingediende bezwaarschrift;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder de financiële medewerking ten behoeve van de dislocatie in Noord van de El Kadisia-school gedurende evengenoemde periode voortzet;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644,-- (zegge zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 218,-- (zegge tweehonderd en achttien euro) vergoedt.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. dos Santos, griffier.

Openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D: C